Koppelingen:
Vorig artikel: GEZELLIGHEID Volgend artikel: GEZELSCHAP
Etymologie: EWA
GTB Woordenboeken: MNW

GEZELLIN

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: gezellin

— ook GEZELLINNE —, znw. vr.; mv. gezellinnen. Mhd. gesellinne (LEXER 1, 910); mnd. gesellin (SCHILLER-LÜBBEN 2, 79); mnl. gesellinne (VERDAM 2, 1632). Van Gezel, met het achterv. -in, om het vr. geslacht uitdrukkelijk aan te wijzen.
+1.  In 't algemeen. Verg. Gezel in de bet. 1).
Dat ick henen ga … ende beweene mijnen maeghdom, ick ende mijne gesellinnen,   Statenb., Richt. 11, 38 [ed. 1688].
Men gelooft te dikwyls, dat men de beminde Vriendin is, als men alleen de geächte Gezellin zy,   WOLFF en DEKEN, Leev. 8, 101 [1785].
Daarbij fluistert hij zijn gezellinnen onophoudelijk aardigheden in het oor,   LINDO 3, 52.
Dianes gezellinnen,
Den jongling ziende, slaen uit hartewee en pijn
Voor haere bloote borst.
  VONDEL 11, 383 [1671].
+2.  In 't bijzonder. Echtgenoote, gade.
Ghesellinne, gheselnede, socia thalami, consors, uxor,   KIL. [1588]
— Daer sy doch uwe gesellinne, ende de huysvrouwe uwes verbonts is,   Statenb., Mal. 2, 14 [ed. 1688].
'k Zocht, in mijn zwerven, lang een lieve gezellin.
  V. LENNEP, Poët. 10, 13 [1835].
Samenst. In de bet. 1). Gruwelgezellin (”De geylheyd … een' gruwelgezellin Des oppersten gelucx”, VONDEL 2, 711 [1629])
jachtgezellin (”Opis, Dianes jaghtgezellin”, VONDEL 5, 367 [1646])
medegezellin (”De jonge dochteren die achter haer zijn, hare medegesellinnen”, Statenb., Ps. 45, 15 [ed. 1688]).
— In de bet. 2). Levensgezellin (zie ald.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1889.