Koppelingen:
Vorig artikel: HOOIBARG Volgend artikel: HOOIBOTER
Gewestelijke variatie: TNZN
Etymologie: EWN

HOOIBERG

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: hooiberg

HOOIBARG —, znw. m. (verg. nhd. heuberge, vr.). Uit Hooi in de bet. 2) en Berg, 3de art. (Barg, 2de art.).
Door eene — al of niet langs vier of meer staanders, de roeden, beweegbare — kap gedekte, maar verder opene, bergplaats voor het hooi.
Ick sel de Koe hier ande Hoybergh vast maken,   BREDERO 1, 221 [1612].
Waer ga ick (eene zwerfster) in een schure, of hoibergh … Best rusten?   VONDEL 5, 621 [1647].
Onze hooibargen … zijn vier, vijf of zeskant, en worden vier, vijf of zesroeden hooibarg genoemt,   BERKHEY, N.H. 9, 219 [1811].
— 
De wereld is een hooiberg: elk plukt ervan, wat hij kan krijgen,   HARREB. 1, 48 b [1858].
Die aan den hooiberg staat, plukt,   Ald.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1906.