Koppelingen:
Vorig artikel: GELUCHTEN Volgend artikel: GELUID

GELUI

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: gelui

znw. onz.; zonder mv., als benaming eener voortdurende handeling.
Met uitstooting der d ontstaan uit geluide, een bijvorm van geluid. Mhd. geliute (LEXER 1, 820); nhd. geläute (D. Wtb. 4 lb, 2877); ags. gehlŷde (GREIN, Gloss. 1, 413). Oorspronkelijk eene afleiding van het verouderde znw. luid (mnl. luut, hd. laut), met het voorv. Ge- in collectieve beteekenis (III, 2, e), in den concreten zin van geluid, doch in later tijd opgevat als eene afleiding van Luien (luiden) met het voorv. Ge- in den zin van gedurige herhaling (III, 3). Het telkens of aanhoudend luiden, het doen klinken van eene klok of schel. Hetzij met het denkbeeld van meer of minder langen duur, zooals bij kerkklokken, hetzij zonder dat bijbegrip, t.w. wanneer de handeling slechts dient om een bepaald teeken of sein te geven.
Hij hoorde … het gelui van eene kloosterklok,   LOOSJES, Lijnsl. 1, 341 [1808].
Op datzelfde oogenblik hoorde hij het gelui eener kerkklok in de nabijheid,   V. LENNEP, Rom. 13, 41 [1838].
De schel … gaf blijken van een zeer helklinkende specie te zijn; maar de heer Bruis merkte geen enkel geluid binnen de woning …, dat zijn gelui beantwoordde,   BEETS, C.O. 105 [1839].
Midden in den nacht … maakte het luiden eener bel mij plotseling wakker; dit gelui werd misschien wel twee a drie uren lang om de drie minuten herhaald,   KNEPPELH. 8, 1 [1857].
En 't dof gelui der torenklokken
Verkondigde met helsch gedruisch
De komst van 't gruwzaam spookgespuis.
  V. LENNEP, Poët. 1, 19 [1828].
—  Het eerste, tweede, derde gelui, de achtereenvolgende seinen met eene schel; inzonderheid gezegd van die seinen waardoor de reizigers gewaarschuwd worden dat het oogenblik van vertrek nadert.
Gij zult u moeten haasten, want daar hoor ik al het tweede gelui.  
De klok stond op vijf en de schel klepte luid
En noodde voor 't eerst tot het middagmaal uit;
Men nam dan gewoonlijk een snapsje; maar dra
Klonk het tweede gelui, 't was een half uur daarna.
  V. ZEGGELEN 7, 13 [1843].
—  Overdrachtelijk ook voor sein, teeken in 't algemeen, al wordt dit niet met eene schel gegeven.
Eerst heeft zy een half uur werk met zich te wasschen. … Dan knort zy (dit is het eerste gelui), en roept, dat het water nog niet gereed staat, of dat het troubel is,   WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 63 [1784].
Samenst. Klokgelui (zie ald.).
— Dichterlijk. Sterfgelui, het luiden der doodklok (”En 's donders romm'len, 't windgebulder, 't woên der baren … Schijnt sterfgelui te zijn voor hen, die 't sterven beidt”, LULOFS, Ged. 146).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1886.