Koppelingen:
Vorig artikel: KANON III Volgend artikel: KANON V
Etymologie: EWA, EWN

KANONIV

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: kanon

znw. onz.; mv. kanonnen (ook kanons). Ontleend aan fra. canon, en dit aan ital. cannone (eigenlijk: (zware) buis, (dikke) pijp), een vergrootende vorm van lat. canna, riet, pijp, buis. Verg. eng. cannon, skand. kanon, nhd. kanone (in de 17de eeuw canon).
+1.  Oorspronkelijk alleen de naam voor een langen vuurmond of voor de lange of langste soort van vuurmonden; allengs de naam geworden voor alle vuurwapenen die een affait of derg. onderstel vereischen; een stuk geschut. Eigenlijk: de vuurmond alleen; bij uitbreiding: de vuurmond met zijn affuit en verder toebehooren.
2.  In collectieve opvatting (zie ook onder 1, b). (De) kanonnen, (het) geschut.
's Vyands intoght over de Veeluwe, ende stroopen tot onder 't Canon van Naerden,   HOOFT, Br. 1, 370 [1629].
Groot geschal …, oock door 't los branden des Canons,   Holl. Merc. 1652, 102 b [1659]  (bij een feest).
Gent kreech nieu Canon op haer wallen,   1669, 52.
De stadt Bantam …, met canon benoorlijck voorsien,   Daghreg. Bat. 9, 5 [1656].
90 scnoten agter een uit grof kanon,   DE BRUYN, Reizen 2, 25 b [1714].
Aan metaal of yzer kanon ontbrak het niet, zoo dat onze werken daar van wel voorzien wierden,   VALENTIJN, O.-I. IV, 1, 428 a [1726].
Werdende … uijt … het galjoot … ende 't chaloupje … met haer canon gesalueert,   in DE HAAN, Priangan 2, 353.
Dat … op verscheide schepen canon moest gelegt worden, dat niet van 't behoorlijk caliber voor die schepen was,   V. HARDENBROEK, Gedenkschr. 2, 23 [1780].
De quantiteydt en qualiteydt van onse schepen, het canon, ammunitie, … sterkte van manschap enz.,   3, 159.
Nu schieten wy, de Stad ter eer, Nog eens met al 't Kanon,   WOLFF en DEKEN, Econ. L. 3, 125 [1781].
't Kanon van Waterloo Bromt in mijn ooren nog,   DA COSTA 2, 383 [1840].
Dat hij … gewoon was het terrein in persoon op te nemen en zich daarvoor … bloot te stellen aan het vijandelijk kanon,   VEEGENS, Hist. Stud. 1, 227 [1876].
De ”Cesar” … naderde met gunstigen wind tot binnen bereik van het kanon (van den vijand),   V. REES, T. Poland 1, 142 [1867].
Poland hoort nu een tijd lang onafgebroken het kanon spelen, daarna vermengd met geweervuur,   2, 108.
Hier kondigt het kanon geen wreede volkrenmoorden,   J. V. RIJSWIJCK Jr. 1, 11  (bij een feestviering).
3.  Een stuk kanon, mv. stukken kanon, een stuk —, stukken geschut.
D'Engelse Vloot …, 105 Schepen … sterck, … gemonteert met 3840 stucken Canon,   Holl. Merc. 1653, 53 b [1659].
Een Schip …, bequaem tot voeren van 40 stukken kanon,   DE BRUYN, Reizen 2, 5 a [1714].
Eenige stukken kanon,   2, 146 b.
Oorlog-scheepen, voerende 100 stukken Canon,   COMMELIN, Amst. 1223 b.
4.  Voor kanon: bestemd, geschikt voor een of voor het kanon, de kanonnen.
41 voertuigen, waarin ruim 200 schoten en worpen voor kanon en houwitser,   KUYPERS, Gesch. d. Ned. Artill. 4, 20. 52 caissons voor kanon, 20 voor houwitser, 42 voor infanterie, 4, 126.
De bovenliggers der blindeeringen voor kanon,   4, 137.
5.  Enkele malen vindt men kanon als meervoudsvorm.
Dat van Manilla ettelyck canon neffens een compie van 100 koppen derwaerts gesonden was,   Daghreg. Bat. 1, 13 [1624].
De drie ijsere canon (stonden) op de passebaan geplant,   in DE HAAN, Priangan 2, 121 [1679].
+6.  In uitroepen, zegsw. enz.
7.  In overdrachtelijke toepassing op een zwaar persoon, bepaaldelijk op een zwaarlijvige vrouw.
Kanon. Dik, zwaarlijvig vrouwmensch,   CORN.-VERVL. 1793.
Mie is e kanon. E kanon van e wijf,   Ald.
+8.  Als benaming voor een drinkglas.
Afl. — Verg. Kanonneeren, Kanonnier, die bijna als Ndl. afleidingen zijn op te vatten.
Samenst., koppel. enz.
A) Als eerste lid. Kanongebulder, kanonscheut, kanonschoot, kanonschot, kanonskogel, kanonvleesch, kanonnenvleesch, kanonvuur (zie die woorden). — Verg. verder, als verouderd, gewestelijk, niet algemeen bekend of gebruikelijk enz.
Kanon(s)bal, kanonskogel, alleen in Vl. België. Verg. fra. balle (à canon), eng. cannonball, nhd. kanonenball.
Eenen onzer vrienden, die … aan mijne zijde door eenen kanonsbal werd getroffen,   CONSC. 1, 99 a [ed. 1867].
Kanonsballen en kogels vielen op de manschap als een moorddadige regen,   1, 269 b.
Oogen gelijk kanonballen: ”glinsterend en strak” (JOOS [1900-1904]).
Met een paar oogen kerel! geirnde kanonballen!   STIJN STREUVELS, Minneh. 2, 44 [1903].
Kanonbank, barbet (LANDOLT 1, 291 [1861]).
Kanonbatterij, eene batterij welke uitsluitend bestemd en ingericht is voor bewapening met kanon.
De kanon-batterijen, welke tegen de stad werden opgeworpen,   BOSSCHA, Held. 2, 93.
Het kruisvuur der goed bediende kanonbatterijen,   KUYPERS, Gesch. d. Ned. Artill. 3, 37  (zie ook 3, 79).
Kanonbedding (KUYPERS, Gesch. d. Ned. Artill. 3, 111).
Kanonbezopen, kanondronken (verg. hierboven 6, e) en f).
Kanonblindeering (KUYPERS, Gesch. d. Ned. Artill. 4, 138).
Kanonboer (in Vl.-België): kanonnier, artilleriesoldaat (JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL.).
B. Zij is verliefd. … Op eenen soldaat van den trein! M. Op eenen kanonboer! … IJselijk!   SLEECKX 15, 277 [1866].
Kanonboor, zekere soort van zware metaalboor, nhd. kanonenbohrer (KUYPER, Technol. 1, 274); voorts bij smeden een soort van drilboor om een geboord of geslagen gat op te zuiveren of grooter te maken (VUYLSTEKE, Smid 77).
Kanonbrons, geschutbrons (V.D. KLOES, Smid 108 [1908]; V.D. KLOES, Smid 110 [1908]).
Kanondoof, ”zoo doof als een kanon” (of: zóó doof, dat men een in de nabijheid afgeschoten kanon niet hoort?). Verg. hierboven 6, a).
Kanondronken, ”zoo dronken als (een) kanon”; zeer dronken; stomdronken. Verg. hierboven 6, e) en f).
Kanonfries, ringband aan den mond der kanonnen (V. DALE).
Kanongebrom.
Het Turksche kanongebrom,   WITHUYS, Ged. 1, 155.
Kanongedonder.
't Kanongedonder meldt aan 't land Een droeve ramp,   V. ACKERE, Winterbl. 216.
Kanongeknal (V. ZEGGELEN 1, 55 [1838]).
Kanongieter, geschutgieter.
Verbrugge den kanongieter,   V. HARDENBROEK, Gedenkschr. 1, 326 [1769].
Kanongieterij, geschutgieterij.
Kanonhorloge (naar eng. cannonclock): een kanon waarvan de lading door een brandglas ontstoken wordt op 't oogenblik dat de zon door den meridiaan gaat.
't Kanon-horloge … (meldt) straks het middaguur Door middel van een brandglas,   V. ZEGGELEN 3, 44 [1855].
Kanonkamer.
Eene kanonkamer (op een oorlogsschip: De Gelderland), waar geen enkel kanon stond,   in Onze Vloot, n°. 30 (1912), 29.
De dapperen uit de hekbuiskamer, die vlak boven de schroeven sliepen, werden letterlijk weggetrild naar de kanonkamer,   33  (zie ook 36).
Kanonkelder (nhd. kanonenkeller), kazemat.
Canon-Kelder, zie, Casematte,   STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. 90 a [1740]
 (zie ook PASTEURNOOT en LANDOLT 1, 291 [1861]) .
Kanon(s)knal.
Ik (hoorde) van verre doffe kanonknallen,   CONSC. 1, 109 a [ed. 1867].
Daar rolde een donderende kanonsknal in lange golven over den … plas,   1, 316 b.
Kanonkoorts, karonnenkoorts (naar nhd. kanonenfieber; verg. ook eng. cannonfever), de koortsachtige opwinding in of onder het vuur der kanonnen. Veelal gebezigd als een schertsende benaming voor den angst van een nieuweling die voor 't eerst in 't vuur komt.
Kanonkrabber. — 1°. Bij de artillerie. IJzeren halfronde schijf aan een houten steel, dienende tot reiniging van de ziel der vuurmonder. Verouderd.
2°. Op oorlogsschepen: geschutkrabber, zeker touw (zie ald.). Verouderd.
Kanonloop. In de wapenkunde. Zie de aanhaling.
Het kanon … heet, zonder affuit voorgesteld, kanonloop (Fr. tube de canon),   RIETSTAP, Handb. 260.
In goud een roode schuinbalk, begeleid van boven door een kanonloop en van onderen door een snoek, beide enz.,   Ald.
Kanonmetaal (nhd. kanonenmetall) geschutbrons (zie b.v. KUIJPER, Technol. 1, 54).
Kanonpaard.
Niemand sal … tot syn particulieren dienst mogen gebruyken de Broodof Ammunitie-wagens, Canon- en Pontpaarden,   bij DIBBETZ, Milit. Wdb. 100 a [1706].
Kanonprop, prop tusschen of op de geschutlading, om deze beter te doen sluiten.
Kanonproppen worden gemaakt van gesponnen hooi of stroo en doornaaid met bindtouw. Men gebruikt ze: a. als tusschenproppen: … b. als voorproppen,   WAKKER, Artill.-Wetensch. 128.
Kanonnenrij.
Beurtelings aan bakboord en stuurboord donderde uit de geduchte kanonnenrijen (van een fregat met stoomvermogen), snel en met gelijke tusschenpoozen, de groet enz.,   MARGADANT, Aldebaran 3.
Kanonrijder, stukrijder.
3 trein-officieren …, 8 eerste kommandeurs …, 63 kanonrijders, drijvers of voerlieden enz.,   KUYPERS, Gesch. d. Ned. Artill. 3, 179  (zie ook 3, 183).
Kanonslag.
Elke kanonslag gaat ons in het hart (Octob. 1830),   WILLEMS, Br. 102 [1830].
Kanonspijs, kanonmetaal, geschutbrons (LANDOLT 1, 292 [1861]).
Kanonspons, benaming van zekere spons, naar de gedaante.
De zogenaamde Kanon-Spons, … van twee of drie Voeten lang en een Arm dik,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 17, 444 [1772].
Kanonstelling, geschutstelling (PASTEURNOOT).
Kanonnenstrijd, geschutstrijd, artilleriogevecht.
Ik (hield), door het tooneel van den kanonnenstrijd getroffen, … het oog op de batterijen gevestigd,   CONSC. 1, 123 b [ed. 1867].
Kanonstuk, stuk kanon; stuk geschut.
Den ouden Joost … (liet) fris vuur geeven uijt sijn canonstukjes,   in DE HAAN, Priangan 2, 616 [1786].
Dat de Kogels noit in Kanonstuk mogen sluiten; maar … altijd Lugt, of Speelens moeten hebben,   V. YK, Scheepsb. 263 [1697].
Kanonvet, zoo vet als (een) kanon; kanondronken (zie hierboven bij 6, e) en f).
Kanonwagen, vierradig voertuig tot het vervoer van belegeringsgeschut, alsmede voor kleine mortieren met hunne stoelen (LANDOLT 1, 292 [1861]). Verouderd.
B) Als tweede lid. Bomkanon, granaatkanon, schrootkanon, steenkanon, torpedokanon. — Belegeringskanon, bergkanon, kustkanon, scheepskanon, veldkanon, vestingkanon. — Achterlaadkanon, voorlaadkanon. — Jaagkanon, snelvuurkanon. — Armstrong-kanon, Gatlingkanon, Hotchkiss-kanon, Krupp-kanon, Lancaster-kanon, Maxim-kanon, Whitworth-kanon. Enz.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1919.