Koppelingen:
Vorig artikel: HEENZWIJMEN Volgend artikel: HEER I
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

HEEP

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: heep

HIEP —, znw. vr.; mv. hepen, hiepen. (Mhd. hepe, nhd. hepe en heppe, hippe; mnd. hepe heipe) en heppe; in den Teuthon.: hepe en hyep; nnd. hœpe (WOESTE); verg. daarnaast ohd. hepa en heppa, happa (vla. happe, verkl. hapken; zie HAPPE) en voorts ohd. habba, nhd. hebe. Dat in het Ndl. (Nd.) heep (hepe) dezelfde labiaal voorkomt als in hd. hepe behoeft — en dat wel op grond van de Hd. bijvormen met b, bb en pp
—  geen beletsel te zijn om ze beide te brengen tot denzelfden germ. wortel haf-, snijden, van welken ook hacht, 1ste art., wordt afgeleid; zie daarover nader FRANCK op Heep en verg. voor een soortgelijk geval ald. Haak.
Een gereedschap van houthakkers en boomsnoeiers, in de nieuwere woordenboeken gewoonlijk aangeduid als een sikkelvormig (snoei)mes, doch in een technisch werk der 19de eeuw, hieronder aangehaald, vermeld als een ”breed mes, van een langen steel voorzien”, anders oord genoemd (zie OORD, 1ste art., I). Buiten Gelderland, naar 't schijnt, niet meer bekend.
Hyep, falcastrum,   Teuthon. 147 b.
Wyngartsmess … eyn hepe …, vanga,   t. a. pl.
Hepe, eyn krom mess, dayr men den wijngart mede snijdt, vanga,   t. a. pl.
Heepe. Ger. Sax. Sicamb. Holl. Falx arboraria, falx putatoria, silvatica,   KIL. [1599].
Heep, het bekende hakmes (houw of hiep),   Vriend v. d. Landman 2, 188.
— Veelal verricht men (de houtkapping) … met eene soort van breed mes, van een langen steel voorzien, de … oord of hyp, waarmede men het hout … met een enkelen … slag schuins afzet,   R. W. BOER, Pract. Handl. v. d. Houtteelt, 60.
Maar toen men 't oog naar boven sloeg,
Staart hen de houtdief aan,
Met hiep en stok en takkebos
In 't aangezigt der maan.
Daar klappertandt hij van de kou (enz.).
  SLOET TOT OLDH., Winteravondrood, 117.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1901.