Koppelingen:
Vorig artikel: GRIFFEL Volgend artikel: GRIFFELEN II

GRIFFELENI

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: griffelen

bedr. en onz. zw. ww.: griffelde, gegriffeld. Van Griffel (zie ald.). Verg. GRIFFEN.
+A.  Met eene metalen schrijfstift (eene griffel in de bet. A, 1) schrijven; inkrassen, ingraveeren; bedr. en onz.
+B.  Een entlot of entrijs (eene griffel in de bet. B) plaatsen; enten.
't Is goedt griffelen op een goede stam,   SPRANKHUISEN 1, 121 [1634]  (aangeh. bij DE JAGER, Frequent. 1, 162).
Pas in de lente u tijt waar te nemen, om te griffelen en te oculeeren,   VALENTIJN, Ovid. 1, 232.
Samenst. Ingriffelen (zie ald.)
nagriffelen, met de griffel nateekenen, natrekken (”Constant had ook alreeds eenigen tijd gezocht na te griffelen wat hij rond hem heen zag, paarden en koeien geklad, enz.”, DE VOS, Vl. Jong. 10).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1893.