Koppelingen:
Vorig artikel: HARTZALF Volgend artikel: HARTZIEKTE
GTB Woordenboeken: MNW

HARTZEER

Woordsoort: znw.(o.,m.)

Modern lemma: hartzeer

HERTZEER, in gewestel. vorm ook HARTZIER, HERTZIER —, znw. onz. (voorheen ook wel m.); mv. (in de bet. B, 2) -en. Mhd. hërzesêr, onz. en -sêre, vr.; mnd. hertesêr, eng. heartsore; mnl. hert-, hertenseer. Uit Hart, 1ste art., en Zeer, znw., pijn, smart.
A.  In eigenlijke opvatting. Hartgespan, hartpijn (zie die woorden).
Hertseer, hertsieckte, hertswee. Douleur et mal de coeur. Cardiacus morbus,   PLANT. [1573].
Cordolium, cardia, cordis dolor, cardialgia,   KIL.
+B.  In figuurlijke opvatting (hart in de bet. II, III, D): gemoed, ziel). Zielesmart; diepgaand, grievend zieleleed. Bij COORNHERT 1, 229 c [1564] met dezelfde bet. hertzeeringhe.
Afl. (in de bet. B). Hartzeerig, hartzeer veroorzakende, vol hartzeer of iets derg. (”Der menschen zot ghewoel, en hertzerigh verdriet”, SPIEGHEL 56).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1901.