Koppelingen:
Vorig artikel: GODSLASTERAAR Volgend artikel: GODSLASTERLIJK

GODSLASTERING

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: godslastering

GODLASTERING —, znw. vr., mv. -en. Uit God (in den 2den nv.) en Lastering.
Beschimping van God; aanranding, schending van Gods eer.
Godts lasteringe. Blasphemie,   PLANT. [1573].
— Waarom men wil, dat zoodanige Dronkenschap … iemand in Godslastering, gelyk in andere misdaaden, van de ordinaire straf zou bevryden,   V. ALKEMADE, Displ. 3, 309 [1735].
Alle vijandschap tegen God, … alle godloochening, … alle godlastering,   BEETS, St. Uren 9, 424 [1883].
—  Ook concreet: godslasterlijk woord, vloek. Meest in 't mv.
Hij braakte in zijn dronkenschap de ergerlijkste godslasteringen uit.   poëem WNT
— Hij (een dronkaard) zou … uw huis besmetten met baldadige woorden, met godslasteringen,   CONSC. 1, 68 a [ed. 1867].
IJsclijke Godslasteringen,   2, 272 b.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1891.