Koppelingen:
Vorig artikel: GASTR- Volgend artikel: GASTRISCH
GTB Woordenboeken: MNW

GASTRECHT

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: gastrecht

znw. onz., om de absolute beteekenis zonder mv. Uit Gast (1ste art., in de thans verouderde beteekenis van vreemdeling, en in de bet. 1, a). Hd. gastrecht.
1.  Gast in de bet. van vreemdeling. In het oude rechtswezen. Het recht of de wettelijke bepalingen, ten opzichte van gasten of vreemdelingen geldende; bij KIL. [1599] door jus peregrinorum vertolkt.
2.  Gast in de bet. 1, a), als iemand, dien men ten zijnent onthaalt of herbergt. Het recht, dat een gast heeft op verpleging en bescherming van de zijde van zijn gastheer. Inzonderheid in het Oud-Germaansche volksleven, waarin de onbeperktste gastvrijheid door gebruik en wetten geboden en geheiligd was.
Het gastrecht schenden.  
Mijn broeder Flippes dreigt van 't noorden mijne muren,
Uit wraecke, om dat ick u weghvoerde, en 't gastrecht schon.
  VONDEL 10, 103 [1662].
'k Vraag het gastregt in deez' vest.
  STARING 1, 25 [1791].
Samenst. afl. Gastrechtschenderij (”Om d'algemeenen hoon en gastrechtschendery Te straffen met den val van Priams heerschappy”, BILD. 2, 301 [1805]).
Samenst. Gastrechtplicht (”Duld echter, dat ik hier de gastrechtplicht betracht”, BILD. 3, 390 [1808]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1874.