Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: GROEIZAAMHEID Volgend artikel: GROEN II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

GROENI

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: groen

— in ouderen vorm GROENE —, bnw.; groener (groender), groenst. Ohd. gruoni, mhd. grüene, nhd. grün, osaks. grôni, ags. gréne, eng. green, onr. grœnn, deensch, zw. grön, nnd. grön; daarnevens, zonder klankwijziging, mnd. grone, mnl. groene, grone, groen, algemeen nnl. (holl.) groen; doch ook weder (dial.) mnl. gruene, gruyn, dial. nnl. (groningsch) gruin, (geldersch) greun, (brabantsch) gruun, friesch grien. Van denzelfden wortel (grô) waarvan groeien en, met klankwisseling, ook gras komt. Groen beteekent dus eigenlijk: de kleur hebbende van wat groeit, van plantendeelen en planten; op meer wetenschappelijke wijze uitgedrukt is het: die kleur of een der schakeeringen van die kleur hebbende, welke in het zonnespectrum tusschen geel en blauw in ligt. Bij KIL. [1588] is Groen: Viridis, herbeus, herbidus, prasinus, smaragdinus.
+1.  Van deelen van planten en bij uitbreiding van planten in haar geheel. De kleur hebbende die eigen is aan deelen van levende planten.
+2.  Van ooft en veldgewassen die nog eene groene kleur hebben die nog niet de — gemeenlijk gele — kleur hebben welke eigen is aan den staat van rijpheid; vandaar: onrijp.
+3.  Van allerlei levende wezens, voorwerpen, collectieven, stoffen enz., of wel van hunne kleur, hetzij als eene kenmerkende, hetzij als eene toevallige eigenschap gedacht. De kleur of eene schakeering van de groene kleur (zie boven) hebbende.
+4.  Bij uitbreiding wordt groen toegepast op hetgeen in verschen staat verkeert daargelaten of de natuurlijke kleur der zaak werkelijk groen is of niet.
+5.  Bij vergelijking met de onder 2 en 4) behandelde beteekenissen, in verschillende toepassingen.
+6.  Van personen, bij vergelijking.
+7.  In een aantal toepassingen waar het woord met zijne eigenlijke beteekenis kwalijk of in het geheel niet meer in verband te brengen is.
Koppel. Groenmaken (zie ald.).
— Voorts Groenschilderen (”Het woonhuis met zijne groen-geschilderde vensterramen, CONSC. 1, 333 a [ed. 1867]; ”Een groengeschilderde bank”, SCHIMMEL 1, 320 b [1855])
groenverwen, bij lakenbereiders: de stof eene groene kleur geven (”Nadat onze overzeesche buren een meesterknecht … hadden verlokt, om hun de kunst van groen verwen te verraden”, HARTOG, Spect. Geschr. 168).
Afl. Groen, znw. m. en onz., groenachtig, groenen, groenheid, groenig, groening, groeninger, groenling, groensel, groente (zie die woorden).
— Voorts Groeninkel, soort van vogel, groenling (”En de groeninckel gheeft haer nestjen … het gras”, DE BUCK, Boëtius, 30).
— Als tweede lid. Ontgroenen, als afl. van Groen, in de bet. 1) zie ONTGROENEN, 2de art.; als afl. van Groen in de bet. 6, c) zie ONTGROENEN, 1ste art., de bet. 2)
vergroenen, verjeugdigen, jeugdig worden; zie hierboven de bet. 5, c) of 6, b, α) (”Seker wie sou niet vergroenen? Al waar t' hart soo dor als mul”, V. D. VEEN, Zinneb. 387).
Samenst. afl. Groenkauwer, groenkleurig, groenoogig, groenwerker (zie die woorden).
— Dichterlijk. Groenlokkig, van de aarde; het loof der planten wordt als haar beschouwd (”Eens koos de Hemel zich de Aarde Tot zijn groenlokkige bruid”, TEN KATE 7, 396 [1850]).
— In Zuid-Nederland Groenekijker: die groen kijkt, uit groene oogen kijkt, t.w. de kat (SCHUERM. [1865-1870]).
Samenst. Groeneroede, groenerwt, groeneik, groenglas, groengrond, groenharing, groenhart, groenhout, groenlak, groenland, groenmoes, groenoog, groenspecht, groensteen, groenvink, groenvleesch, groenvlieg, groenvoeder, groenwier, groenzand (zie die woorden).
— Voorts (in de bet. 1) Groenhof, begraasde en begroeide hof (”Groenhof. Viretum”, KIL. [1642]).
— In de bet. 1, b) Groengewas, collectief voor: allerlei groen kruid (”Wy verbieden den uytvoer van den Hameldonck, Kaes, alle Groen-gewasch, Gevogelt ende Wilt”, Vl. Placcaertb. 5, 841 [1741]).
— In de bet. 3) Groenrok, iemand die een groenen rok aanheeft, b.v. een jager (POTGIETER 2, 238 [1843]).
— In de bet. 6, c) Groenedoctoor, in ZuidNederland: onbevoegd beoefenaar van de geneeskunde (zie b.v. Ons Volksleven, 3, 114).
— In namen van delfstoffen, planten en chemicaliën, die uit het Hd. zijn overgenomen of in navolging van dezulken zijn gevormd, als b.v. Groenaarde (”Het groen, door de schilders gebezigd, is óf een mengsel van geel en blauw … óf eene zelfstandige groene verfstof, zooals berggroen, groenaarde enz. ”, WINKLER PRINS, Encyclop. 7, 547 a)
groenlook (”Knoflook (Eschulotta), Sneelook of Bieslook, Groenlook (Porum Sectile), van elk een lood”, bij BERKHEY, N.H. 8, 452 [1810]).
— Als eerste lid in samenstelling met andere kleurnamen waardoor wordt aangewezen dat de door het tweede lid aangewezen kleur naar het groene zweemt of trekt: Groenblauw, groengeel, groengrauw (zie de woorden). Voorts nog Groenrood, als znw. onz., groenroode kleur (”Een vrucht, die sy Samaca noemen, van de groote van een Citroen, die na t' groen root is treckende, suer van smaecke”, O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 60 c [1598])
groenwit (”Groen-wit. Glaucus”, KIL. [1599]).
— Met een stoffel. bnw., ter aanduiding dat de bedoelde stof groen van kleur is: Groenaarden, van groen aardewerk (”Een onbeschaamd groote groenaarden pot op den voorgrond”, GORTER, Lett. Stud. 2, 199 [1869])
groenzijden (”Of hij het groenzijden wintergewaad ook weer te ontdekken krijgt, … of den hoed van bruin satijn”, BEETS, C.O. 246 [1840]).
— In de bet. 1) met een ander bnw. of een deelw. Groenbekranst, dichterlijk voor: met groen gewas rondom begroeid (”ô groenbekranste Stroom!” DE MARRE, Bat. 236)
groenbemost, met groen mos begroeid (”De Amstel juigcht, en zingt haar lof Aan zyn groenbemoste boorden”, LESCAILJE, Mengelp. 1, 273; ”Groenbemoschte steenen”, BILD. 2, 6 [1795]; ”Rots en heuvel … met groenbemoschten top”, BILD. 2, 206 [1805])
groenbewassen, met groen gewas begroeid (”den hoogen top eens groenbewassen heuvels”, V. LENNEP, Poët. 3, 209 [1831])
groengeloofd, met groen loof bezet; van groen loof gevlochten (”den groen-gheloofden krants”, VONDEL 1, 129 [1606-'07?])
groengetakt, van groene takken voorzien (”Dees groengetakte Pijn, die vorst en winter tergt”, BILD. 6, 305 [1802])
groenvlammend, met groenachtig vlammenden weerschijn (”De … Bojobie (eene slang), wier … gladde hals met groenvlammend goud is gesierd”, HAAFNER, Ceilon LXXVIII [1810]).
— Als tweede lid (in de bet. 1, 2 of 3). Blauwgroen, bleekgroen, dofgroen, donkergroen, geestgroen, goudgroen, grasgroen, grijsgroen, helgroen, heldergroen, lichtgroen, matgroen, zeegroen (zie die woorden).
Appelgroen (zie WINKLER PRINS, Encyclop. 7, 547 a)
blijdegroen, heldergroen (DE BO 130 a [1892])
geelgroen (zie GEEL, 1ste art., Samenst.)
kruidgroen (”Kruyd-groen. Herbeus, viridis instar herbae”, KIL. [1588])
olijfgroen (zie OLIJF, Samenst.)
puitegroen, groen als van een kikvorsch (DE BO 781 a [1892])
smaragdgroen (VOSMAER, Inwijd. 427; SCHIMMEL 1, 455 b [1855]; KELLER, Zuiden, 1, 242).
— Dichterlijk of ongemeen. Doodschgroen, doodsch, somber groen, van het licht in de kamer van ooglijders (”Men moest eerst aan den doodschgroenen dag gewoon worden, wilde men eenig voorwerp kunnen onderscheiden”, CONSC. 3, 22 [ed. 1868])
duistergroen, donkergroen (”als desen plant' (het ”korael”) in diepe kreken wast, Dan isse duystergroen, en van een weecken bast”, CATS 1, 293 b [1625])
frischgroen (”De geele koren-, de sneeuwwitte boekweit-, de frischgroene haverakkers”, SCHIMMEL 1, 337 b [1855])
zwartgroen (”Zwartgroene pijnbosschen in donkere groepen”, VOSMAER, Inwijd. 319; ”De zwartgroene cypres”, ald.).
— Voorts, met een znw. als eerste lid. Kroosgroen, groen door het bedekkende kroos (”Het uitzicht op een vrij groote kroosgroene eendekom”, BEETS, C.O. 80 [1839])
lommergroen, groen door lommer, loof (”In schaduwrijke loof van lommergroene linden”, BERKHEY, Oud-Holl. Vriendsch. 30 [1809])
zilvergroen (”Bergvarens, die hun zilvergroen loof … hoog … opheffen”, TEN BRINK, Rom. 2, 111).
— In den overtreffenden trap, met den 2den nv. mv. van het vnw. Al (zie Deel II, 178) als eerste lid. Allergroenst (”De werelt waar een hemel, wen zoo smaaklijk een' honighbeek zonder menxel van bitternis der allergroenste gal wilde vlieten”, HOOFT, Rampz. 34); in de bet. 5, c) (”De domste tocht van d'allergroenste jeughd”, HUYGENS 1, 364 [1651]).
— Met een bijw. Ingroen, senegroen (zie die woorden). Voorts: Altijdgroen, immergroen, staaggroen (verg. eng. evergreen), nimmerdor (”Het altijdgroene Oosten”; ”immergroene dennetoppen”, BEETS, C.O. 279 [1838]; ”staegh-groen Lauwerieren”, SPIEGHEL, Hertsp. 4, 13).

Aanvulling bij GROENI

Afl. Groenlijk, groenachtig.
Viride …. Verdement. Groenelick,   Dict. Tetragl. 325 c [1562].
Samenst. en samenst. afl. Groenblijvend, (plantk.) van boomen en planten: altijd groen; niet bladverliezend in den herfst.
Vlugtige opmerkingen omtrent eenige nieuw ingevoerde groenblijvende boomen,   Boeren-Goudmijn 4, 2, 86 [1858].
De meeste Lelie's moeten diep worden geplant …. Zijn bang voor brandende zonnestralen op den grond, van daar dat men ze bij voorkeur tusschen groenblijvende heesters, bijv. Rhododendron, poot,   BLEEKER, Bloemisterij 126 f [1927].
Deels zijn ze (de eiken) groenblijvend, deels bladverliezend,   Hout in alle T. 1, 614 [1949].
Groenvervig, met een groene kleur.
Viridis. Groen, dat noch niet dorre oft verwelkt en is. Item, dat groenverwich is gelijc cruyden,   SERVILIUS, Dict. Trigl. KKK 1 r° b [1552].
Men vind … in onze … Kei- en Steenbeddingen, verscheiden groenverwige Steenen, die vol stipjes, van eene roode, bruine of zwarte koleur, zyn,   BERKHEY, N.H. 2, 829 [1770].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1894.