Koppelingen:
Vorig artikel: INSTUIKEN Volgend artikel: INSTULPEN

INSTUIVEN

Woordsoort: ww.(intr.,onpers.,st.)

Modern lemma: instuiven

onz. en onpers. st. ww. Uit In, bijw., V, 3, A) en Stuiven.
+1.  Van of met betrekking tot stof en zand. Naar binnen stuiven.
Instuyven, to Fly in like dust,   SEWEL.
— Het zand stuift hier vreeselijk in, met al die kieren.   poëem WNT
2.  Van de duinen. Naar binnen — landwaarts in — verstuiven; overstuiven.
Dat … die duynen van Huysduynen … zoo zeer instuyven dat veele huyzen alle Jaeren worden affgebroocken ende ingestelt,   bij PALUDANUS, Oudheidk. Verh. 87 [1604].
3.  Van het zeewater, de zee, b.v. in eene baai. Stuivend, door den wind op- en uiteengejaagd, naar binnen komen.
De met den vloed telkens instuivende zee (t.w. in eene nauwe baai),   KNEPPELH. 8, 133 [1857].
+4.  Van personen.
Afl. Instuif (zie ald.). — Verder Instuiving, het naar binnen stuiven, met vaart naar binnen komen van iets (”Menschen …, die in de neusgaten … zeer kennelijke haren hebben: deze dienen zekerlijk om de … instuivingen des luchts te beletten”, BERKHEY, N.H. 5, 382 [1805]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1911.