Koppelingen:
Vorig artikel: GRIFFELEN II Volgend artikel: GRIFFIE
Etymologie: EWN

GRIFFEN

Woordsoort: ww.(intr.,trans.,zw.)

Modern lemma: griffen

GREFFEN —, onz. en bedr. zw. ww.: grifte, gegrift. Van Grif, 1ste art., in navolging van fr. greffer.
—  Aanm. Het voorkomen van vormen als grieven en grijven (zie hieronder) en van samenstellingen als ingrieven (zie ald.) met de beteekenis van griffen bewijst duidelijk hoe grieven (zie ald. de bet. III) met griffen in verband gebracht en verwisseld is geworden. Verg. ook grieve, znw. onder Grif, 1ste art., Aanm.
+A.  Letterteekens of andere merken met eene grif inkrassen.
+B.  Een entlot, eene grif in de bet. B) plaatsen.
Afl. (in de bet. B) Griffing, het enten, enting (”Greffinge, Entement, ou enture”, PLANT. [1573]).
Samenst. Grifmes, entmes.
— Met een voorz. Ingriffen (zie ald.); voorts (in de bet. A) neergriffen (”hun beider naam Wordt er (in den boom) neêrgegrift”, TEN KATE, N. Ged. 14; ”rimpels, slechts door oogenblikken, niet Door jaren, neêrgegrift”, TEN KATE 5, 222 [1852]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1893.