Koppelingen:
Vorig artikel: GREP Volgend artikel: GREPPELAARDE
Etymologie: EWN

GREPPEL

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: greppel

GRIPPEL, GRUPPEL —, znw. vr., mv. -s en -en; verkl. -tje. Nud. grüppel. Van denzelfden stam gevormd als greppe, grep (zie GREP), maar met een ander achtervoegsel (oud-germ. -ila).
1.  In 't algemeen. Eene uitgraving in den grond; eene droge sloot.
Die geene die eenige gruppelen sullen hebben gemaeckt,   Gr. Placaetb. 4, 547 a [1694].
De greppel, by de welcke de Oost- en Ridder-veenen afgescheiden sijn van den lande van Goeylandt,   HOOFT, Br. 1, 45 [1612].
Volghends sekere Sententie … wierdt Goeyland afgeraeit van 't Sticht van Wtrecht met een gruppele, die rechtevoort alomme toegeworpen ende verduistert zijnde, op verscheiden plaetsen controversie causeert over de limiten,   1, 147.
Wy geraekten na veel sukkelens digt by de rivier aen eenige vervalle huizen. … Hier vonden wy een diepe greppel voor ons,   DE BRUYN, Reizen 2, 116 a [1714].
Eene diepe greppel …, die tusschen het voetpad en het wagenspoor lag,   VOSMAER, Letterarb. 1, 64.
Terwijl aan de andere zijde een elzenschering en gruppel de uiterste grenzen afteekenden, die het buitengoed scheidden van de onbebouwde heide,   V. LENNEP, Rom. 3, 275 [1840].
+2.  In 't bijzonder. Eene smalle en ondiepe uitgraving tusschen de bouwakkers, door de weilanden of in het veen, waardoor het overtollige hemelwater naar de slooten wordt geleid. Zie Grep in de bet. 1, c).
Also 't water van 't land zinct van de greppels in de sloten, van de sloten in de molewateringen, van de molen-wateringhen in de ghemeene wateren,   DE GROOT, Inl. 2, 35, § 17 [1631].
— Vermidts veele Landen … soo verre overloopen zijn, dat sy (de ingelanden) … hare Greppels … van nieuws sullen moeten openen ende hermaecken,   Gr. Placaetb. 2, 1763 [1637].
Zoo … een watervloet het warme slib over al het velt spoele, dat greppels en slooten overal overloopen,   VONDEL 5, 78 [1646].
Holle greppels,   VONDEL 8, 194 [1660].
Op de … breedte … van 25 … roeden, wordt tusschen elke ”plaats” op hare geheele lengte, eene greppel ter breedte van 3 en ter diepte van 21/2 veenvoeten gelegd; regthoekig met deze greppel wordt het veen in akkers (bonken) door middel van andere greppels afgedeeld,   STEMFOORT, Veengr. 12.
Deze greppels (worden) … jaarlijks … eene spit (bol) verdiept,   Ald.
3.  Goot in een stal; groep. Zie de Samenst. (als tweede lid).
4.  Diepte, kuil, groeve, graf.
Dat yemant die mijn lijf of been
Misschien na desen vinden mocht, …
Dat, segg' ick, dan hy voor het self
Een greppel in den oever delf.
  CATS 1, 169 c [1620].
Afl. Greppelen (zie ald.).
Samenst. Greppelaarde, greppelgras (zie die woorden).
— Voorts in de bet. 2) Greppelschop, greppelschup: schop om greppels in het veen mede te maken, bolschup (zie STEMFOORT, Veengr. 12).
— Als tweede lid (in de bet. 2) Dwarsgreppel: die de andere greppels (in Zeeland de ”dulven”) snijdt (”Ieder blok (land) (is) … verdeeld … in stukken van 4, 5, of 6 roeden breed, van een gescheiden door middel-dulven, welken wederom, door dwarsgrippels, met elkanderen en met de hoofd-dulven, in verband worden gebragt”, DE PERPONCHER, Z. Graanb. 23)
veengreppel (zie BERKHEY, N.H. 2, 499 [1770]).
— In de bet. 3) Drekgreppel, stalgoot, groep (”Vele Koeijen (staan), als zij in de stallen kalven, veeltijds met de achterpooten in de koes of drekgreppel”, BERKHEY, N.H. 7, 158 [1808]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1893.