Koppelingen:
Vorig artikel: IJ I Volgend artikel: IJ III

IJII

Woordsoort: znw.(v.,o.)

Modern lemma: IJ

— vroeger veelal Y geschreven —, naar de oorspronkelijke uitspraak klinkende als ie, nu met de diphthongische waarde der ij (zie het vorig art., I, 2).
Naam, eertijds vr., later onz., van het water, tot aan zijn afsluiting en gedeeltelijke inpoldering (in 1864 en volgende jaren) een breede open zeearm, aan welks zuidzijde Amsterdam gelegen is. Een veronderde bijvorm van dezen naam, t.w. TIJ (TY) dankt zijn ontstaan aan attractie van de slotconsonant van het onz. lidw. De opvatting als onz. woord is vermoedelijk voortgekomen uit vaak gebezigde verbindingen als b.v. op d'IJ, waaruit bij snelle uitspraak al heel licht op 't IJ ontstaat. Het IJ (d'IJ) beteekent: het water, de rivier; verg. nfri. ie, ee, eje, ofri. ê, ee (â), ags. éa, hollandsch a (aa), ohd. aha, got. ahva (lat. aqua), znw. vr.: water (zie A, 4de art., Dl. I, 11); de oorspronkelijke uitspraak is bewaard gebleven in den plaatsnaam Krommenie. Er is in West-Friesland een tweede gelijknamig water, de IJe, waaraan Middel-ie en E-dam (Ijedam). Verg. verder zeeuwsch ee in Zieriks-ee, Duiven-ee, Flakkee enz.
Evenals de Amstel (zie ald.) wordt het IJ bij onze dichters vaak genoemd of verheerlijkt, en ook deze naam komt in verscheidene dichterlijke samenstellingen voor.
Ie, Ye, … rivus Holl.,   KIL. [1777] (uitg. V. HASSELT, 875 a).
— Dat alle zeeschepen, van voor de palyngen, ter halver Ye zouden gaen leggen,   Uit 1482, bij WAGEN., Amst. 1, 185 b.
Schreyers hoeck, daer … de Iuffertjens van 't Y, Met ongehuyfde pruyck enz.,   VONDEL 2, 182 [1623].
Aen d'Aemstel en aan 't IJ, daer doet zich heerlijck ope … Amstelredam,   VONDEL 3, 93 [1630].
't Zeepaerd, 't welck eerst lagh aen 't Y,   VONDEL 3, 365 [1637].
Noch Ty', noch Leck, noch Scheld, noch enz.,   HUYGENS, Ged. 1, 131.
Tot lof van 't Y …, Den grooten Koopstroom (De Ystroom),   ANTONIDES 1, 1 [1671].
Het IJ is breed, de Zaan is breed: Wie wil enz.   ? BEETS 2, 158 [1841].
't Scheeprijk IJ. Het afgesloten IJ voor Amsterdam.   poëem WNT
—  Aan 't IJ, te Amsterdam.
Der kunsten God, aan 't Y met geestdrift aangebeen, Kroont hier enz.,   Opschrift enz.  (zie Dl. V, 183).
Afl. — Zie IJker, 2de art.
Samenst. IJbaars, in het IJ gevangen baars (”Dat de hom-baers en Y-baers goed koop zou wezen indien enz.”, V. EFFEN, Spect. 8, 71 [1733])
IJbokking (”Ybockinge”, a°. 1550 bij GEVERS V. ENDEG., Rijnl. 1, 243
tijbokking, IJbukking, Dl. III, 273; ”volle IJbuk!” venterskreet)
IJbot (”Y-bot, Hoeck-bot, … en punmerpos”, BREDERO 2, 41 [1615]; ”De Bot (Pleuronectes Flesus) … wordt … ook in groote menigte in de Zuiderzee en in het IJ gevangen, waarvan de naam van IJbot”, SCHLEGEL, Visschen, 168 (a°. 1869)
IJgod (vermeld bij V. LENNEP en TER GOUW, Uithangt. 1, 320 als op gevelsteenen enz. voorkomende; verg. Amstelgod, Dl. II, 411)
IJmevrouw (”De stoet der Ymevrouwen en zeejoffers”, ANTONIDES 84 (ed. 1735) [1671])
IJpolder (”de IJpolders”, ingepolderde deelen van het voormalig IJ)
IJstad, Amsterdam (”ô IJ-stad!” HELMERS, Nag. Ged. 1, 92)
IJstroom (”De Ystroom”, Titel v. e. werk v. J. ANTONIDES [1671]; zie ook BILD. 11, 15 [1807]; BILD. 12, 329 [1827]).
— Afzonderlijk dient vermeld de naam IJmuiden, door S. VISSERING in 1848 bedacht voor een toen denkbeeldige Noordzeehaven van Amsterdam, en later gegeven aan de havenplaats aan het westelijk uiteinde van het Noordzee-kanaal: zie VISSERING, Herinn. 1, 48 en de ophelderingen ald., blz. IX.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1908.