Koppelingen:
Vorig artikel: HERMEL Volgend artikel: HERMENEUTIEK
Etymologie: EWN
Dialect: WVD, Vlinderkaart
Afbeeldingen: VLIN
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

HERMELIJN

Woordsoort: znw.(m.,o.)

Modern lemma: hermelijn

ARMELIJN —, znw. m. en onz.; hoofdtoon op -ijn. Mnl. (h)ermelijn; nhd. hermelin. Sedert lang neemt men aan dat dit woord eigenlijk een Germ. onz. znw. is (dus met den klemtoon oorspronkelijk op her-), en wel het verkleinw. van gelijkbet. harmel, hermel (mhd. hermelîn, mnd. hermelen, dial.-nhd. härmlein, enz.); het manlijk geslacht en de uitheemsche klemtoon zijn dan later opgekomen en moeten worden toegeschreven aan den invloed van een gelijkbet. Rom. woord, ital. ar-, ermellino (mlat. (h)ermelinus enz.). Dit laatste houden velen voor den eenen of anderen bijvorm van den gewonen Romaanschen naam voor het hermelijntje, spa. armiño, fra. ermine enz., dien men afleidt van de Mlat. benaming (mus) armenius (letterlijk: Armenische muis) en van welken bij ons gelijkbet. armijn (hermijn) gekomen is. Er zijn ook andere mogelijkheden, doch wat eene eigenlijk etymologische betrekking tusschen armijn en hermelijn betreft, daarvan kan alleen sprake zijn, in het geval dat hermelijn — met gelijkbet. hermel niet dan toevallig sommige klanken gemeen hebbende — teruggaat op rom. ermelino, maar dan ook tevens het verband tusschen dezen vorm en fra. ermine enz. buiten kijf is; of anders in geval niet slechts hermelijn van harmel komt, maar ook fra. ermine door middel van een tusschenvorm afstamt van gelijkbet. germ. harmo (zie MURRAY op Ermine en Ermelin). Zie hierbij de art. HERM, HARMEL (HERMEL) en ARMIJN (HERMIJN).
1.  In de volkstaal onz., doch veelal wordt het verkl. gebezigd. Een roofdier (Mustela Erminea) van het geslacht der wezels met eene rosbruine zomervacht welke in de noordelijke streken des winters spierwit wordt; de punt van den staart is altijd zwart. Naar het volksgeloof een uiterst zindelijk dier (zie CHOMEL 4164 b [1777] en bij ARMIJN, 1).
Een van de netste dieren, Reyn over sijn gewaet, reyn over sijn manieren: … den witten Armelijn, Genegen uytter aert om niet besmet te zijn,   CATS 1, 183 a [1620]  (ook CATS 2, 299 a [1655]).
(Bont) van d'Armener armelyn,   SIX V. CHAND. 54 [1657].
Totdat een hermelijn eene jammerlijke slagting onder de … tortelduiven … aanrigtte,   VEEGENS, Hist. Stud. 1, 154 [1867].
+2.  Als stofnaam, onz. De wintervacht van dit dier als bontwerk toebereid.
Het Noordsche Hermelijn behoudt best zijn koleur,   CHOMEL 4164 b [1777].
3.  Benaming van zekeren vlinder, grijsachtig met donkere zigzaglijnen: Bombyx vinula (SCHLEGEL, Dierk. 2, 328 [1858]). Verg. hermelijnkapel (CHOMEL, Verv. 2994 a [1789]).
Afl. Hermelijnen, van hermelijn, 2) (”De muts van zwart fluweel met een hermelijnen boordsel”, Regl. v. openb. best. (1838), n°. II, a. 2).
Samenst. afl. (in de bet. 1). Hermelijnkleurig, van sommige paarden (isabellen). Zie HEKMEIJER, Veearts. Handb. 165 [1871].
Samenst. — In de bet. 1). Hermelijn(en)vacht (BILD. 5, 127 [1817])
hermelijn(en)vel.
— In de bet. 2). Hermelijnkruis, in de wapenkunde (fra. croix herminée): vier met de toppen naar elkander toe geplaatste hermelijnstaartjes (RIETSTAP, a. w. 121)
hermelijnstaartje, in de wapenkunde (zie onder 2)
hermelijnvoet, witbeen (bij paarden), waarop donkere vlekken zijn (HEKMEIJER, Veearts. Handb. 170 [1871]).
— Als tweede lid (in de bet. 2). Goudhermelijn (zie ald.)
kleinhermelijn, in de wapenk. (fra. herminite): met roode haartjes op zijde van de staartjes (RIETSTAP, a. w. 93)
tegenhermelijn, zilveren hermelijnstaartjes op een zwart veld (a. w. 92).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1903.