Koppelingen:
Vorig artikel: ISABEL Volgend artikel: ISLAM
Etymologie: EWN

-ISCH

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: -isch

achtervoegsel, waarmede bnw. worden gevormd; overeenkomstig zijn Duitschen oorsprong heeft het, althans in Noord-Nederland altijd, eene heldere i. Het is in de 16de eeuw — vooral door den invloed van de bijbelvertaling naar LUTHER? — in de schrijftaal van godgeleerden, staatslieden enz., in gebruik gekomen; adjectieven uit dien eersten tijd, die er op uitgaan, zijn geheel of zoogoed als letterlijk ontleend aan het Duitsch (verg. b.v. irdisch, ketterisch), of zij zijn in navolging van Duitsche bnw. op -isch gevormd (verg. de voorbeelden straks onder 2).
1.  De beteekenis van de adjectieven op -isch is dezelfde als die van de bnw. welke met -sch (dat van denzelfden oorsprong is) zijn afgeleid; zij kan in 't algemeen omschreven worden als: van —, of behoorende tot —; van den aard of het karakter van (datgene wat door het znw. waaraan het suffix is gehecht, wordt aangewezen). Al hetgeen hieronder nog volgt, heeft verder alleen betrekking op de geschiedenis van de adjectieven op -isch in het Nederlandsch en wijst in hoofdzaak eenige groepen aan waarin men ze kan verdeelen.
2.  De tot hiertoe oudst bekende voorbeelden — uit de 16de, en uit het eerste gedeelte van de 17de eeuw — van bnw. met dezen uitgang zijn voornamelijk de volgende: Eerdisch (MARNIX, Ps. 10, 9), irdisch (dez., Bijenc. 6, 3; bl. 221 b): zie ook bij AARDSCH; geschiedisch (voor: historisch, bij V. MANDER, Uytl. op Metam. 68 b); voorts heldisch, hoerisch, huichelisch, ketterisch, kortwijlisch, lentisch, moordisch, oproerisch, overspelisch, serpentisch, slavisch (voor: slaafsch), spottisch, tyrannisch, veehisch (van vee), verradisch, wijverisch, zottisch, te hunner plaatse in dit woordenboek vermeld (onder HELD, enz.). — Voorts de samenst. afl. geestdrijvisch (MARNIX, Geschr. 2, 6), halfzeeisch (”semimarinus”, bij PLANT. [1573]), inlandisch, uitlandisch. — Van de namen van personen, volken, plaatsen of landen afgeleid: Barbarisch (twee artt.), Batavisch (zie onder BATAAF), Calvinisch (het vroegst bij V. VAERNEWIJCK, Ber. T. 1, 1 [1566]), Jodisch, Mahometisch, Nederlandisch (bij UTENHOVE), Trentisch (VONDEL 3, 74 [1630]).
3.  Het spraakgebruik van den Bijbel, den godsdienst en de kerk, heeft uit die eerste periode enkele van deze soort van bnw. tot op heden bewaard, als b.v. afgodisch, evangelisch, wettisch; en op hetzelfde taalgebied zijn verder het eerst ook weder nieuwe gevormd of in Nederlandschen vorm overgenomen: zoo b.v. apostolisch, Mozaïsch (van Mozes) profetisch; meestal navolgingen van Lat. adjectieven op -icus. (Voor mozaïsch (werk) in den zin van: mozaïek, zie Dl. IX, 1189). Tot deze groep behooren ook de, weer veel jongere, samenst. afl. oud- en nieuwtestamentisch.
4.  Vermoedelijk in navolging van de Hd. bnw. alt- en neumodisch zijn in de 18de eeuw of later bij ons gevormd de Samenst. afl. oud- en nieuwmodisch, naast de echt Ned. woorden ouder- en nieuwerwetsch.
5.  Oorspronkelijk in navolging van Lat. adjectieven op -icus, zijn gevormd de bij stam- en volksnamen behoorende bnw. op -isch, als Belgisch, Frankisch, Got(h)isch, Hessisch, Pruisisch, Russisch, Sassisch (Saksisch) Semietisch, Slavisch. De meeste dier bnw. zijn betrekkelijk jong; men had, in de oudere taal, aan vele daarvan geen behoefte, of indien wel, dan vormde men een adjectief op Nederlandsche wijze: b.v. Got(h)sch, Pruisch, zooals Friesch, Engelsch, Iersch. Verg. daartegenover echter het reeds oude Batavisch; voorts — Barbaar als volksnaam opgevat — Barbarisch (1ste art.), en, in de Statenvertaling, Israëlietisch, Jodisch, Kanaänietisch.
+6.  Eene zelfde geschiedenis hebben de, in verschillende tijden in gebruik gekomen, bij de namen van plaatsen en landen behoorende bnw. op -isch, als Arabisch, Arcadisch, Delphisch, Egyptisch, Indisch, Moscovisch die in deze soort tot eene oudere periode, en Dorisch, Ionisch, Italisch, Skandinavisch enz., die tot de jongste er van behooren; verg. verder Atlantisch, Capverdisch, Carrarisch enz. — Barbarisch (voor Barbarijsch) en Trentisch vindt men reeds in de 17de eeuw, Nederlandisch in de 16de: zie boven.
7.  Een groot getal van bnw. op -isch is gevormd van eigennamen van personen. Reeds zijn hierboven, onder 1) genoemd Calvinisch en Mahometisch; verg. verder Draconisch, Epicurisch (DE BRUNE), Homerisch, Platonisch, Socratisch. Van bijbelsche namen zijn gevormd Davidisch, Salomonisch; verg. voorts Johanneïsch, Mozaïsch, Paulinisch, bnw. bij Johannes, Mozes, Paulus, enz.
8.  De talrijke van qualitatieve persoonsnamen afgeleide, eveneens meestal ontleende of nagevolgde, bnw. op -isch, zijn voor het meerendeel zeer jong, en men houdt niet op er, naar de behoefte van 't oogenblik, telkens nieuwe te vormen. Tot de oudste van deze soort behooren: Philosophisch, poetisch, theologisch. Verg. verder b.v. bacchantisch, diabolisch, druïdisch, gigantisch, paedagogisch; voorts, van persoonsnamen op -ist gevormd b.v. darwinistisch, (anti)papistisch, piëtistisch, socialistisch. — Van olifant, in den zin van: groot dier, logge kolos, is gevormd olifantisch (Dl. X, 122).
9.  Bij eene zeer groote menigte van bnw., afgeleid van de meest verschillende vreemde woorden, vervangt -isch het oorspronkelijke, classieke of romaansche, suffix; slechts bij uitzondering zullen dergelijke bnw. in het Nederlandsch zelf zijn gevormd; de meeste zijn uit het Hd. overgenomen. Op elk gebied van wetenschap, techniek, kunst enz., wordt, om zoo te zeggen dagelijks, het getal van dergelijke bnw. nog vermeerderd. Hier volgen niet dan zeer enkele, en van de meest bekende, als voorbeelden: Aesthetisch, analytisch, chemisch, dramatisch, electrisch, fanatisch, fantastisch, geographisch, grammatisch, gymnastisch, historisch, hygiënisch, komisch (naast komiek), kritisch (naast kritiek), ironisch, lyrisch, physisch (naast physiek), praktisch, sarcastisch, taktisch, technisch, theoretisch, typisch.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1912.