Koppelingen:
Vorig artikel: GROEIPLAATS Volgend artikel: GROEISTUIP
GTB Woordenboeken: MNW

GROEISEL

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: groeisel

znw. onz.; mv. -s. Mnl. groeisel. Van den stam van Groeien met -sel.
1.  Groei (in de bet. 3), groeikracht.
Groeysel. Vigor,   KIL. [1599].
hem, die geeft wasdom alle dingen,
Dwelk door swinters bedwinghen tgroeysel was quijte,
Tot smenschen profijte.
  A. BIJNS, Ref. 483  (ed. BOGAERS).
Want niet meer dan Roosen oft Violieren …
Haer volle groeysel ontfanghen en konnen,
't En ware door het schijnen vander Sonnen.
  HOUWAERT, Hand. d. Amour. 140.
+2.  Toestand —, staat van groei (zie ald. de bet. 2).
3.  Hetgeen gegroeid is; loot, scheut (van planten).
Groeysel … Etiam Germen,   KIL. [1599].
— dAbbeelen hoe hooghe haer groeysels stryken,   V. D. MEULEN, Ketijv. 110.
4.  Collectief, Al wat groeit; al wat groeien wil.
Wiens godlijcke cracht schijnt in der sonnen stralen,
Die alle groeysel doet uuter eerden gaen
En met bloemkens bekleet bergen ende dalen.
  A. BIJNS, Ref. 422  (ed. BOGAERS).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1894.