Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: HOURI Volgend artikel: HOUTACHTIG
Gewestelijke variatie: TNZN
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

HOUT

Woordsoort: znw.(o.,m.)

Modern lemma: hout

— in gewest. vorm HOLT —, znw. onz.; in eene opvatting soms ook m. (zie bij 6); mv. houten, in de oudere taal ook houteren en houters. Mnl. hout, holt, mnd. holt, ofri., osa., ags., on. holt, ohd., mhd., hd. holz. Buiten het Germ. beschouwt men als verwant oslav. klada, balk, tronk, hout, gr. κλδος, twijg.
+1.  In botanischen zin. Het voornaamste bestanddeel van stam, wortels en takken van boomen, heesters en heesterachtige planten, in onderscheiding van merg, spint en schors.
De wortel is geel van hout,   DODON. 1549 b [ed. 1608].
De buitenste ringen (van den stam) bestaan … uit jong, onrijp hout,   BERGHUIS, Betimm. 1.
'k Leve nog altijd tusschen 't hout en de schurse (zegsw. in Z.-Ndl.).   poëem WNT
+2.  Zonder deze strenge onderscheiding. Als stofnaam voor stammen, wortels en takken en al wat daarvan afkomstig is.
+3.  Als voorwerpsnaam. Een stuk hout; een houten voorwerp; iets dat van hout gemaakt is.
Doense (de monniken) in holen op steenen en houters sliepen,   A. BIJNS 464.
Dat … geen houten in de vademen gestapelt sullen mogen worden, dan die enz.,   Handv. v. Amst. 921 a [1594].
Hy sal u aen een hout hangen, ende het gevogelte sal u vleesch van boven u eten,   Statenb., Gen. 40, 19 [ed. 1688]
(Leidsche vert. aan een paal). Een maniere van schavotten, drie stagien hoogh, van groote masten ende houters gemaect,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 42 c [1598].
Barkhouten zijn de grootste houten, die tot vastigheit en stevigheit van 't schip van voren tot agteren gevoegt worden,   Naem-lyst achter MEERMAN, Com. Vet. 3.
Sommige belaeden met houteren, andere met swaere ketenen (in eene processie),   POIRTERS, Lev. v. Ros. 175.
Twee houtjes, die gelyk een katrol draeiden, waer over de riem of toom liep,   DE BRUYN, Reizen 2, 9 a [1714].
So werd door Houtjes, uit een Muts of Sak gegrepen … Van d' Harponiers Geloot,   Selds. Walvisv. 25.
Wild mag hy zyn, maar geen loverknippertje, dat aan Mama's schoot staat te teuten met een houtje of een papiertje,   WOLFF en DEKEN, Leev. 7, 116 [1785].
Deze stevige houten dienen tot waarborg, dat de kap bij harden wind niet kan worden opgelicht,   BOEKENOOGEN 290.
+4.  Een boom, een levende stam of tak.
Teer spruytje, jeugdig hout, ik bidde weest te vreden Van desen ouden tronck te worden afgesneden,   CATS 1, 91 a [1618].
't Hout (de abeelboom) siet, soo het schijnt, waer toe sijn gulle struyken, De meester die het plant, na desen wil gebruyken,   CATS 2, 362 a [1655].
Daer stonden de schoonste bosschagies van de werelt, ende in deselve soo lange dick reghte houten als men souden mogen wenschen,   V. RIEBEECK, Dagverh. 1, 229 [1653].
+5.  Als verzamelnaam voor groeiende boomen en heesters: houtgewas.
So datter gheen hout en groyet in tlandt, het en es vercocht vijf ofte zes iaeren eert valt,   Vl. Placcaertb. 1, 667 [1515].
Eenige boomen, ofte andere wassende hout,   Keuren v. Leyd. 42.
Want eer de jager komt ontrent het groene wout, Soo is het vlugtig dier verloren in het hout,   CATS 1, 575 a [1632].
De knootwilligen, en ander houwbaar hout,   Utr. Placaatb. 1, 762 b [1725].
Het terrein (was) toen … bevalliger: er waren minder gebouwen en er stond meer hout,   V. LENNEP, K. Zev. 4, 116 [1865].
Het klinkt en zingt in 't bottend hout,   ESSER, Mosaiek, 66.
+6.  De dicht opeenstaande boomen waarmede een stuk grond van zekere uitgestrektheid begroeid is met dezen grond als eenheid beschouwd: woud, bosch. Blijkens de noot bij de tweede aanhaling reeds lang een ongewoon woord.
Dat … niemand … hem en vervordere … eenige beesten … te dryven … in de bosschen, houten, ofte wildernissen,   Utr. Placaatb. 1, 711 b [1591].
D'uitheemsche slaghorde had het velt en 't voorste van den houte in (noot: Het Bosch),   HOOFT, Tac. 43 [c. 1635].
Het Hout en Bosch van den Hage,   Gr. Placaetb. 3, 530 a [1674].
Een Woud, Bosch of Hout, waarin Hartebeesten … weiden,   BERKHEY, N.H. 4, 2, 39 [1805].
Gronden …, die … woest bleven liggen of tot hout zijn aangelegd,   Med. en Ber. der Geld. Maatsch. v. Landb. 1869, bl. 97.
Afl. Onhout, houtachtig, houten, houterig, houtig (zie die woorden).
Kopp., Samenst. afl. en Samenst. A) Als tweede lid. — 1°. In benamingen van het hout van verschillende deelen van gewassen, alsmede van deelen van boomen en heesters zelve, als Armhout, kernhout, ophout, opperhout, rijshout, stamhout, vruchthout, wortelhout; ook van het hout dat zich in een jaargetijde vormt Herfsthout, voorjaarshout. Hierbij ook Spekhout (d. i. spint).
2°. In namen van plantkundig te onderscheiden houtsoorten. — α) Verbonden met meest alle namen van boomen, als Abeelenhout, acaciahout, ahornhout, appel(boomenhout), berberissenhout, berkenhout, beukenhout enz., ook met boomnamen die in onze taal niet of niet meer als zoodanig bekend zijn, als Djatihout, ebbenhout, fustethout, grenenhout, kienhout, sandelhout, teakhout, vuchtenhout, vurenhout, weichselhout, hierbij ook het schertsende waaiboomenhout. Met een sterk verbasterden boomnaam in Azijnhout, met groepen van boomsoorten in Loofhout en naaldhout.
β) Verbonden met een woord dat de plaats van herkomst, eene kenmerkende eigenschap of eene eigenaardige bestemming aanduidt of noemt, als in: Bijlhout, blauwhout, braziliehout, campèchehout, citroenhout, fernambuchout, geelhout, groenhout, ijzerhout, klakbushout, koningshout, letterhout, luciahout, pokhout, potloodenhout, provinciehout, roodhout, roodverfhout, rozenhout, stokvischhout, suikerkistenhout, zoethout.
3°. In namen van houtsoorten, niet de kracht van eigennamen hebbende, waarin het eerste lid de bestemming of de vorm waarin zij verhandeld worden aangeeft, als Armhout, balkhout, berninghout, blekhout, bodemhout, bondelhout, bouwhout, brandhout, constructiehout, dikhout, draaiershout, duighout, duizendhout, falicanthout, fasseelhout, groothout, halfhout, heelhout, hoephout, hoepelhout, honderdhout, kachelhout, kanthout, klaphout, klompenhout, kraaghout, kromhout, kuiphout, kuipershout, lepelhout, pijphout, raamhout, regelhout, ribhout, rondhout, ruighout, schofhout, schrijnwerkershout, spaanhout, spieshout, stanghout, steigerhout, stekhout, stukhout, talhout, timmerhout, tonhout, vaathout, vademhout, vathout, verfhout, wagenmakershout, werkhout, wishout, zaaghout. In andere geeft het eerste lid een kenmerkende eigenschap aan, als in Bloemhout, hardhout, harshout, vlamhout, wanhout; de herkomst in Drijfhout en wrakhout. Op zichzelf staat Jeruzalems-hout (L'EPIE, Onderz. 213).
4°. In benamingen van houten voorwerpen, waarin het eerste lid doorgaans de bestemming, de gedaante of de ligging aangeeft, als Achterhout, bindhout, boezemhout, draaghout, dwarshout, fonsuurhout, gaathout, haanhout, hakkebordhout, halshout, helmhout, karvielhout, kavelhout, keephout, keerhout, keperhout, kleenhout, kloosterhout, kloshout, koetshout, kroonhout, kruinhout, kruishout, langshout, lateihout, leggerhout, liggerhout, lijnhout, mantelhout, metaalhout, modelhout, neutelhout, onderleghout, overhout, planthout, raamhout, ringhout, ritshout, rolhout, rondhout, roodhoutje, roosterhout, scheerhout, schoorhout, schuifhout, slaghout, slikhout, snijhout, spanhout, sparhout, speekhout, stelhout, stoothout, voeghout, volhout, vorsthout, waaghout, wemelhout, werphout, zwengelhout.
5°. In benamingen van verschillende soorten houtgewas, waarin het eerste lid doorgaans eene plaatsbepaling, de groeiwijze of een kenmerkende eigenschap aangeeft, als Akkermaalshout, bandhout, hakhout, heesterhout, heggehout, hooghout, keelhout, kreupelhout, onderhout, schaarhout, slaghout, waardhout, walhout, winterhout.
6°. Met de bet. bosch in geografische namen, als Aerdenhout, Calmpthout, Lieshout, Lieshout, Noordwijkerhout, Oosterhout, Turnhout, Voorhout (plaatsnamen), 't Hage(n)hout (eertijds: het Haagsche Bosch), het Bezuidenhout, het Voorhout (straten in den Haag).
Aanm. Naast vele der genoemde znw. staan samenst. afleidingen van een bnw. en hout met -en, die als het er bij behoorende stoffel. bnw. beschouwd kunnen worden: b.v. ebbenhouten, pokhouten enz. Hierbij sluiten zich aan woorden als bruinhouten, withouten, zwarthouten enz. — Eene afzonderlijke plaats onder de samenst. afleidingen bekleedt het ww. evenhouten met de afl. verevenhouten (zie die woorden en verg. even houten gooien hierboven in kol. 1176).
B) Als eerste lid in Houtgewas, houtskool, houtvester, houtwerk (zie die woorden) en verder in de woorden hier opgesomd en gevolgd door een cijfer dat verwijst naar de verschillende beteekenissen van Hout.
Houtaakster (5 of 6), zie Houtekster.
Houtaankap (5), het exploiteeren van bosschen. Inzonderheid in de samenstellingen Houtaankapmaatschappij en houtaankaponderneming. (De verklaring op Aankap en Aankappen (Dl. I, 188) gegeven is onjuist: aan heeft hier niet de bet. aanvulling, maar die van aanvang).
De Chineesche houtaankapondernemingen in den Riouw-archipel,   Nieuwe Rott. Cour. van 15 Nov. 1906, 1ste Blad C.
Houtappel (1), wilde appel.
Houtappelen, ghestaen oft gheronnen melck, ende slechte spijse ghebruycten sy (t.w. de Germanen) tot haer spijse ende dranck,   FRANCK, Wereltb. 26 b [1595].
De wilde appelboom, die kleine, harde, wrange, bijna oneetbare appels, zoogenoemde houtappels oplevert,   in Nav. 25, 560.
Hierbij de samenstelling Houtappelboom, wilde appelboom, Pirus Malus silvestris.
Houtasch (2).
Maeckt een Pap van houtAssche met een lijnen doecxken,   Koockb. 30 [1599].
Den uytvoer van de Haut-asschen buiten de Provintie van Vlaenderen,   Vl. Placcaertb. 4, 2053 [1735].
Houtazijn (2), benaming voor azijn verkregen uit het teer, dat bij droge distillatie van hout ontstaat (zie KRECKE, Chem. Technol. 496 [1881]).
Houtbaas (5), iemand die eikenhakhout laat verwerken (schillen).
Van winstmaken zal dit jaar voor de meeste houtbazen dan ook wel geen sprake zijn,   Uit een courantenbericht.
Houtbak, bak voor brandhout, in N.-Ndl. evenals het voorwerp weinig bekend.
Houtbeitel (2), beitel voor houtbewerking, verg. KUYPER, Technol. 1, 726.
Houtbereiding (2), het verhoogen van het weerstandsvermogen van hout door eene scheikundige behandeling, verg. GROTHE, Mechan. Technol. 190 [1879].
Houtbewerker (2), algemeene naam voor werklieden, die hout bewerken.
Sint-Jozef, de patroon der houtbewerkers,   DE MONT en DE COCK, Vl. Vert. 361 [1898].
Hierbij de samenst. Houtbewerkersgilde (gilde in den jongeren zin van: vereeniging).
Houtbij (2).
De houtbijen, Xylocopa. … worden zoo genoemd, omdat zij haar nest in het doode hout van boomen maken,   SCHLEGEL, Dierk. 2, 282 [1858].
Houtbijter (2), in Z.-Ndl. benaming voor zekere houtkevers, Lamia textor en Hylobius abietis (CORN.-VERVL.).
Houtblauw (2).
Blauwhout … geeft een zeer onecht blauw, hetwelk houtblauw (bleu au campèche; Holzblau …) genoemd wordt,   KRECKE, Chem. Technol. 555 [1881].
Houtblok, houtsblok (2), blokvormig stuk hout.
Den helderen gloed van een geweldig groot vuur van opeengestapelde turf en houtsblokken,   MULDER, J.F. 1, 164 [1857].
De knecht zette zich op den houtsblok,   TEIRL.-STIJNS, Arm Vl. 1, 166.
Houtboer (2), handelaar in talhouten en brandhoutjes (BOEKENOOGEN); ”faggot-man”, SEWEL.
Houtbok (I) (2), zaagbok (V. KEIRSBILCK, Timm. 513 [1898]).
Houtbok (II) (2), benaming van sommige soorten van boktorren, inzonderheid Hylotrupes bajulus F. (SNELLEN V. VOLLENH., Gelede Dieren, 230).
Houtboorder (2). — 1°. Benaming voor de boorschelpdieren van het geslacht Teredo, paalworm (SCHLEGEL, Dierk. 2, 442 [1858]).
2°. Hetzelfde als Houtbij.
Houtbos (3).
Hiertoe (t.w. voor eene behoorlijke spoorverwisseling) worden op elke 100 M. lengte vier schansen of houtbossen geleverd,   Alg. Voorschr. 1901, 292.
Houtbout (2), schroefbout die van een houtdraad voorzien is, die bestemd is om in hout geschroefd te worden (verg. VUYLSTEKE, Smid, 31).
Houtbranden (2), het aanbrengen van ingebrande versieringen op hout.
Houtbreker (I) (2), naam voor de ambachtslieden die zich bezighielden met het vellen van boomen, de ruwe bewerking van het hout, alsmede den kleinhandel daarin. Plaatselijk nog in gebruik met de bet. houtbewerker (CLAES, Bijv. Hagel. Idiot.). In N.-Ndl. onbekend.
Dat de timmerlieden ende hautbrekers diergelijcke coetsekens ende taeffelkens niet en sullen vermogen … te vente te exponeren,   bij DE POTTER, Gesch. v. Gent 5, 549.
Houtbreker (II) (5), iemand die onrechtmatig hout van boomen of heesters breekt.
Den boschwachter …, wien wij … de houtbrekers nog eens aanbevelen,   BEETS, C.O. 217 [1840].
Houtbriel (2), houtmarkt, alleen nog in namen van pleinen of straten in Zuidndl. steden.
Den Hautbriel (te Gent) heeft noch onghecorrumpeert den name, naer Thout, dat men daer plach te lossen ende te vercoopen,   V. VAERNEWIJCK, Hist. v. Belgis 118 b [1566].
Houtbrij (2), zie Dl. III, 1358.
Houtbundel (1), in de plantenkunde, een van de beide soorten van strengen, waaruit elke vaatbundel bestaat: xyleem (vgl. OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 1, 69).
Houtbutoortje (5), eene der benamingen voor den kleinen roerdomp: Ardea minuta (SCHLEGEL, Vogels, 146).
Houtcassia, houtcassie (2), (cassia lignea), benaming voor den bast van Laurus malabratum (CHOMEL 354 a [1768]).
Hierbij de samenst. Houtcassiaboom, L. malabratum, L. cassia (HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 2, 327 [1774]).
Houtcel (1), in de plantenkunde, benaming voor de cellen die met houtvaten het xyleem vormen (vgl. OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 1, 71).
Houtcellulose (2), cellulose uit hout bereid.
Houtcement (2), een mengsel van teer met cement en zwavel, als dakbedekking gebruikt; ook de met dit mengsel bestreken planken.
Een dak van houtcement.   poëem WNT
Houtdief (2 of 5), iemand die hout steelt.
Onbeschaamde houtdieven!   CONSC. 3, 333 a [ed. 1868].
Houtdraad (2), de (scherpe) schroefdraad van houtschroeven, afwijkend van die van metaalschroeven, verg. V. HOUCKE, Loodg. 822 [1902].
Houtdraaier (2), iemand die hout op de draaibank bewerkt.
Zekere proces … hanghende tusschen der neeringhe vanden scrynwerckers ter eendere ende den houtdraeyers ter andere,   Cost. v. Brugge 2, 247 [1522].
Houtdrank (2), afkooksel van eenig hout voor geneeskundig gebruik.
Ghelijck als hier te voren, vanden Houtdranck gheseyt is gheweest,   BATTUS, Handb. d. Chirurg. 218 [1595].
Houtduif (5 of 6), zeer gebruikelijke benaming voor de woudduif, Columba palumbus L.
Houtekster, houtaakster (5 of 6), benaming voor de Vlaamsche gaai, Garrulus glandarius.
Houtfluit (I) (2), een fluitregister in het orgel; hd. holzflöte (VIOTTA, Lexicon d. Toonk. 1, 124).
Houtfluit (II) (2), een fluitschip (zie aldaar) dat bestemd is voor houtvervoer.
Houtgeest (2), uit hout bereide alcohol; methylalcohol.
Gedistilleerd … door vermenging met houtgeest ongeschikt gemaakt om als drank te worden gebruikt,   Kon. Besl. v. 14 Sept. 1872, Stbl. 89.
Houtgerecht, houtgericht (6), een met de instelling plaatselijk uit de middeleeuwen voortlevend woord. Vergadering die uitspraak doet in zaken het gebruik van het markebosch betreffend.
Houtgraaf, holtgraaf, holtgreve (6), een met de instelling plaatselijk uit de middeleeuwen voortlevend woord. Hetzelfde als Houtrechter.
Houtgraniet (2), zekere stof uit geperst hout vervaardigd.
Houtgraveeren (2), het graveeren in hout.
Hierbij de samenst. Houtgraveerkunst.
Houtgravure (2), hetzelfde als Houtsnede.
Houtgrond (6), boschgrond.
Houthaalder (2), een schip dat uitvaart om hout te halen.
Houthaalders van Noorwegen, Oostzee enz.,   Handv. v. Amst., 3de Reg. [1748].
Houthak (5), het hakken van hout, het recht om hout te hakken.
De jaarlijksche huur van de perceelen, buiten de opbrengst van jacht en houthak bedraagt enz.,   Uit eene advertentie.
Houthakker (2 of 5).
In het bosch dreunen de zware slagen van des houthakkers bijl,   LAURILLARD, Sch. R. 6.
Houthakkerij (2 of 5), de plaats waar hout gehakt wordt.
Gecomen zijnde omtrent de houthackerije van de Chineesen,   Daghreg. Bat. 2, 90 [1632].
Houthandel (2), het handelen in hout, het bedrijf van iemand die in hout handelt.
Vijfhonderd Hollandsche schepen drijven den houthandel van geheel Europa,   FRUIN, Tien J. 226 [1859].
Omdat mijn houthandel zulke overvloedige winsten niet oplevert als enz.,   SEGERS, Lief en L. 55 [1903].
Houthandelaar (2), in N.-Ndl. weinig gebruikelijk: houtkooper.
Houtharmonica (2), zeker slaginstrument.
Houthouwer (5), houthakker.
Dat ghien gesworen maelluiden en binnen, sullen gien holt … laten houwen, dan bij den gesworen holthouwer,   bij PLEYTE e. a., Uddel, VI.
Laetse leven, ende laetse houthouwers ende waterputters zijn,   Statenb., Jos. 9, 21 [ed. 1688].
Het gewapende volck … tot bescherminge van de waterhaelders ende houthouwers,   Begin e. Voortg. 13, 2 a [ed. 1646].
Houtkaai (2): ”Plaats waar de houtkooplieden hun hout opstapelen”, CORN.-VERVL.
Houtkamp (5) met hout begroeid perceel.
In 't brandhout is evenwel groote aftrek, menige houtkamp is reeds ledig,   Uit een courantenbericht.
Houtkant (5), een strook kreupelhout die een veld begrenst.
(Hij) predicte … op een bulcxkin rontom met hautcanten ende slachbosch beset,   V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1. 2 [1566].
Houtkap (5). — 1°. Het kappen van hout, het recht om hout te kappen.
Het in stand houden of uitbreiden dier bosschen en de houtkap in dezelven,   Regeeringsregl. N.-I., a. 61.
2°. Een tijdperk van vijf jaar (tijd waarna het schaarhout gekapt wordt), Z.-Ndl.
Houtkapper (5). — 1°. Iemand die hout kapt.
Het Geslachte der Water- en Palankijn-dragers, Hout-kappers, en diergelijcke, worden gemeenlijck Chivias genoemt,   SCHOUTEN, Voyagie 1, 314 [1676].
Onlangs zat een van mijne houtkappers op een hoogen eik, toen zijne bijl hem ontviel,   DE MONT en DE COCK, Vl. Vert. 36 [1898].
2°. In Z.-Afrika benaming voor de specht, vermoedelijk naar eng. woodpecker (MANSVELT 64).
Houtkever (2), benaming van een kever wiens larve gangen boort in hout: kloptor, Annobium pertinax (STARING, Huisb. 373 [1862]).
Houtklaspus (1), Thlaspi sempervirens, JOOS [1900-1904].
Houtkliever (2 of 5), houthakker.
Den grooten nomber der Handt-werckers, Draegers, Draegerssen, Hout-klievers ende andere vremde Werck-lieden,   Vl. Placcaertb. 5, 1058 [1740].
Houtkonvooi (2), konvooi aan houtschepen verleend.
De resolutie nopens 't provisioneel opschorten van de houtconvooyen,   V. HARDENBROEK, Gedenkschr. 2, 204 [1780].
Houtkooper (2), hetzelfde als houthandelaar, maar meer gebruikelijk.
By den schok, zo als de Houtkoopers de planken verkoopen,   WOLFF en DEKEN, Leev. 2, 69 [1784].
De houtkooper (had) een molenrad boven de beek gesteld, om zijne planken … te laten zagen,   VISSERING, Herinn. 1, 102.
Houtkooperij (2), het handelen in hout; het bedrijf van iemand die in hout handelt; de plaats waar dit bedrijf wordt uitgeoefend.
Buiten deze (t.w. zekere poort van Astrakan) is de Houtkoopery,   DE BRUYN, Reizen 2, 85 b [1714].
Houtkooperyen zyn ook eene van de oudste en voornaamste neeringen hier ter stede,   WAGEN., Amst. 2, 486 b.
Eerlang was hier (aan de Zaan) de hoofdzetel der houtkooperij van geheel Europa,   FRUIN, Tien J. 204 [1859].
Houtkraam (2), een kraam waar houten huishoudelijke artikelen verkocht worden.
Over de markt wandelende, viel der vrouw … eene houtkraam in 't oog,   FOKKE, B.R. 4, 163 [1806].
Houtkram (2) hetzelfde als mastkram of drijfkram.
Houtlaag (1), in de plantenkunde, laag van houtcellen (vgl. OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 1, 97).
Houtlader (2), een schip dat hout vervoert.
Houtlast (2), de hoeveelheid hout door een schip geladen.
Om te vernemen hoe na t' schip Mauritius sijne houtlast becomen heeft,   Daghreg. Bat. 2, 11 [1631].
De Rechten dewelcke doenmaels van de inkomende Hout-lasten wierden geheven,   Gr. Placaetb. 4, 1342 a [1688].
Houtleeuwerik (5 of 6), in Z.-Ndl. naam voor den boomleeuwerik, Alauda arborea.
Houtloods (2), eene loods waarin hout wordt opgeslagen.
Houtluis (2), benaming der insecten tot de familie der Psociden behoorende (verg. SNELLEN V. VOLLENH., Gel. Dieren 306). Ook als scheldnaam voor een houtkooper (BOEKENOOGEN). — In Ned. West-Indië heet men houtluizen wat men in OostIndië ”witte mieren” noemt: termieten (zie Gids 1905, III, 220).
Houtmaai (2), made die in het hout zit. Ook een spotnaam dien men geeft aan de handelaars in hout (CORN.-VERVL.).
Houtmaat (2). — 1°. Stelsel van maten, oorspronkelijk voor het hout gebruikt, verg. Houtvoet.
2°. Vaste afmeting, waarin hout in den handel komt.
Houtmager (3), zeer mager, CORN.-VERVL., blz. 1773.
Houtmaker, houtemaker (3), borstelblokmaker, Z.-Ndl.
Hout-maeckers, Bessem-maeckers,   Vla. Settingb. 9.
Houtmand (2), mand waar kachelhout in bewaard wordt, JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL., blz. 1773.
Houtmarkt (2), markt voor (brand)hout; ao als naam van een plein of straat in verscheider steden.
Houtmeel (2), de fijne houtdeeltjes, die door insecten worden losgemaakt.
Houtmeter (2), persoon belast met het afmeten van brandhout.
Deser Stads gesworen Houtmeters ende Hout-telders,   Handv. v. Amst. 188 b [1686].
Houtmijt, mnl. houtmite. — 1°. Opgestapelde vooraard brandhout.
Niemand en mag houtmyten op zyne erve zetten, naerder d'erve van zyne geburen dan op vier voeten naer,   Cost. v. Brussel 1, 364 [1657].
Eene houtmijt …, die tegen den gevel van het huis stond,   DE MONT en DE COCK, Vl. Vert. 201 [1898].
2°. Brandstapel.
Als de martelaar op den houtmijt klimt,   KUYPER, Program, 151.
Houtmolen (2), molen om verfhout fijn te malen (verg. Nav. 30, 448).
Houtnering (2), kleinhandel in hout.
Dat buyten de Fortificatie der selver Stede, geene HoutNeringe gedaan sal mogen werden,   Handv. v. Amst. 1273 a [1675].
Houtnoot (2), zeker groot soort van okkernoot.
Prijsnoteering … noten 30 ct. per 100; houtnoten f 1.80 a 2.20 per 125 stuks,   Uit een courantenbericht.
Houtoven (2), steenoven die met hout gestookt wordt.
Houtpapier (2), papier uit hout vervaardigd.
Houtparenchym (1), in de plantenkunde, het parenchym dat een der bestanddeelen van hout vormt (verg. OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 1, 80 vlg. en 100).
Houtphlox (1), zekere plant; ook: ”hoe hooger hoe schoonder”, Phlox paniculata L. (JOOS [1900-1904]).
Houtpijp (1), benaming voor Equisetum palustre L. (OUDEMANS, Flora² 3, 590).
Houtpioen (1), Paeonia Moutan Sims, P. arborea Donn. (JOOS [1900-1904]).
Houtpitoor (5 of 6), zie Houtbutoor.
Houtplaats (2), plaats waar hout wordt opgeslagen.
Den eygenaars (van eenig hout word) … wel ernstelyk belast, 't selve op haar jucken, of elders op haar erven, of op de houtplaatse te brengen,   Utr. Placaatb. 3, 657 b [1631].
Houtpoort, houtspoort (6), benaming van enkele stadspoorten, o.a. in Haarlem.
Houtprent, houtprint (2), houtgravure, houtsnede.
Hy (t.w. Lucas v. Leyden) heeft … ver scheyden Hout-printen ghesneden,   V. MANDER, Schilderb. 136 c.
Houtprijs (2), prijs die voor het hout betaald wordt.
Houtprijzen …: eiken-groot-hout: … f 14, beuken- f 17 de 1000 st. (   Meded. der Geld. Maatsch. v. Landb. 1869, bl. 151.
Houtraper (2). — 1°. Sprokkelaar, Z.-Ndl.; 2°. zekere soort van spin met zeer lange pooten en rond lijf (JOOS [1900-1904] op Herder), in N.-Ndl. hooiwagen.
Bij 1°. de afl. houtraapster, sprokkelaarster.
De oude Griet, een booze houtraapster,   DE MONT en DE COCK, Vl. Vert. 311 [1898]
 (zie ook CONSC. 3, 333 b [ed. 1868]) .
Houtrasp (2). — 1°. Rasp om verfhout fijn te maken; 2°. rasp om houtwerk glad te maken.
Houtrechter, houtrichter, holtrichter (6), een met de instelling plaatselijk uit de middeleeuwen voortlevend woord. Persoon belast met het beheer van het bosch eener marke.
De directie van 't Speulderbosch, die thans nog bestaat uit de van ouds bekende houtrichters en maalmannen,   Meded. der Geld. Maatsch. v. Landb., 1869, 68.
Houtrijk (5), rijk aan hout.
Eenige andere houtrijcke eijlanden,   Daghreg. Bat. 2, 323 [1634].
Houtrijve (2), houtrasp.
Houtrups (2), rups van den wilgenhoutvlinder, Cossus ligniperda L. (verg. SCHLEGEL, Dierk. 2, 327 [1858], SNELLEN V. VOLLENH., Gel. Dieren 430).
Houtschat (5), belasting of tienden van het gekapte hout te betalen.
Boete …, te verbeuren ten behoeve van den Pachter van den Houtschat,   Gr. Placaetb. 4, 1200 b [1696].
De Pagters van de Houtschatten,   Gr. Placaetb. 9, 1208 a [1769].
Houtschave (2), stapel van gekapte takken en snoeisel (Z.-Ndl.).
Houtschender (2), onhandig houtbewerker: ”Gastebois. Imperitus faber lignarius”, PLANT. [1573].
Houtschijf (2), kleine houtstapel, JOOS [1900-1904].
Houtschip (2), schip dat hout vervoert.
De baan …, die vaak zijn Houtschip hield,   STARING 1, 108 [1820].
Houtschroef (2), schroef bestemd om in hout gedraaid te worden en daarom van een scherpen draad voorzien.
Houtschuit (2).
Toen … kwam daar 't houtschuitje; daar gingen de knechts mee na huis,   BEETS, C.O. 162 [1840].
Houtschuur (2).
Ik heb … Voorleden snoeityt al myn houtschuur volgehaalt,   SCHERMER 205 [c. 1710].
Houtslag (2), knoop in den wissen band waarin het hout tot takkebossen gebonden wordt (Z.-Ndl.)
Houtsleutel (2), zekere vorm van sleutel in de wapenkunde (verg. RIETSTAP, Handb. 244).
Houtslijp (2), door een slijpsteen fingewreven hout, grondstof bij de vervaardiging van papier.
Zeeschepen, die het zware houtslijp uit Noorwegen aanvoeren,   in De Nieuwe Courant van 26 Juni 1906, Ochtenblad.
Houtsnede (2). — 1°. Een met het oog op vermenigvuldiging door den druk in hout gesneden teekening.
In het begin der XVIde Eeuw, begon men de houtsneeden ook tot het vervaardigen van speelkaarten te gebruiken,   Handw. 13, 73 [1796].
2°. Een afdruk van een aldus verkregen plaat.
Welke houtsneden (t.w. van Abr. Bloemaart e. a.) den zweem van met roet gewasschen, of op bruin papier getekende, en met wit gehoogde tekeningen hebben,   Handw. 17, 73 [1802].
In zijnen tijd (van Rubens) werd Antwerpen de aanzienlijkste markt van koper- en houtsneden,   ROOSES, Antw. Sch. 298.
Hierbij de samenstellingen Houtsneekunde (BERKHEY, N.H. 3, 548 [1773]). Houtsneekunst (Handw. 13, 75 [1796]), houtsneeplaat (Nav. 1, 54), houtsneeprent, houtsneeprint.
Kinderen hebben liever eene grove houtsnede print, dan de fijnste gravure van Picart,   LOOSJES, Bronkh. 2, 311 [1806].
Houtsnijder, iemand die figuren in, of beelden en versieringen van hout snijdt.
De Belgen onzer dagen staan als houtsnijders in Europa bovenaan,   BUSKEN HUET, Rub. 127 [1879].
Houtsnijding (2), het snijden in hout. Zie Exod. 31, 5; 35, 33.
Houtsnijkunst (2), de kunst van den houtsnijder.
Houtsnijwerk (2), het voortbrengsel der houtsnijkunst.
Houtsnip (5 of 6). — 1°. Vogel uit de orde der steltloopers, Scolopax rusticula (SCHLEGEL, Vogels 166), die een gezocht wildbraad oplevert.
Al kluivende aan een houtsnip,   Kl. v. d. Schoester 2.
2°. Bij overdracht: snede wittebrood met zoetemelksche kaas en roggebrood. Leidsche houtsnip, hetzelfde met Leidsche kaas in plaats van zoetemelksche.
Houtsoort (I) (2).
Men had aan de geleerdste Botanici en Geologen van het land, wegens hunne groote bekenheid met hout- en steensoorten, opgedragen u een huis te bouwen,   BEETS, Versch. 1, 18.
Houtsoort (II) (5).
Hooge hagen van allerlei houtsoorten,   SEGERS, in Tijdsp. 1899, 1, 80.
Houtspaan en houtspaander (2), afval van met bijl of dissel bewerkt hout.
Licht brandbare stoffen, als houtspaanders, zaagsel, enz.,   VERDAM, Gids v. Mach. 280.
Houtspan (2), het geheel der dragende houtdeelen van een bouwwerk.
Eene afbeelding van den opstand der achterschuurgevel … in deszelfs balk- en houtspan,   BERKHEY, N.H. 9, 43 [1811].
Houtspecht (5 of 6), in Limburg benaming voor den groenen specht, Gecinus viridis L. (ALBARDA, Ned. Vogels 25 [1897] en ALBARDA, Ned. Vogels 44 [1897]). — Houtspechtje, benaming voor den boomkruiper, Certhia familiaris L. (STARING, Huisb. 305 [1862]), in Z.-Holl. grijs houtspechtje (ALBARDA, Ned. Vogels 25 [1897]).
Houtsplinter (2), klein, puntig houtdeeltje.
Houtsprake, holtsprake (6), een met de instelling plaatselijk uit de middeleeuwen voortlevend woord. Gemeenschappelijke beslissing der gerechtigden over zaken het (marke)bosch betreffend (bij PLEYTE e.a. Uddel I).
Houtstal (2), houtschuur, Z.-Ndl.
Ben in de hout-stal gegaan om een leeder te zoeken,   VERVISCH, Lev. 3, 346 [1791].
Houtstapel (2). — 1°. Stapel hout in het algemeen.
2°. Brandstapel.
Dat hy (t. w. d'Indiaansche Philosooph Calanus) … zich selve, toen hy eens ziek was geworden, eenen houtstapel … liet toemaken,   DE BRUNE, Wetst. 2, 99 [c. 1648].
3°. Stapelrecht voor hout.
Houtsteen (2), versteend, d. i. van kiezelzuur doordrongen, hout.
Houtstek (2), houttuin, werf waar hout opgestapeld is (BOEKENOOGEN), houtloods.
Brand (te Nischniï Novgorod) …, die … behalve eenige houtstekken en fabrieken nog 80 huizen heeft in asch gelegd,   Opr. Haarl. Ct. Augs 1898  (andere bladen vermeldden: houtbergplaatsen).
Houtstof (I) (1), in de plantenkunde, een van de stoffen die zich tusschen de oorspronkelijke cellulose der plantencellen kunnen afzetten: lignose (verg. OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 1, 27).
Houtstof (II) (2), uit houtdeeltjes bestaande massa.
Zoo is de gemalen houtstof geschikt om met de cellulose tot een breipap vermengd te worden,   Nieuwe Courant, 26 Juni 1906, Ochtenblad.
Houtstraat (2 of 6), straatnaam in verschillende steden.
Houttak (1), hetzelfde als gesteltak.
Houttakken zijn de grove takken aan de boomen, welke geene vruchten dragen,   T. F. UILKENS, Handb. voor de Ned. Tuinb. 58.
Houtteelt (5), het aankweeken van houtgewas.
Houtteelt wordt (te Eenrum) in het geheel niet gedreven,   Onderz. Landb. 1886, 23, 18 [1890].
Houtteer (2), teer die door droge destillatie van hout verkregen wordt.
Houttelder (2), persoon aangesteld om het talhout te tellen (Keuren v. Haerlem 1, 253 [1750]; Keuren v. Haerlem 1, 254 [1750]).
Houttor (2), hetzelfde als houtkever.
Houttrekker (2), lange haak om dor hout uit de boomen te trekken (CORN.-VERVL., blz. 1773).
Houttuin (2), omheinde bewaarplaats voor hout; het mv. in vele steden thans als straatnaam.
Houttwijg (1), twijg die geen vruchten voortbrengt; verg. Houttak.
Houtvat (1), in de plantenkunde, hetzelfde als luchtvat: zekere vereeniging van cellen, deel uitmakende van het xyleem (verg. OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 1, 51).
Houtveiling (5).
De groote houtveiling, een publieke feestelijkheid, oneindig vermakelijker dan eene groote parade,   BEETS, C.O. 217 [1840].
Houtverband (2), een geheel van elkaar steunende balken of andere zware houtdeelen.
Houtverbinding (2), het aan elkaar bevestigen, of eene wijze van aaneen bevestigen van balken of ander timmerhout.
Houtvezel (1), in de plantenkunde, een der soorten van samenstellende deelen van hout (verg. OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 1, 18 en 99).
Houtvijl (2), vijl om hout glad af te werken.
Houtvijm (2), stapel brandhout, houtmijt.
Terwijl verder houtvijmen en graanmijten te zien waren,   SEGERS, Lief en L. 10 [1903].
Houtvijs (2), hetzelfde als Houtschroef; alleen in Z.-Ndl.
Houtvlot (2), vlot uit boomstammen of ander zwaar hout samengesteld met het oog op het vervoer daarvan.
Die Schepen, Aecken, Ponten ofte hout-vloeten van Venlo voorsz nederwaerts varende,   Placc. v. Brab. 1, 431 b [1622].
Dat de vrye Vaart, het zij door zwaare Schepen of Houtvlotten niet worde belet,   Gr. Placaetb. 9, 833 a [1790].
Hierbij de afl. Houtvlotter, bestuurder of vervoerder van een houtvlot.
Houtvoerder (2), vervoerder van houtvlotten (Utr. Placaatb. 3, 915 a [1685]).
Houtvoet (2), zekere lengtemaat, oorspronkelijk in gebruik bij het meten van hout.
Een worm, die … eenige duymen langer als twee Hout- of Amsterdamsche voeten moet geweest zyn,   L'EPIE, Onderz. 114.
Weselsche houtvoet,   DIBBETZ, Milit. Wdb. 298 a [1740].
Houtvracht (2).
Ho, Bruintje-maat! Wij gaan geen houtvracht halen!   STARING 1, 100 [1820].
Houtvrij (2), geen houtdeelen bevattend, alleen van papier gezegd.
Houtvuur (2).
In den haard knetterde het houtvuur,   G. D'HONDT in Vlaanderen 2, 175.
Houtwal (2), losplaats voor hout.
De houtwallen mogen wel worden afgesloten; doch alleen met een hek, waardoor men zien kan,   WAGEN., Amst. 2, 486 b.
Houtwaren (2). — 1°. Hout als handelsartikel, thans verouderd.
Den invoer van de Hout-waren, die in 't selve Rijck (t.w. Noorwegen) zyn gevallen, en van daer … in de Vereenigde Nederlanden soude mogen werden gebracht,   Gr. Placaetb. 4, 303 b [1688].
2°. Van hout vervaardigde (huishoudelijke) artikelen (Keuren v. Haerlem 1, 104 [1748]; Keuren v. Haerlem 1, 105 [1748]).
Houtwas (5). Zie bij HOUTGEWAS.
Houtweefsel (2), in de plantenkunde: hout in zijn samenstelling en vorming beschouwd (vgl. OUDEMANS en DE VRIES, Leerb. 1, 98 vlg.).
Houtweg (6), gevolgd naar hd. holzweg, boschweg die geen verkeersweg is, doch slechts gebaand voor houtvervoer; vandaar: dwaalweg, dwaalspoor.
De lant-strate is seker, maar de houdtwech is vaerlick,   Bijbel v. Deux Aes, Kantt. op Spr. 12, 28.
Zo du ghenoodzaakt bist, een holtwegh onbekend, Doolbaar ghebaant, te ghaan,   SPIEGHEL 54  (zie ook MEINERS, Oostfr. Kerkgesch. 1, 489).
Houtwerker (2), hetzelfde als Houtbewerker, thans gewoonlijk door dit woord vervangen.
Houtwesp (2), benaming der tot de familie der Siriciden behoorende insecten (vgl. SNELLEN V. VOLLENH., Gel. Dieren 331).
Houtwol (2), zeer fijne krullen, bij het inpakken van breekbare voorwerpen, voor filtratie enz. gebezigd.
Met een potlamp werd de houtwol (in het gietgat van een vorm) aangestoken,   G. SIMONS, In de gieterij, in Gids 1904, IV, 21.
Houtworm (2). — 1°. Benaming voor in hout levende larven van insecten, vooral van houtkevers.
2°. Benaming voor den paalworm (Teredo).
De dertien schepen waren toen alle te gronde gegaan door oorlogsmolest, door storm en door houtworm,   S. KALFF in Gids 1898, III, 109.
Houtzaagmolen (2).
Een scherpzinnig dorpeling van Westfriesland komt daardoor tot de uitvinding van den houtzaagmolen,   FRUIN, Tien J. 204 [1859].
Hierbij de afl. Houtzaagmolenaar.
Houtzaagsel (2), de zeer fijne afval. die bij het zagen van hout ontstaat.
Houtzager (2).
Houtsagers, Wagen-maeckers, Smits … ende andere Handt-werckers,   Gr. Placaetb. 2, 327 [1599].
Hierbij de samenst. Houtzagersgild.
Eenige broeders van het houtzagersgild met trommelslager en en blazoen voorop,   Oude Tijd 1871, 207.
Houtzagerij, het bedrijf van den houtzager of de plaats, waar dit bedrijf wordt uitgeoefend.
Houtzuur (2), hetzelfde als Houtazijn.
Vrijdom van belasting … voor azijn en houtzuur,   Kon. Besl. v. 7 Oct. 1898, Stbl. 218.
Houtzwam (2), op hout woekerende zwam.

Aanvulling bij HOUT

Samenst. en kopp. Houtbewerking.
Houtbewerking, behakken, bezagen, schaven enz. van hout,   V. DALE [1950 ].
— De vereeniging van enkele stukken hout tot een geheel, door ze zoodanig af te werken, dat het eene stuk tegen het andere sluit of voegt …, behoort tot de belangrijkste bedrijven der houtbewerking,   GROTHE, Mechan. Technol. 224 [1879].
C. van der Giessen & Zonen's Scheepswerven N.V. … vraagt voor zo spoedig mogelijke indiensttreding voor haar afdeling Houtbewerking: 1 houtbewerker (mach.) 2 spuiters enz.,   Alg. Dagbl. 10 Juni 1953.
Hierbij: houtbewerkingsmachine.
  V. DALE [1976].
— Transportabele houtbewerkingsmachines geven enorme loon- en tijdsbesparing, omdat men de machines naar het te bewerken hout brengt,   Bouwk. Encyclop. 2, 721 a [1955].
Gereedschappen voor houtbewerkingsmachines, zoals zagen, beitels, frezen en boren,   Beroepeninvent. I, 3, 25 [1959].
Houtblazer, bespeler van een houten blaasinstrument. Meestal in het mv. ter aand. van de desbetreffende sectie in een orkest.
De houtblazers … zijn aanwezig en zelfs in grooter varieteit dan bij ons,   V.D. LEEUW, Bach's Matthaeus Passion 47 [1937].
Houtboor.
  R.I.B. meded. n° 93, 27 [1962].
Houtboor, gereedschap om gaten in hout te boren,   V. DALE [1976].
— Met een schroevedraaier annex houtboor ter verbinding in houten werkstukken een gat boren en daarin een houtschroef draaien,   Beroepeninvent. I, 5, 17 [1958].
Houtbouw.
1°. Boschbouw.
  V. DALE [1872].
2°. Het bouwen met hout als voornaamste materiaal.
  V. DALE [1950 ].
— Nu nog (getuigen) de prachtigste voorbeelden van Houtbouw voor de waarde, die men aan dat materiaal toekende, vooral in die landen, waar hout in overvloed was te vinden,   ZWIERS 1, 538 a [1917].
Van enorme betekenis voor de houtbouw werd ook de wetenschappelijke ontwikkeling van de lijmtechniek,   Bouwk. Encyclop. 1, 556 a [1954].
3°. Houten bouwwerk.
Overblijfselen van een ronden houtbouw of van een krans van steenen, welke mogelijk ook van zulk een bouw afkomstig zouden kunnen zijn,   HOLWERDA, Nederl. vr. Gesch. 73 [1925].
Houtkraai, kraai die in de bosschen leeft; wilde kraai.
  POTTER in KIL. 779 a [1605].
  V. DALE [1872].
Houtolie, lijnoliesurrogaat dat uit boomen wordt gewonnen en o.a. gebruikt wordt in vernis. Dikwijls in de verb. Chineesche houtolie.
  V. DALE [1950].
— De oiticica olie … wordt steeds meer als vervanger voor Chinese houtolie toegepast in bindmiddelen voor inkten waarmee zeepwikkels, perkamentpapier … e.d. bedrukt worden,   Drukinkten in Algraf. Serie 6, 67 [1950].
In boventussendek 5 zijn een tweetal tanks ingebouwd voor het vervoer van houtolie,   Ons Zeew. 51, 5, 36 b [1962].
Houtoog, knop van een boom waaruit een tak voortkomt.
De oogen of knoppen der kerseboomen zijn driederlei: Houtoogen, welke spits zijn, en waaruit de takken voortkomen; Bladoogen, die iets dikker en stomper zijn enz.,   SERRURIER, Fruitk. Wdb. 2, 6 [1806].
Houtje-touwtje (zie ald.).
Houtvaart.
Houtvaart, scheepvaart voor het vervoer van hout,   V. DALE [1976].
— Speciaal Certificaat voor de Houtvaart. Dit is vereischt voor het vervoeren van dekladingen hout van meer dan vijf percent van het totale draagvermogen van het schip,   NOORDRAVEN en DE BOER, Scheepvaartw. enz. 329 [1927].
De certificaten … worden van Onzentwege, voor zoover betreft de certificaten van uitwatering en die voor de houtvaart door eene door Ons te benoemen commissie … in twee exemplaren afgegeven,   Schepenbesl. 1932, a. 6.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1907.