Koppelingen:
Vorig artikel: JASPERING Volgend artikel: JASSEN I
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

JASPIS

Woordsoort: znw.(m.,o.)

Modern lemma: jaspis

znw. m. en onz. Mnl. jaspis (naast jasper, jaspe); voor een vorm jaspé, zie beneden bij 2). Ontleend aan gr.-lat. iaspis. Een edelgesteente; bij de hedendaagsche delfstofkundigen de naam voor eene ondoorschijnende verscheidenheid van het kwarts.
1.  Het gesteente.
Die daer op sat (op dien troon) was in het aensien den steen Jaspis … gelijck,   Statenb., Openb. 4, 3 [ed. 1688].
Haer licht was den allerkostelicksten steen gelijck, namelick als den steen Jaspis blinckende gelijck krystal,   21, 11.
De allereedelste steenen, als Jerubin, Smaragden …, Diamant, Jaspis, Hyacinth enz.,   LUYKEN, Jezus en de Z. 188 [1678].
Dat … de Jaspis … op de Breuk grof, korrelig of schubbig ziet,   HOUTTUYN, Nat. Hist. III, 3, 302 [1782].
De jaspis … is de geheel ondoorzigtige quarts van verschillende kleur en teekening; bijv. gevlekt; … komt van Altai (Edelgesteenten),   Ned. Handelsmag. 371 [1843].
De ondoorschijnende (steenen), met name de turkois, de agaat, de jaspis, de cornalijn en meer anderen,   Alb. d. Nat. 1859, 1, 315 [1859].
2.  Als collectieve stofnaam, met mv. voor verschillende soorten.
Den vloer die was van Iaspé en Esmerauden,   V. D. NOOT 23.
Ende het gebouw hares muers was Jaspis,   Statenb., Openb. 21, 18 [ed. 1688].
Een zwaert, wiens hecht van gelen Jaspis starwijs gewrocht was,   VONDEL 5, 211 [1646].
Een … Paleis, versierd met de standbeelden der Voorvaderen, uit Jaspis gehouwen,   Philanthrope 1, 341 [1757].
Dat de ondoorschynendheid een voornaam kenmerk der Jaspissen zy,   HOUTTUYN, Nat. Hist. III, 3, 302 [1782].
Dat schoone stuk roode Jaspis myner Verzameling,   III, 3, 304.
Onder de Groene Jaspissen … is enz.,   III, 3, 310.
Een halssieraad … van jaspis,   BILD. 9, 424 [1781].
Den vloer des Hemels …, Een zee van jaspis,   TEN KATE, Par. Verl. 69 [1878].
3.  Een stuk van het gesteente, onder 1) en 2) genoemd, een steen van jaspis.
Vier rijgen steenen … Ende de vierde rijge van een Turkois, ende een Sardonix, ende een Jaspis,   Statenb., Exod. 28, 20 [ed. 1688].
Een Jaspis, die met Zilver doorgroeid was,   HOUTTUYN, Nat. Hist. III, 3, 303 [1782].
Een roode bruin geaderde Jaspis,   III, 3, 306.
Samenst. en koppel. Jaspisagaat (Dl. I, kol. 2062)
jaspissteen (Statenb., Ezech. 28, 13 [ed. 1688]; DE BRUYN, Reizen 1, 32 b [1698])
jaspisvat (V. LENNEP, Poët. 6, 51 [1834])
jaspiszaal (BILD. 7, 9 [1807]).
— Als tweede lid (in de bet. 2) Bandjaspis, panterjaspis (HOUTTUYN, Nat. Hist. III, 3, 307 [1782]; HOUTTUYN, Nat. Hist. III, 3, 314 [1782])
kogeljaspis (”Kogel- of Aegyptische jaspis, met bruine of roode gelijkmiddelpuntige strepen, … alleen in rondachtige stukken”, C. DE JONG, Handwdb. 214 a [1869]), enz.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1913.