Koppelingen:
Vorig artikel: JEGENWOORDIG Volgend artikel: JEK

JEHOVA

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: Jehova

JEHOVAH —, znw. (eigennaam). Verg. nhd. fra. eng. (enz.) Jehova(h). Een uit misverstand geboren bastaardvorm van hebr. Jahwe, den naam van den God van Israël. Omdat, bij de Joden, althans in lateren tijd, deze hoogheilige naam niet dan bij enkele gelegenheden mocht worden uitgesproken, vervingen zij dien bij de voorlezing van de Schrift door een anderen; veelvuldig door Adonai (Edonai). Het voorschrift om, in de plaats van den te heiligen naam, den anderen uit te spreken, is in de Hebreeuwsche teksten aangeduid doordien bij de medeklinkers die den eersten voorstellen, de klinkers van den anderen zijn geschreven. Christelijke beoefenaars van het Hebreeuwsch, door deze aanwijzing misleid, hielden de bijgeschreven klinkers voor die van den goddelijken naam, en aldus is, sedert het begin van de 16de eeuw, de verkeerde lezing Jehova voor Jahwe in zwang gekomen. Zie nader de Leidsche vertaling op Exod. 3, 14 en verg., in dit woordenboek, het gezegde bij GOD, II, A, 1, a): Dl. V. kol. 191, en bij HEER (I), II, I, A, 2, a): Dl. VI, kol. 346.
+1.  De eigennaam van God in het Oude Testament, in de Statenoverzetting en in andere vertalingen gemeenlijk vervangen door ”de HEER(E)”; de God van Israël. Ook in Christelijke opvatting en gebruik: God, de Almachtige, het Opperwezen.
Na de voleyndinge van het werck der scheppinge, wort hier allereerst Gode de naem van Jehovah gegeven, beteeckenende enz.,   Statenb., Gen. 2, kantt. 7 [ed. 1688] (bij de HEERE Godt).
Onthoudt …; waer gy (in den Statenbijbel) … het woort Heere met groote letteren geschreven vint, dat aldaer in 't Hebreeusch het woort Jehovah … staet,   Statenb., Gen. 2, kantt. 7 [ed. 1688].
Jehovah Nissi of Keetenslachs-gedenckteecken ende Banniere,   Titel (a°. 1631; verg. Kantt. op Exod. 17, 15).
Jesus, daar hy praalt Op Vorst Jehovahs troon,   V. EFFEN, Spect. 11, 29 [1734].
Daarom galm en dreun ik van: Jehovas Keur- en Lievelingen, Vaders Kinderen enz.,   WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 73 [1785].
Zoo zegt Jehova, de God van Israël,   V. D. PALM, Bijbel: Exod. 5, 1.
Ik ben Jehova,   6, 1.
(David) den man van Jehova's verkiezing,   V. D. PALM, Red. 1, 4.
U heugt, dertig eeuwen door, Dat u Jehova uitverkoor (De Israël. Looverhut),   STARING 3, 25 [1820].
Alvader, … Wien Heiden, Jood en Christen bidt: Jupyn, Jehovah, God (Gebed voor allen)!   TOLLENS 8, 132 [1839].
Op 't geluid, Jehova! van Uw stem,   DA COSTA 2, 46 [1822].
Jehovaas bliksemflitsen,   2, 193.
Jehova, die het licht formeert, En 't duister op doet komen,   BEETS 2, 447 [1846].
Een verbond met Jehova, waardoor God bij uitsluiting (Israël) … uitverkoren had,   GORTER, Lett. Stud. 2, 11 [1867].
Samenst. Jehova-dienaar (GORTER, Lett. Stud. 2, 10)
Jehova-vereerder (a. w. 2, 23; 27)
Jehova-vereering (a. w. 2, 11)
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1913.