Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: GILLEKEN Volgend artikel: GILLEN II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

GILLENI

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,zw.)

Modern lemma: gillen

onz., soms ook bedr. zw. ww.; met hebben: gilde, heeft gegild. Nevens het oorspronkelijk sterke ww. ohd. gellan, mhd. nhd. mnd. gellen, ags. gellan, eng. to yell, onr. gjalla, gella, zw. gälla, deensch gjalde, mnl. gellen, staat in verschillende tongvallen een vorm met i: zie b.v. SCHMELLER 1, 891; VILMAR 126; BERGHAUS 1, 570; STÜRENBURG 70, en verder D. Wtb. 4¹, 3037. Een klanknabootsend woord, dat, evenals gieren (zie ald., 3de art.), in zeer verschillende toepassingen wordt gebezigd.
+A.  Van zaken, in Noord-Nederland thans weinig meer in gebruik.
Ghillen. Holl. Sicamb. Stridere,   KIL. [1588].
Gillen, Kraken, To creak,   HEXHAM.
+B.  Van levende wezens; verg. GIEREN (III), 1, b). Thans de gewone beteekenis. Schelle kreten doen hooren.
Afl. Gegil, gil, gilling (zie die woorden)
gillig, thans verouderd: gillend (”Hier hoort men 't grove Wild: 't Hert brullen met de honden, En 't gillig Swyns geknor”, SCRIVERIUS, Ged. 16).
Samenst. Achternagillen (zie Deel I, 694)
medegillen, toegillen, uitgillen (zie ald.).

Aanvulling bij GILLENI

Afl. Giller. 1°. Persoon die gilt.
  V. DALE [1872].
2°. (Spreekt.) Uitermate belachelijke of komische zaak; iets dat ”om te gillen” is.
  V. DALE [1976].
— Een van de biljartende jongens had de uniformpet van de portier opgezet, kwam met de keu als geweer over de schouder naar me toe en zei: `Meneer, wilt u mij even volgen naar het concentratiekamp.' Dat was natuurlijk een giller en ik deed mee,   CARMIGGELT, Later 53 [1964].
De grote giller van de Nederlandse titelstrijd werd evenals voorgaande jaren de finale damesdubbelspel,   Leidsch Dagbl. 17 Aug. 1968.
Zelfklevende stickers met gillers van dolle, dwaze, malle teksten om op de gekste dingen te plakken, brommers, boekentas, kamerdeur, boeken, schriften. 3 Vellen vol voor 1. —,   uit een advert. [1970].
Gillerig.
1°. Den aard, de hoedanigheid van gillen hebbend.
  V. DALE [1976].
Gillerig praten en lachen, dringend geroep met negotie, kleedjes-kloppen en hondengeblaf, kargehobbel en jongensgefluit,   ROBBERS, Gel. Fam. 3 [1909].
Zij liepen naar hun eigen deuren, alsof zij de vlucht namen, met hoge, gillerige uithalen tot afscheid,   VESTDIJK, Iv. Wachters 154 [1951].
2°. Geneigd tot gillen.
  V. DALE [1976].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1889.