Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: KAMENIERSTER Volgend artikel: KAMERAAD
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

KAMER

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: kamer

znw. vr. Mnl. camere. Evenals nhd. kammer enz., rechtstreeks of door middel van een Rom. tusschenvorm, ontleend aan lat. camera, oorspronkelijk een gewelfd vertrek.
+I.  Een der afzonderlijke afgesloten ruimten of besloten afdeelingen (vertrekken) in of van een huis, een gebouw.
+II.  Vertrek of zaal voor de bijeenkomst van een gezelschap; vergaderzaal van een college of een lichaam. Eigenlijk, en in verschillende overdrachtelijke toepassingen.
+III.  Bij vergelijking.
Afl. Kameren, kamerist, kamerling (zie die woorden).
Samenst., samenst. afl. en koppel.
A) Als eerste lid in Kamerarrest, kamerband, kamerbehanger, kamerbehangsel, kamerbewaarder, kamerbode, kamerbroeder, kamerbuks, kamerbus, kamerdag, kamerdeur, kamerdienaar, kamerdoen, kamergang, kamergeleerde, kamergeleerdheid, kamergymnastiek, kamerheer, kamerhuur, kamerjapon, kamerjonker, kamerjuffer, kamerkat, (kamerkatje), kamerkleur, kamerknecht, kamerkruid, kamerleven, kamerlid, kamerlidmaatschap, kamerloog, kamermaagd, kamermeid, kamermeisje, kamermuil, kamernar, kamerontbinding, kamerplant, kamerpot, kamerschut, kamerspel, kamerspeler, kamerstoel, kamerstuk, kamerverslag, kamerwacht, kamerzitting (zie die woorden), en verder als eerste lid (tusschen haakjes wordt aangewezen in welke bet.) o.a. nog in:
Kamerappèl (I, 1), verzameling der manschappen in de kamers der kazerne enz.; verg. APPÈL, Dl. II, kol. 557, de bet. 2, b).
Elk (gaat) zijn nachtverblijf opzoeken; want nog weinige oogenblikken slechts- en ”het ongewapend kamerappèl” wordt geslagen,   TER GOUW, Volksverm. 374 [1871].
Kamerarbeid (I, 2), werk in of op de (iemands) kamer; binnenskamers; thuis.
Ik (voorspelde) u weinig kamerarbeid op reis,   GEEL 21 [1838].
Het spreekt vanzelf, dat je nu je niet zult kunnen bepalen tot een rustigen kamerarbeid, maar dat je zult uitgezonden worden om te passen enz.,   V. LENNEP, K. Zev. 4, 167 [1865].
Kamerbaal (I, 2, c), kamergemak (verg. Baal (II), balie, tobbe.
So hy't (zekeren drank) des morgens vroeg in-nam, So vielt hem, omtrent seven uyr, Al vry een weynichjen te suyr, En had al twee-en-dertich mael, Geseten op sijn KamerBael,   BAARDT, Deugdensp. 98 [1645].
Kamerbediende (I, 2, c), lijfbediende.
Kamerdienaars en kamenieren; deeze kamerbedienden zyn enz.,   WOLFF en DEKEN, Blank. 3, 108 [1789].
Kamerbekken (I, 2, c). Steekbekken, ondersteeksel?
311 barbierbeckens, 1030 camerbeckens, 71 beckens met ooren,   in Econ.-Hist. Jaarb. 2, 250 [1595].
Kamerbetimmering (I, 1) en 2), betimmering van den kamerwand, de kamerwanden.
Dat men bij de … muurbekleedingen werkelijk iets schoons kan leveren, bewijzen de nog bestaande voorbeelden van schotwerken uit de 16de en 17de eeuw en ook sommige moderne kamerbetimmeringen,   BERGHUIS, Betimm. 85.
Kamerbeurt (I, 2, a), schoonmaakbeurt van een vertrek.
De meisjes moesten Woensdag maar niet met de kamerbeurt meehelpen, eens den middag uit wandelen gaan,   SCHART.-ANT., Sprotje 2, 61 [1909].
Kamerbewoner (I, 3), iemand die een gehuurde kamer bewoont; die op eene kamer of op kamers woont.
1°. de arbeiders, leden van gezinnen, die een klein bedrijf in eigendom of huur hebben …; 2°. de zoogenaamde kamerbewoners, die over het algemeen op de steenfabrieken werken (Bemmel),   Onderz. Landb. 1886, 4, 22 [1890].
Kamerbezem (I, 2), stofvarken aan langen steel.
Kamerbessem, … lang varken,   DRAAIJER.
— In dezen hoek stond een kamerbeezem … die mij wel te pas kwam: zonder spreeken nam ik denzelven op, en weerde mij daar mede zo dapper, dat enz.,   De Zwerv. keukenm. in Alm. van Louw en Krelis 1774.
De … wederhelft van den Predikant, met een kamerbezem gewapend, dien zij in een dreigende houding ophief,   V. LENNEP, Rom. 1, 218 [1833].
Kamerblazoen (II, 1, b), hat blazoen eener rederijkerskamer, kamerschild.
Jaardichten … gedrukt met het oude kamerblazoen in houtsnede daarboven,   TER GOUW, Volksverm. 115 [1871].
Kamerbloem (I, 2), bloem, bloemgewas, geschikt om in de kamer te kweeken.
In Z.-Ndl. eene benaming voor het Kamerkruid (zie ald.).
Kamerboek (II, 1, b).
Camer boeck waer inne … allen de Rekeninghen van de Redenrycke Gulde,   bij V. MELCKEBEKE, De Peoene 70 [1617 vlg.].
Kamerclub (II, 3). Verg. CLUB, 4).
De Anti-revolutionaire, de Christelijk-Historische, de R.-Katholieke (enz.) kamerclub.  
— De aanwinst, die (de Kamerclub) … had gemaakt in haar jongste lid,   DE SAV. LOHMAN, Vragensm. 33.
Kamerdebat (II, 3).
De Kamerdebatten (in de Chambre des représentants) over de vraag had hij bekend gemaakt en toegelicht om enz.,   ROOSES, Schetsenb. 75.
De jongste kamerdebatten,   J. V. RIJSWIJCK Jr., 1, 125.
De kamerdebatten (in de Tweede Kamer) over de uitbreiding van het kiesrecht,   KLOOS, N. Lit.-Gesch. 4, 99.
Kamerdienst (I, 2), dienst als kamerdienaar, kamerheer.
Benijdt men 't mij misschien, dat ik, Aan 't hoofd van 't Hofgezin, En de eerste in 's Graven kamerdienst, Te veel in aanzien win?   KINKER, D. en O. 309.
Kamerdressuur (I, 2, a), dressuur van den (jacht)hond binnenshuis, om hem het apporteeren te leeren.
Kamerduifje (verg. hd. kammertaube), kamerkatje; liefje.
Terwijl hij (de verloopen abt) echter daarbij een kamerduifje hieldt, dat op zijne wenken vloog,   De Edelman Paerde-Dief, in Alm. van Louw en Krelis 1774.
Kamerfractie (II, 3), onderdeel van een der groote partijen.
De anti-revolutionaire, de vrijliberale, de vrijzinnig-democratische, de socialistische kamerfractie.   poëem WNT
Kamergast (II, 1, b), lid, broeder, gezel, van eene rederijkerskamer of schutterskamer (STALLAERT).
Kamergemak (I, 2, c), stilletje.
Kamergevoeg (I, 13)?
't Ontladen des lichaems door 't vertreck ende kamer-gevoegh,   DAVID, Doolh. 432 [1605].
Kamergewaad (I, 2, c), negligé.
Mejuffrw. was nog in haar kamer gewaad,   MARIN.
Kamergeweer (III, 3, c), geweer met een kamer (kruitkamer, kruitzak).
Kamerstukken, kamergeweren, kamerbussen, enz. zijn zulke vuurwapens, die van eene kamer voorzien zijn,   LANDOLT 1, 280 [1861].
Soms gelijkbet. met kamerbuks, licht geweer waarmede men in eene kamer schieten kan.
Dit verbod is niet van toepassing … op slaghoedjes, op Flobert-patronen (patronen voor kamergeweren) enz.,   Besl. v. 15 Oct. 1885 (Stbl. 187), a. 69.
Kamerhoek (I, 2), een der hoeken van een vertrek.
Dat … moghelijk UE. hart hier in eenighen kamerhoek zal vergeten zijn (aan Tesselschade, die hare muilen had laten staan),   HOOFT, Br. 2, 324 [1633].
Donkere kamerhoeken,   ROBBERS, A. de Boogh 114.
Kamerhout (I, 2, b), hout voor kamermeubels, werkhout voor den meubelmaker.
Dat toch het hare (t.w. haarteint”) de kleur van mahonij-hout zóó nabij kwam, dat … een stoelenmaker … haar misschien voor nuttig kamerhout zou hebben aangezien,   DE WAKKER VAN ZON, Overijss. Predikants-dochter 1, 70.
Kamerjas (I, 2, c), ongekleede huisdracht voor heeren; verg. kamerjapon.
Kamerjongen. — 1°. Page (verg. I, 2).
De schoenlapper word fluks ontboden in 't paleis; Een kamerjongen brengt hem binnen,   CONINCKX, Fab. 243 [1808].
2°. In N.-Ind. Hotelbediende, die in de kamers bedient (verg. I, 4).
Kamerjongen (hotel). e. roombutler f. garçon d. Zimmerkellner,   PRICK V. WELY, Hulp-Wdb. 51 a.
— Iederen tafelbediende, iederen kamerjongen of huisknecht,   V. MAURIK, Tòtòk 159.
Kamerjool (I, 3). Zie Dl. VII, kol. 431.
Kamerkiezing (II, 3). In Z.-Nederl. voor: verkiezing voor de Kamer(s) (de Volksvertegenwoordiging).
De kandidaten voor de Kamerkiezing van 10 Juni,   J. V. RIJSWIJCK Jr. 2, 1.
Tijdens de laatste Kamerkiezing,   2, 123.
Kamerklok (I, 2), klok die in de kamer staat of hangt; tegenover gangklok, torenklok enz.
De kamerklok wees kwart voor achten,   V. ZEGGELEN 2, 114 [1842].
Kamerlading (III, 3, c), de lading, het laden van een vuurmond, een geweer, door de kamer in plaats van door de tromp; verg. hierbij kamerlaadgeweer, kamerlaadstelsel (zie LANDOLT 1, 224 [1861]; LANDOLT 1, 229 [1861]; LANDOLT 1, 279 [1861] en verg. Dl. IV, kol. 2026).
Het scheepsgeschut voor kamerlading in te richten, zooals reeds bij proef bij de Fransche marine geschiedt,   LANDOLT 1, 279 [1861].
Kamerlak (I, 2), lak om het verfwerk van kamers mede te vernissen.
De grondlaag wordt dan na twee dagen met spons en zeemlap met schoon water afgewasschen en met enkel blank kamerlak overgevernist,   V.D. KLOES, Verver 111 [1908].
Kamerlengte (I, 2, a), de lengte van een vertrek.
Seer cortaesempt …, soodat naeuwelijcx een camerlengte can gaen,   V.D. GOES, Briefw. 1, 82 [1660].
Kamerlied (II, 1, b), lied voor of op eene rederijkerskamer.
Kamerliterator (I, 2, c), naar 't voorbeeld van kamergeleerde, voor een literator die buiten 't frissche leven staat, of iets derg.
Wij bezitten een drom van … huis- en kamer-litteratoren van zoo geringe verdienste, dat enz.,   BUSKEN HUET, in Gids 1864, 3, 586.
Kamerloop (I, 13), buikloop, diarrhee.
Kamerloop. Fland. j. loop. Profluvium alvi,   KIL.
Kamerloopster (I, 14). Voorheen te Amsterdam de naam voor: zekere bedienden der Diaconie welke den onderstand aan de bedeelden tehuis brachten (WAGEN., Amst. 2, 158 a; 159 a; 163 a).
Kamerlucht (I, 2, a), de min of meer bedompte lucht in een (gesloten) vertrek.
Hoedanig het met de akademiestudiën der jongelieden in den zomer gesteld is; hoe zij dan verflaauwen, bijkans te niet loopen, daar de een den ander opwekt, om de kamerlucht met die der … natuur te verwisselen,   V. D. PALM, Red. 5, 159.
Kamermal (III, 3, c), werktuig om de kamer van het proefgeschut te meten.
Kamermat (I, 2, a), mat tot vloerbedekking in kamers.
Dan komt'er … Een … Al schreeuwend loopen: Kamer-mat, Bank-mat enz.,   in Tijdschr. 25, 46  (Straatroepen, a°. 1661).
De russchen (worden) … tot fijne of gladde kamermatten, om in plaats van tapijten den grond te bekleeden, verwerkt,   V. HALL, Landh. Flora 229 [1854].
Kamermeerderheid (II, 3), meerderheid onder de leden van eene Kamer (wetgevend lichaam).
Het wetsontwerp kon geen kamermeerderheid verwerven. Eene kamermeerderheid verklaarde zich tegen de motie.  
— Het ministerie trad (in 1913) op met een program dat in overeenstemming was met dat van de Kamermeerderheid,   Uit een dagblad.
Kamermeester, mnl. camermeester. Opzichter en beheerder van vorstelijke enz. goederen; ook schat- en rentmeester (kameraar).
Den heer Baboenabeek, camermeester van alle Conincx cleden, Conincx rechter en hooft der coopluyden van 't gantsche rijk,   SPEELMAN, Journ. 264.
Kamermuur (I, 2, a), de muur, in 't mv. de (vier) muren van een vertrek.
Toen hij (t.w. Bilderdijk) jaren achtereen, met zeldzame afwisseling, tusschen kamermuren besloten, … dichtwerken schiep, waarin enz.,   GEEL 215 [1835].
Getrouwe vrienden! …: Ik heet u welkom in mijn stille kamermuren,   V. LENNEP, Poët. 5, 112 [1826].
De kamermuren en de meubels,   ROBBERS, A. de Boogh 185.
Kamerorgel (I, 2, a), pijporgel voor huiselijk gebruik.
Kamerorgels, draaiorgels en speeldoozen,   TEN BRINK, Rom. 2, 14.
Kameroverzicht (II, 3), overzicht van hetgeen er in de vergadering van eene Kamer (wetgevend lichaam, deel der volksvertegenwoordiging) is verhandeld.
Hierbij de samenst. Kameroverzichtschrijver.
Kamerplekje (I, 2, a), een plekje ergens in een vertrek.
Haar thuis, dat ze liefhad, dat was nog meer het rustige kamer-plekje vlak achter het gordijn,   SCHART.-ANT., Sprotje 1, 18 [1905].
Kamerpronk (I, 2, a), iets dat tot versiering van eene kamer dient; ook collectief: al het kamersieraad.
Deze pot-pourri, zoo geurig lang voordezen, Nu zonder reuk of kracht, en ijdle kamerpronk,   BILD. 13, 129 [1805].
Kamerprullerij (I, 2, a), prullige artikelen tot meubileering of tot versiering van een vertrek.
Paul, die … juist tegen dat helpen kiezen in 't bizonder opgezien had, had zich niet in staat geacht tot eenige attentie voor die mondaine kamerprullerij,   ROBBERS, A. de Boogh 153.
Kamerraam (I, 2, a), het vensterraam, of een der vensterramen van een vertrek.
Zoo kwam ze ten leste toch 't Dijkje op … 't kamerraam was licht nog, maar 't deurtje was donker,   SCHART.-ANT., Sprotje 1, 89 [1905].
Sprotje (zat) … stilletjes in den leunstoel aan het kamerraam,   2, 58.
Kamerrecht (II, 2, a), mnl. camerrecht, ”wat in de kamer (van schepenen of andere bevoegden) als recht wordt uitgesproken of geldt” (VERDAM); ook: rechtszitting ter kamer van schepenen (STALLAERT).
Kamerrecht. Dit staat over tegen de vierschare. In de kamer wierden de zaken de plano afgedaan, zonder de gewone rechtsplegingen,   Cost. v. Middelb. III, 13
 (Aanteek.).
— Des Woensdags houdt men kamer-recht: alwaer getracteerd worden alle civile zaken … van poorters en anderen, tusschen gewillige partyen,   t. a. pl. (tekst).
Kamerreiziger (I, 2, c), iemand die thuis, op zijn kamer, reist, t.w. daar reisbeschrijvingen leest.
Gelukkige kamerreizigers! Zij laten de reizigers rondom de wereld de kastanjes uit het vuur halen, waaraan zij zich te goed doen,   HASEBROEK, W. en Dr. 125.
Kamerrok (I, 2, c), kamerjapon.
Japanse rok, … of lange kamer-rok. Robe de chambre,   MARIN.
Kamerrokken. Schlafröcke,   NEMNICH, Holl. Waaren-Lex. [1821].
— De prachtige Turksche kamerrok des Barons,   CONSC. 3, 355 a [ed. 1868].
Kamerrot (I, 2, c), iemand, een geleerde b. v., die altijd in of op zijn (studeer)kamer zit; boekenwurm.
Den ouden kamerrot, Die perkamenten kauwt,   DE GÉNESTET 2, 232 [1847-1848].
Kamerrust (I, 2, a), de rust die in eene kamer heerscht.
Dat de kleine kamer gevuld was van een niet uit te spreken iets …, de kamerrust, het witte tafelkleed …, het koffieservies enz.,   FALKLAND 1, 201 [1896].
Kamerscheiding (I, 1) en 2), wand, schot enz. tot scheiding tusschen de verschillende kamers in een gebouw, een woonhuis.
Kamerscheidingen, die op een balklaag moeten geplaatst worden en daarom zoo licht mogelijk moeten samengesteld zijn,   BERGHUIS, Betimm. 91.
Kamerschemer (I, 2, a), de in een vertrek heerschende schemer.
Hij (had) … uit zitten huilen, in den kamerschemer,   ROBBERS, A. de Boogh 198.
Kamerscherm (I, 2, a), kamerschut (zie ald.).
Een kamerscherm met eene complete idylle van herders en herderinnen uit den Pompadour-tijd stond voor de deur,   TEN BRINK, Rom. 5, 67.
Kamerschild (II, 1, b), kamerblazoen (zie hierboven).
Comt met u Kamer-schilt, den inslach wilt ontbloten, Waarom u Olijf-boom spruytende Liefd' beduyt,   Vlaerd. Redenr.bergh 24.
Kamerschuimer, komt eenmaal voor als een bijnaam van Bacchus.
Glase-ruymer, Grooten Poffer, Kamer-schuymer enz.,   L. VOSSIUS 155
 (Bacchus Beeldt).
Kamerschutting (III, 2, e), een der beide schuttingen bij het kamerwant (zeker vischtuig). Zie BOEKENOOGEN 1323.
Kamersekreet (I, 2, c), kamergemak, stilletje.
Alle soorten van kindersetels, kamersecreetkens, kraemstoelen,   bij STALLAERT 2, 34 a [1737].
Kamersluis (III, 2, g).
Schutsluizen, ook wel kolk- of kamersluizen,   PASTEUR-NOOT 3, 40.
Kamerspiegel (I, 2, a), spiegel om in eene kamer op te hangen (NEMNICH, Holl. Waaren-Lex. [1821]).
Kamerspiegel (III, 3, b), hd. kammerspiegel. Zie de aanhaling.
Kaamer-Spiegel, … Schyf, welke men gebruikt, om de Kamer van een grof Geschut daarmede te bedyken ofte te bewaaren en de Kogelen daar op te stellen,   STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. 234 a [1740].
Kamerspin (I, 2, a), huisspin; doch verg. kelderspin.
Kamerstaartschroef (III, 3, c). Bij een geweer: staartschroef met kamer: zie nader de aanhaling.
Bij jachtgeweren, waar men … eene geringe ijzerdikte aan de kamer geeft, brengt men kamerstaartschroeven (culasses à chambre) aan, welke trechter- of vingerhoedvormig uitgehold en aan den bodem met het zundgat voorzien zijn,   KUYPER, Technol. 1, 603.
Kamerstem (I, 2, a), lichte zangstem (V. DALE), t.w. die wel voor eene kamer, maar niet voor eene zaal geschikt is. Ook in 't algemeen: zachte, zwakke spreekstem.
Gy zoud uitroepen, al was het dan ook maar met een zagt kamerstemmetje: allemaal menschen!   WOLFF en DEKEN, Leev. 3, 62 [1784].
Kamerstok (III, 2, e), een der stokken waarmede het kamerwant (zeker vischtuig) wordt vastgezet (BOEKENOOGEN 1323).
Kamertal (I, 1) of 2), het aantal kamers dat in een gebouw of een huis aanwezig is.
Moet kamertal en zalen Met spuw- aan spuwpot pralen?   BILD. 7, 248 [1827].
Kamertemperatuur (I, 2, a), de voor eene woonkamer vereischte of normale temperatuur (17°. a 18° C.).
Daarna het mengsel gedurende 3 uren … laten staan bij kamertemperatuur,   Versl. Rijkslandbouwproefst. 14, 13.
Kamerthermometer (I, 2, a), thermometer ten gebruike in de kamer.
Kamerthermometers, op geel, zwart of wit gepolijst hout,   Uit een prijscourant.
Kamertrap (I, 2, a), trapladder om in de kamers te gebruiken, bij schoonmaken, ophangen van gordijnen en schilderijen enz.
In de volgende aanhaling is sprake van traptreden die naar eene kamer leiden.
Boision (quam) een watergalletje over, soodat de camertrappen en all bespoog,   C. HUYGENS Jr., Journ. 2, 24 [1692].
Kamertuin (I, 2, a), tuin binnenskamers.
Hun Ceders (der Chineezen), door een vlijt, hun geestloos wroeten waard, In struiken voor hun disch- en kamertuin ontaart!   BILD. 6, 304 [1802].
Kamervarken (I, 3), verachtelijke benaming voor eene minnares (verg., voor het eerste lid, kamerduifje, kamerkatje).
Door zulcke kamerverckens is Sardanapalus … zoo on-gantsch en ziel-gortigh geworden, dat hy …, tusschen het spinne-wiel en de haspels, zijn leven deurgebrocht heeft,   DE BRUNE, Embl. 233 [1624].
Kamervenster (I, 2, a), het venster of een der vensters van eene kamer.
Zie naar 't gindsche kamervenster, Daar verschijnt de schoone Maagd,   BILD. 1, 159 [1797].
Twee stappen van mijn kamervenster, In de haag enz.,   MERCELIS, K. Harp 127.
Kamervergadering (II, 1, b), vergadering van een rederijkersgezelschap.
Om in de Kamervergaderingen, of in de lange stoeten der Landjuweelen de kunst der liefhebbers van Rhetorika te doen bewonderen,   ROOSES, N. Schetsenb. 56.
Kamervergadering (III, 3), vergadering van een wetgevend lichaam, van eene afdeeling eener volksvertegenwoordiging.
Kamerverhuurder, kamerverhuurster (I, 3), iemand die in zijn (haar) huis kamers verhuurt.
De huizen (zagen) er zoo saai en verlept uit als 'n kamerverhuurster, die pas op is,   BRUSSE, Boefje 94.
Kamervet (III, 1, d): ”Bij vleeschhouwers. Vet dat onder de vang ligt binnen tusschen den dikken darm en het slot der beest” (JOOS [1900-1904]).
Kamervleugel (I, 1—2), vleugelpiano voor eene kamer, in tegenstelling met een concertvleugel; verg. ook salonvleugel.
Kamervlieg (I, 2, a), huisvlieg.
Musca domestica L. is de gewone kamervlieg; waar menschen wonen komt zij voor,   OUDEMANS, Insecten 583 [1905].
Kamervloer (I, 2), de vloer van een vertrek, van een verblijf in de kazerne enz.
Geene karweiën meer; geene aardappels meer te schillen, geen kamervloer te schuren enz.,   DE VOS, Vl. Jongen 162.
Ik heb een paar maal door mijn kamervloer getrapt (in een bouwvallig hotel),   V. MAURIK, Tòtòk 44.
Kamervogel (I, 2, a), vogel die men in de kamer houdt; zang- of siervogel.
Kamervol (I, 2, a), znw. Zooveel (van het genoemde) als waarmede eene kamer vol is.
's Middags vergadering; een kamervol heeren; 't was er … warm en benauwd,   ROBBERS, Gel. Fam. 65 [1909].
Kamervol (III, 3, c), bnw. Van eene geschutlading gezegd: welke de geheele kamer vult.
Uit houwitsers worden 5 schoten (proefschoten) met kamervolle lading en ééne granaat gedaan,   V. GOENS, Zee-art. 509 [1865].
Kamervoorzitter (II, 3), voorzitter van eene Kamer (wetgevend lichaam; afdeeling der volksvertegenwoordiging).
Toen … een nieuwe kamervoorzitter moest gekozen worden, deed hij de stemmen op Ratazzi vallen, het hoofd der oppositie,   J. V. RIJSWIJCK Jr. 1, 85.
Kamervotum (II, 3), uitspraak van de meerderheid eener Kamer.
Kamervriend (I, 2, c), vertrouwde vriend, huisvriend.
Onkennis … maeckt onminn by de Menschen; En menig' droeve reis heb ick my voelen wenschen, Mijn achterklapper waer mijn ronde Kamer-vriend, En met mijn onderhout, als ick met sijn, gedient,   HUYGENS 1, 379 [1651].
Kamervrouw. — 1°. Kamenier; vrouwelijke lijfbediende.
Ga fluks te bed …: uw kamervrouw Zult gij verwijd'ren,   V. LENNEP, Poët. 11, 292 [1854].
2°. Als titel van zekere vrouwelijke hofbeambten.
De Kamervrouwen van Hare Majesteit en die der Princessen,   Bijv. Stbl. 1815, blz. 2163.
3°. Als benaming voor bejaarde vrouwelijke hotelbedienden; verg. kamermeisje, 2).
Kamervuurwerk (I, 2, a), vuurwerk dat geschikt is om in de kamer te worden ontstoken.
Kamerwaarder (II, 2), mnl. camerwaerre. Kamerbewaarder, kamerwachter.
Alle Advocaten, Procureurs, Deur ende Kamerwaerders vande Collegien, Hove ende Reeckenkamer,   Gr. Placaetb. 1, 2810 [1622].
De camerwaerder … bood ons aen, dat wy mochten binnen comen; in d'andere camer was niemant, soo leyd hy ons in Sijn Hoogheits slaepcamer,   in Bijdr. Hist. Gen. 18, 349 [1651].
Kamerwand (I, 2, a), wand, een der wanden, van eene kamer.
Langs drie der kamerwanden niets dan boekenrijen,   WATTEZ, Jonge H. 31.
Kamerwand (III, 3, c). De wand der kamer van een vuurmond of van een geweerloop.
Indien … bij het schot de grens van veerkracht van het metaal overschreden is, op het oogenblik dat de aansluiting aan den kamerwand verkregen wordt, zoo enz.,   WAKKER, Artill.-Wetensch. 291.
Kamerwant (III, 2, e), zeker vischtuig, gevormd door fuiken en schutwant (BOEKENOOGEN 999; 1323).
Kamerwater (III, 1, d), vocht in de oogkamers.
Kamerwerk (I, 2, a), werk, handwerk — in de aanhaling verfwerk — aan eene kamer; verg. buitenwerk enz.
Voor kamerwerk bestaan de twee laatste lagen grondverf uit zinkwit,   V.D. KLOES, Verver 107 [1908].
Kamerwerk (II, 1, b), werk van (de leden van) eene rederijkerskamer.
De Kamerwerken van 't fyn Rederykerdom Verrukten myn gemoet,   POOT 2, 87 [c. 1725].
Kamerwet (II, 1, b), wet, verordening, regel, van eene rederijkerskamer.
Het toneel wierdt, naar hun' kamerwetten, Ontslooten op 't geluit en steeken der trompetten,   ROTGANS, Poëzy 666.
Kamerwijf (I, 2, c), mnl. camerwijf, kamerjuffer, kamenier.
Meynen ende maecken hare rekeninge van altijdts met die camer-wijfs uyt die heymelijcke slaep-camer ghesloten te blijven,   ZACHMOORTER, Bruydeg. bedd. 1, 213.
Kamerzetel (II, 3), zitplaats in eene Kamer van volksvertegenwoordigers, plaats als lid van zulk eene Kamer; vandaar: lidmaatschap van zulk eene Kamer.
Het bezetten, het veroveren van Kamerzetels (bij de verkiezingen).   poëem WNT
Kamerzijde (I, 2, a), de naar de kamer toegekeerde zijde van iets (eene deur enz.).
Kastof bedsteedeuren en … schotwerken, die aan de kamerzijde behangen zullen worden,   BERGHUIS, Betimm. 97.
Kamerzindelijk (I, 2, a), bnw. Van huisdieren (honden). De kamers niet meer bevuilende.
Te koop: Barsoi, een jaar oud, zeer trouw, waaksch, kamerzindelijk,   Uit een dagblad.
Kamerzon (I, 2).
De koesterende kamerzon (het haardvuur),   HASEBROEK, W. en Dr. 119.
Kamerzot (II, 1, b), kamernar (zie ald.): PRUD. V. DUYSE, De Rederijkkamers in Nederl. 1, 60.
Aanm. 1. Aan Hoogduitsche woorden ontleend, of naar Hd. voorbeelden gevormd, zijn woorden als kamerbassist, kamerfluitist, kamerpianist, kamerviolist, kamervirtuoos, enz.; ook kamerjager (eigenlijk lijfjager; bij ons, evenals in 't Hd., gebruikelijk voor: ratten- en muizenvanger)
kamertheater (FALCK, Br. 131). Het eerste lid kammer- in de overeenkomstige Hd. woorden wordt in het D. Wtb. omschreven als ”alles was zur unmittelbaren umgebung des fürsten gehört”; in derg. opvatting kent het nieuwere Nederlandsch het woord kamer niet. De bovengenoemde benamingen komen het meest, doch niet geheel, overeen met Nederl. samenstellingen met hof- (hofpianist en derg.). Verg. KAMERZANGER.
Aanm. 2. Ook kamermuziek, en de daarmede samenhangende termen kamerfluit, kameroctaaf, kamerregister, kamertoon, zijn geen eigenlijke samenstellingen met ndl. kamer-, maar navolgingen van uitheemsche termen; zie bij KAMERMUZIEK.
B) Als tweede lid, in verschillende beteekenissen.
Aalmoezenierskamer, achterkamer, appelkamer, armenkamer, assurantiekamer, badkamer, baskamer, (bassekamer) (Dl. II, kol. 1047), bediendenkamer, benedenkamer, bestuurskamer, biljartkamer, binnenkamer, bodenkamer, boedelkamer, boek(en)kamer, bovenkamer, broodkamer, bruid(s)kamer, bruiloftskamer, burgemeesterskamer, buskruitkamer, catechisatiekamer, charterkamer, collegekamer, consistoriekamer, curateurskamer, curatorenkamer, danskamer, desolate-boedelkamer, dienstbodenkamer, directeurskamer, docentenkamer, doodkamer, droogkamer, eetkamer, electriseerkamer, finantiekamer, folterkamer, geheimkamer, gehoorkamer, gelagkamer, gerecht(s)kamer, gericht(s)kamer, gerfkamer, (garfkamer), gezelschapskamer, gijzelkamer, gildekamer, godskamer, gruwelkamer, hangkamer, hartkamer, hoekkamer, hoofdkamer, hoofdmannenkamer, hoogkamer, huishoudkamer, ijskamer, insteekkamer, jassenkamer, jongeluiskamer, jongenskamer, justitiekamer, kaartenkamer, kaaskamer, kachelkamer, kamkamer, kameraarskamer, kanonkamer, kapiteinskamer, kelderkamer, kerkekamer, kerkeraadskamer, kinderkamer, kleedkamer, knechtskamer, koelkamer, koepelkamer, kofferkamer, koffiekamer, konstabelskamer, kraamkamer, krijgsraadskamer, kruitkamer, kunstkamer, leeraarskamer, leerarenkamer, leeraressenkamer, leerkamer, leeskamer, linnenkamer, logeerkamer, looikamer, machinekamer, mangelkamer, meidenkamer, melkkamer, modelkamer, momberkamer, monsterkamer, muziekkamer, naaikamer, nederkamer (neerkamer), oefenkamer, onderkamer, ontleedkamer, ontvangkamer, oogkamer, operatiekamer, opperkamer, opkamer, paaikamer, pakkamer, pannenkamer, paskamer, passagierskamer, perskamer, pijnkamer, pleitkamer, plunderkamer, poederkamer (poeierkamer), politiekamer, poppenkamer, profetenkamer, pronkkamer, provisiekamer, raad(s)kamer, rariteit(en)kamer, rechtkamer (richtkamer), rectorskamer, redenkamer, rederijkerskamer, rederijkkamer, regentenkamer, regentessenkamer, rekenkamer, rentekamer, revisiekamer, rhetoriekkamer, rijstkamer, roerkamer, rommelkamer, rookkamer, rouwkamer, rustkamer, schatkamer, schepen(en)kamer, schilderijkamer, schilderkamer, schrijfkamer, secreetkamer, senaatskamer, slaapkamer, sluiskamer, smeerkamer, snijkamer, speelkamer, spiegelkamer, spijskamer, spookkamer, spreekkamer, statiekamer, stemkamer, sterfkamer, stoomkamer, strafkamer, strijkkamer, studeerkamer, studentenkamer, tapkamer, telkamer, toiletkamer, tolkamer, torenkamer, treurkamer, trouwkamer, tuinkamer, tusschenkamer, uitpakkamer, vacantiekamer, vergaderkamer, vertrekkamer, voorkamer, voorraadkamer, vroedschapskamer, wachtkamer, wapenkamer, weeskamer, werkkamer, woonkamer, zegelkamer, ziekenkamer, zijkamer, zitkamer, zolderkamer, zweetkamer (in sommige verbindingen alleen in 't verkl. -kamertje): zie die woorden of bij het eerste lid.
In groote heerenhuizen, buitenhuizen, kasteelen, heeft dikwijls ieder vertrek zijn bijzonderen naam (verg. blauwe, roode, vergulde kamer
schilderijkamer enz.). De volgende namen worden aangetroffen in een inventaris van het slot te Vianen (a°. 1685): de bakkamer, confituurkamer, edelluidenskamer, gravenkamer, hofmeesterskamer, juffrouwenkamer, kokskamer, lakeienkamer, maagdenkamer (meechdenkamer, meidenkamer), mattenkamer, meubelkamer, staatjufferskamer. Zie Oud-Holland 1908, 179 vlg.
IJselkamer, Rijnkamer, Waalkamer (I, 1), kamer met het uitzicht op, of gelegen aan den IJsel enz.
De achterkamers der huizen aan de N.-zijde van de Hoogewoerd te Leiden, worden Rijnkamers genoemd.   poëem WNT
Pioenkamer (II, 1), de Rederijkerskamer: De Pioen.
Op de Peoen-Camere binnen Mechelen,   Schadtk., Titel.
Verder komen b.v. nog voor (met de tusschen haakjes aangewezen bet.):
Audientiekamer (II, 2), waar een rechtscollege zitting houdt.
Besognekamer, waar staatslieden vergaderen om te beraadslagen (te ”besogneeren”).
(Kamers), die alle tot Besoigne-kamers dienen,   Teg. Staat d. Ver. Ned. 6, 41  (het Haagsche Binnenhof).
Thans nog de benaming eener societeit op het Buitenhof te 's Gravenhage (verg. GRAM, 's-Gravenh. voorh. en thans 24).
Boerenkamer, burgerkamer (I, 2, a), beide bij WAGENAAR, Amst. 4, 496 b, genoemd onder de tooneelrequisieten van den schouwburg te Amsterdam.
Commissiekamer (II, 2), waar eene commissie vergadert; bestuurskamer.
Conversatiekamer (I, 2), vertrek voor gezellig onderhoud in een hotel, een pension.
Daagschkamer (I, 2), daagsche woon- en zitkamer.
De daagskamer van den Binnenvoogd (in het Tucht- en Werkhuis te Leeuwarden),   Teg. Staat d. Ver. Ned. 14, 128.
Dagkamer (I, 2), huurkamer, tot gebruik bij dag, overdag.
Dagkamer gevraagd.   poëem WNT
Dakkamer (I, 1) of 2), kamer onder het dak, zolderkamer.
Dessertkamer (I, 2), waar het dessert in orde wordt gebracht en gereed gehouden.
Dienkamer (I, 2), van waaruit bediend, gediend wordt (voor de tafel).
Directiekamer (II, 2), waar de directie van eene onderneming, eene maatschappij enz. vergadert.
Domeinkamer (II, 2, b), domaniale rechtbank.
De Heer van R. … had zijn jagt-proces, bij de Benthemsche Domeinkamer met kosten en al gewonnen,   DE WAKKER V. ZON, Steenb. Fam. 2, 203.
Droefkamer (I, 1), voorheen in het Provinciaal Gevangenhuis te Leeuwarden (het Blokhuis), de kamer ”in welke de ter dood verweezen gevangenen hun laatsten leeftyd doorbrengen” (Teg. Staat d. Ver. Ned. 14, 126).
Entree-kamer (I, 1), voorheen in Felix Meritis te Amsterdam, de ontvangkamer voor de leden (WAGENAAR, Amst. 4, 505 b).
Examinatie-kamer (I, 1), de kamer waar de gevangenen werden gexamineerd (ondervraagd), in eene gevangenis te Leeuwarden (Teg. Staat d. Ver. Ned. 14, 123).
Fourneerkamer (I, 1).
De Fourneerkamer van 't Hof … daar de zakken van de processen … ingeleverd worden,   Teg. Staat d. Ver. Ned. 6, 34.
Gastkamer (I, 2), logeerkamer.
Gastcamer. Chambre d'hostes,   PLANT. [1573].
Geldkamer (I, 1), de bewaarplaats van boeken, papieren en geld (in het Aalmoezeniers-weeshuis): WAGENAAR, Amst. 2, 289 a.
Getuigenkamer (I, 1), de wachtkamer voor de getuigen in een rechtsgebouw.
Jan zat op z'n handen op de bank in de getuigenkamer,   BRUSSE, Boefje 104.
Gevangenkamer (I, 1), kamer tot opsluiting van een gevangene of waarin iemand gevangen zit.
Wt mijn gevangencamer desen XXVIII Maert,   M. V. REIGERSB., Br. 58  (zie ook Teg. Staat d. Ver. Ned. 14, 459).
Gevoegkamertje (I, 2), geheim gemak.
Vermits zyn kamer … zeer duister, en de lucht wegens zeker gevoegkamerken boven maten bezwaert zynde, hy enz.,   BRANDT, De Groot 214.
Handelskamer (II, 2, b): Kamer van Koophandel.
Heerenkamer (I, 2), in een boerenhuis (pachterswoning) een vertrek waar de landheer vertoeven of logeeren kan; verg. jachtheer(s)kamer.
Een boerderij met heerenkamer.   poëem WNT
In gestichten ook wel de naam voor de Regentenkamer, of voor het woonvertrek van den gestichtsvoogd (zoo b.v. voorheen in eene gevangenis te Leeuwarden: Teg. Staat d. Ver. Ned. 14, 129).
Hekelkamer (I, 1), in eene gevangenis, het vertrek waar door de gedetineerden (vlas) gehekeld wordt (b.v. voorheen in ”het Blokhuis” te Leeuwarden: Teg. Staat d. Ver. Ned. 14, 131).
Hoogkamer (I, 2), in Vl.-België: opkamer, kelderkamer (DE BO 1076 a [1873]).
Jachtheerkamer (I, 2), vertrek voor den eigenaar van de jacht in de woning van een zijner ondergeschikten.
Jachtopzichterswoning met vier kamers, keuken, kelder, jachtheerkamer en groot achterhuis,   Uit een dagblad.
Kantoorkamer (I, 1—2): WILLEMS, Br. 109 [1831].
Lakenkamer (I, 1), in een gesticht: de bewaarplaats van ”lakens, baaien, karsaaien tot kleeding” (WAGENAAR, Amst. 2, 289 a).
Leenkamer (I, 1), bewaarplaats van de registers der leenen (Teg. Staat d. Ver. Ned. 6, 31: Holland).
Mandi-kamer (I, 1), badkamer (in Neder. Indië): verg. mal. mandi, (zich) baden.
Middelkamer of middenkamer (I, 2), middelste van drie achter elkander gelegen kamers; kamer, tusschen eene voor- en eene achterkamer in; tusschenkamer.
Op de middellcamer,   in Oud-Holl. 1908, 185 b [1646].
Middelkamer (III, 2, f), het middelste deel, de middelste ”kamer”, eener fuik (BOEKENOOGEN 394).
Minutenkamer (I, 1), bewaarplaats van de registers der overleden notarissen (WAGENAAR, Amst. 2, 24 b).
Motorkamer (I, 6), waar de motor staat, in een motor-zeilschip.
Muntkamer (II, 2, b).
De GeneraliteitsMuntkamer … heeft opzigt over alle zaaken, die de Munten deezer Landen betreffen,   Teg. Staat d. Ver. Ned. 1, 336.
Nonnenkamertjes (I, 1), andere benaming voor de ”nonnengaten” (triforiën) in eene kerk (Brouwershaven, a°. 1917).
Oudheidkamer (I, 1), kamer waar plaatselijke oudheden bewaard worden.
De Oudheidkamer in het Stadhuis te X.   poëem WNT
Patentkamer (Dl. XII. kol. 760).
Paterkamertje (Dl. XII, kol. 771).
Pleekamer, bestekamer (V. SCHOTHORST 185).
Pondkamer: ”'t Koorenpakhuis te Dantzik” (HALMA).
Gegeven tot Dantzick in de pontcaemer van 't schip te verponden,   in Econ.Histor. Jaarb. 3, 156 [1569]
 ; zie ook 3, 211.
Poortkamer (I, 1), eene kamer boven een inrijdeur (”Chambre au dessus d'une porte cochère”, HALMA).
Projectielkamer (III, 3, c), de ligplaats van het projectiel in den vuurmond; verg. buskruitkamer (WAKKER, Artill.-Wetensch. 25).
Receptiekamer (I): WILLEMS: Br. 109 [1831].
Reukkamer (III, 1, d), holte in het reukorgaan.
De reukkameren en snotwegen (in den neus van het rundvee),   BERKHEY, N.H. 5, 399 [1805].
Soldatenkamer, chambree.
Statenkamer (II, 2), onder de Republiek, het vergaderlokaal der Provinciale Staten in Utrecht en in Drenthe (Teg. St. d. Ver. Ned. 11, 210; 269; 22, 210). Thans te Utrecht nog als benaming voor een gebouw.
Trèveskamer (II, 2), de zaal aan het Binnenhof te 's-Gravenhage waar het Twaalfjarig Bestand gesloten is; de Trèveszaal (Teg. Staat d. Ver. Ned. 1, 247; 6, 36; 37).
Uitdeelkamer (I, 1), bij de Diaconie (WAGENAAR, Amst. 2, 158 a).
Vautekamer, voutkamer (I, 2), in Vlaamsch-België: kelderkamer, opkamer.
Vautekamer. … De kamer die boven op een keldergewelf (fra. voûte) gemaakt is en waarin men gemeenlijk van uit de keuken opklimt met drie a zes trappen; anders … Vaute …, en Hoogkamer,   DE BO 1076 a [1873].
— Haastig stapte zij door het vertrek, het hoofd van het bed afgewend, en trok de trappen van haar voutkamertje op,   LOVELING, Sophie 33 [1885].
Verkoelkamer (I, 1): Statenb., Richt. 3, 24 [ed. 1688] (verg. Statenb., Richt. 3, 20 [ed. 1688]: eene koele opperzale).
Voogdenkamer, voogdessenkamer, in gestichten, in Friesland: regenten-, regentessenkamer (Teg. Staat d. Ver. Ned. 14, 129; 164).
Voutkamer. Zie hierboven bij Vautekamer.
Vrieskamer (I, 6), besloten ruimte in een schip waar vorsttemperatuur heerscht, tot het bewaren en vervoeren van vleesch, vruchten enz.
Vrijkamer (I, 3), kamer waar gelegenheid gegeven wordt om te vrijen; ”rendez-vous.”
Wijn-huysen, … Vry-Camers, … Sluyp-Winckels, … Ros-Solis-Bancken, … Droncke SletteSchuylingen enz.,   BAARDT, Deugdensp. 132 [1645].
Vuurkamer (III, 2), deel van den stoomketel; vuurhaard (BLY, Zeilvischsl.² 47).
Waterkamer (II, 2), bij VONDEL voor de vergaderkamer van het Collegie der Admiraliteit.
Ghy Raeden, die uw raet ter waterkamer spant (tot deHeeren van de Admiraliteit”),   VONDEL 7, 643 [1658].
Waterkamer (III, 2), deel van een stoomketel, het waterreservoir (BLY, Stoomvischsl.² 47).
— In de bet. I, 14): godskameren, vrijwoningen, b.v. Beyerskameren, Sionskameren, Zuylenskameren, gedeeltelijk nog bestaande stichtingen te Utrecht.
— Vlaamsch baskamer (mnl. bassecamere, geheim gemak; ofra. chambre basse) is aan 't Rom. ontleend (VERWIJS, Taal- en Letterb. 6, 274—275; HESSELING, Tijdschr. 17, 292 vlg.). Voor mnl. stillecamere, geheim gemak (verkort tot stille), verg. ofra. chambre coye.
— Voor de koppel. Binnenskamers, zie ald.
— Samenst. van meer dan twee leden, waarbij het eerste en tweede te zamen het derde lid bepalen, zijn (met -kamer in de bet. II, 2, b): Twee-kamerstelsel, Eerste-kamerlid, en Tweede-kamerlid; voorts Tweede-kameroratie, Tweede-kamerrede (SCHIMMEL, B. v. Omm. 1, 75 [1870]).
— Samenst. afl. (met kamer in de bet. III, 1, d). Tweekamerig (van het hart, bij V. BRAAM HOUCKGEEST, Ontleedk. 2, 94).

Aanvulling bij KAMER

Samenst. Kamerbreed, van tapijten, plafondplaten e.d.: de breedte van een kamer hebbend, den heelen vloer, het heele plafond van een kamer bedekkend.
  V. DALE [1976].
Kamerbrede plafondplaten,   uit een advert. [1969].
Kamercommissie, commissie in de Eerste of Tweede Kamer van de Staten-Generaal die een bep. taakomschrijving heeft.
Een mondeling overleg tussen de betrokken kamercommissies en de verantwoordelijke minister,   O.K.W. Med. 26, 513 a [1962].
Wat de kwestie van de coördinatie betreft heeft zij voortgebouwd op een suggestie van de kamercommissie, die enkele jaren geleden een onderzoek heeft ingesteld naar het militair aankoopbeleid,   O.K.W. Med. 26, 514 a [1962].
Kamerorkest, orkest, ensemble dat kamermuziek speelt.
  V. DALE [1950 ].
— Het Nederlands Kamerorkest. Dirigent: Carlo Maria Giulini Soliste: Teresa Berganza. Mezzo-Sopraan,   O.K.W. Med. 25, 285 a [1961].
Het Nederlands Kamerorkest gaf in mei in het kader van de Maggio Musicale te Florence twee concerten, waarop de Brandenburgse concerten van J.S. Bach werden uitgevoerd,   O.K.W. Med. 25, 518 c [1961].
Kamertapijt, tapijt dat aan de wanden van een kamer wordt gehangen; gobelin.
De vrinden moeten weeten datter nogh veele camers tappyten gemaeckt liggen op alle hoogden en prysen,   in DENUCÉ, Antw. Tapijtk. 127 [1699].
”Camer Tapijten a 21 gld. d'elle tot een totaal bedrag van ƒ 2683-5”, waarop de volgende voorstellingen zullen afgebeeld worden: 1e. Waer Moyses op de Rots slaet, 12½-2/16 el. 2e. enz.,   Oudh. Jaarb. 1926, 2 [aangeh. woorden 1737].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1918.