Koppelingen:
Vorig artikel: GROBAK Volgend artikel: GROBBELIG I

GROBBELEN

Woordsoort: ww.(intr.,zw.)

Modern lemma: grobbelen

onz. zw. ww.: grobbelde, gegrobbeld. Een frequentatief (verg. mnl. grobben) van denzelfden stam als b.v. grabbelen (zie ald.), eng. to grub en to grubble, nhd. grübeln enz. Zie KLUGE op Grübeln. Verg. GROBBER en zie ook GROEBELEN.
+1.  Grabbelen (in de bet. 3); op goed geluk tasten.
Naar iets grobbelen,   DE BO 342 b [1892].
— Dat hij … de heele kamer doorkroop, al zoekende onder het bed en op de beddeplank. … ”Nu, toe, wat zoek je, wat grobbel je toch, wat is er nu weêr weg?”,   FOKKE, B.R. 2, 167 [1809].
Sommige Galliërs (kropen) dicht onder de schalen, en er bleef, by ongeluk, wel … een stukje … goud aan hunne handen … hangen. Met zag hy (Brennus) juist eene hand onder de schaal grobbelen,   2, 211.
2.  In den Westfrieschen tongval. Aangezicht en handen wasschen. Zie SCHELTEMA, Mengelw. 5, III, 13; Navorscher, 7, 106 a en 21, 531.
3.  Als vertaling, althans navolging, van nhd. grübeln voor: peinzend tobben, muizenissen in het hoofd halen.
Mijne tusschenuren van uitspanning kan ik beter besteden, dan mij het hoofd met peinzen en grobbelen te breken,   LUBLINK, Verh. 2, 312.
Afl. Grobbel, grabbel (”Geld te grobbel gooien, fr. jeter à la gribouillette”, DE BO 342 b [1892])
grobbelig (zie dat woord, 1ste art.)
grobbeling (”Geld te grobbelinge gooien”, DE BO 342 b [1892]).
Begrobbelen (zie ald.).
Samenst. Grobbelegrabbe, znw., in de gewestelijke uitdrukking Iets in de grobbelegrabbe gooien: in de grabbel, in de griel werpen. Zie Navorscher 24, 556 en verg. b.v. gribbelgrabbel (onder GRABBEL, Samenst.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1894.