Koppelingen:
Vorig artikel: KANSUWEEL Volgend artikel: KANT II
Etymologie: EWA, EWN
GTB Woordenboeken: MNW

KANTI

Woordsoort: znw.(m.,v.)

Modern lemma: kant

znw. m., ook vr. genomen, bepaaldelijk in eene bijzondere opvatting (zie beneden bij I, 3) en het volgend art.). Mnl. cant, m. en cante, vr., mnd. kant, m. en kante, vr., oostgeldersch kant, m., en kante vr. (GALLÉE), nnd. kante, kant (nhd. kante, vr.); deensch, zw. kant, eng. cant. Waarschijnlijk ontleend aan ofra. (nog dial. en techn. fra.) cant, can (nfra. champ, als in de champ, op zijn kant), dat van Keltischen oorsprong is (?). Zie nader de bekende etymol. wdbb.
+I.  Rand, in verschillende opvattingen.
Afl. Kantelen, kanteling, kanten, kanter, kanteren, kantig, kenteren (zie die woorden). Verg. ook KANT (III), bnw. en bijw.
Verder komen voor
Kantachtig, kantig (met (scherpe) kanten, in de bet. I, 1).
Sy vergaderden daer vele groote steenen, scherpe cantachtige balcken, ende sulcx al sy van doen hadden tegens beclemminge,   V. SCRIECK, Oorspr. d. Nederl. 128.
Kantelings, bijw. — 1°. Op den kant, op zijde, van den (eenen) kant (JOOS [1900-1904]). — 2°. Zuidn. Op het kantje af, bijna te veel, te laat, te erg enz. (V. DALE).
Kantloos, niet kantig, zonder kanten (I, 1).
Die steen is kantloos, door verwatering zonder kanten   (Friesch Wdb. 2, 38 b).
Koppel., samenst. afl. en samenst.
A) Als tweede lid.
— Met een voorz. als eerste lid. — In bijw. en bijwoordel. uitdr. Bijkant (bekant), bijkans (bekans): zie BEKANT (III), BIJKANS (Dl. II, kol. 2614)
binnenskants (Dl. II, kol. 2718)
overkant, bijw., zie OVERKANT (II).
In znw. Achterkant, binnenkant, bovenkant, buitenkant, ommekant, onderkant, opperkant, overkant, uitkant, voorkant (zie die woorden, of bij het eerste lid). — Ommekantje, heele snede brood, met rondom korst (BOEKENOOGEN 682)
overkant, bovenste rand van een drinkkan (”De kannen … zullen … hebben een penneken twee vingeren breet binnen den overcant van der kannen”, bij GAILLIARD, Keure v. Hazebr. 1, 128 [Hoogwoude, 1456]
tegenkant, tegenzijde van een gedenkpenning (”Een echtaltaar … Zou prijken op den tegenkant”, SPANDAW 2, 101 [1837])
uiterkant, buitenste rand, van een perk enz. (CATS 2, 104 a [1635]).
— Met een vnw. als eerste lid. Zelfkant (zie ald.).
In de uitdr. Aan —, Van weerskanten. Zie WEERSKANTEN.
— Met een bnw. als eerste lid. — In znw. Faliekant (vellekant, velkant), krangkant, wankant, waankant (zie die woorden, of op het eerste lid.). — Bleskant (BOEKENOOGEN 72).
Dwarskant, korte of smalle zijde van iets.
Linkerkant, rechterkant (zie die woorden).
Noordkant, oostkant (oosterkant), westkant, zuidkant (zie die woorden, of bij het eerste lid).
In bnw. en bijw. Volkantig (zie Dl. III, kol. 417)
wankantig (zie ald.).
— Met een telwoord als eerste lid. Achtkant, driekant, vierkant, vijfkant, zeskant (enz.), bnw. (en znw.): zie die woorden. Voorts Achtkantig, driekantig, vierkantig, vijfkantig, zeskantig (enz.), bnw.: zie die woorden.
— Met een werkwoordel, stam als cerste lid. Stootkant (zie ald.)
schootkant, kant van den akker langs een sloot (JOOS 582 a [1900-1904])
toogkant, de kant van eene stof die men aan de klanten laat zien (Loquela 5, 29 [1885])
valkant, hellende kant, schuine kant (DE BO [1873]).
— Met een znw. als eerste lid. — In bijw. Boomkant, boomkantig, bijw. (zie Dl. III, kol. 417)
boschkant, bijw.; zie BOSCHKANT (II)
meskant, bijw. (zie Dl. III, kol. 657; Dl. IX, kol. 602).
In znw. Boomkant, boschkant, duinkant, eikenkant, elskant, graskant, heikant, houtkant, huizenkant, jongenskant, landkant, lichtkant, muurkant, nerfkant, oeverkant, rafelkant, rivierkant, schaduwkant, slootkant, straatkant, tuinkant, vleeschkant, vrouwenkant, wal(le)kant, waterkant, wegkant, windkant, zeekant, zijkant, zon(ne)kant (zie die woorden, of bij het eerste lid).
Verder nog (in de bet. I) of II) in Broekkant, streek der broeklanden; met de afl. broekkanter (Dl. III, kol. 1479)
duimkant, kant voor den duim, tegenover vingerkant, aan den klooversstok (LEVIT.-POLAK, Diam. 204)
geerdkant, de wijdste kant van een kuipershoepel (BOEKENOOGEN 234)
kustkant (”Aan Hollands westelijken kustkant,” BEETS, C.O. 308 [1840])
laagspanningskant (Electrotechn. Woordenb. 67)
nestkant (”de vogel, op den nestkant,” MERCELIS, K. Harp 86)
patroonskant, de zijde van den patroon (”Om het … publiek nu ook eens van den patroonskant in te lichten,” ROBBERS, Gel. Fam. 66 [1909])
reekant, het kanthooi van de greppels, Nav. 19, 304 (Zeeuwsch Vlaanderen), spoelkant, een der deelen van de spoel, evenwijdig aan de ankeras (Electrotechn. Woordenb. 42 a)
vingerkant, kant voor den wijsvinger (tegenover duimkant) aan den klooversstok (LEVIT.-POLAK, Diam. 204)
weidekant, zijde, streek waar de weide is, de weiden zijn (LOVELING, Sophie 351; 424; 448 [1885])
wisselstroomkant (Electrotechn. Woordenb. 74).
Met den naam van een stroom of een water als eerste lid, b.v. in IJkant, IJsselkant, Maaskant, Rijnkant, Vechtkant, Zaankant.
In de bet. II, B, 6) in Manskant, moederskant, vaderskant, vrouwskant.
In de bet. III, J, 1) en 2). Broodkant (zie ald, en verg. voor de uitdr. iemand aan de(n) broodkant komen, ”hem aan zijn boterham komen” (t.w. hem in zijne broodwinning benadeelen): Cornhill's Magazine 1916, bl. 754)
kaaskant (keezekant, SCHUERM. [1865-1870]; TUERL.)
koolkant (SCHUERM. [1865-1870]
kuëlkant, TUERL.), roggekant (ruggekant, TUERL.)
spijzekant (SCHUERM. [1865-1870]), vetkant (TUERL.).
Spaarkant, broodspaarder, gierigaard (DE BRUNE, Bank. 2, 189 [1658]; DE BO 919 b [1873]).
— In werkwoorden. Afkanten (zie ald., en verg. DE BO 27 a [1873])
inkanten, naar den binnenkant afschuinen (BOEKENOOGEN 1320)
opkanten (zie ald.).
Rechtkanten (zie ald.).
B) Als eerste lid. Kantappel, kantbeitel, kanthaak (en kantshaak), kanthout, kanthouwen, kantkoek, kantlaag, kantlicht, kantrecht, kantrechten, kantschrift, kantsteen, kantstuk, kantteekenaar, kantteekenen, kantteekening, kantvisscherij, kantvrucht, kantzuil (zie die woorden).
Verder komen o.a. nog voor (tusschen haakjes is, zooveel mogelijk, aangeduid de bet. van het eerste lid):
Kantakker (I, 4), kantgewende (JOOS [1900-1904]); verg. fri. kanteker, kantikker (Friesch Wdb. 2, 38 a).
Kantbast (II, A, 11). In de droogschuur eener papierfabriek. ”Bast” in de zijrijen, aan den eenen en aan den anderen kant van het ”middelrif” (de middelste rij stijlen). Zie nader BOEKENOOGEN 36.
Kantbed (1, 4), zoombed van een akker (SCHUERM., Bijv. [1883], DE BO [1873]).
De kantbedden van zekere akkers krielen van de Rijders,   DE BO, Kruid-Wdb. 106 a.
Kantbeschikking (I, 10), op den kant (b.v. van een verzoekschrift) aangeteekende beschikking; apostil.
Kantbocht (II, A, 11), buiging naar de (lange) zijden toe.
Kantbogt. Courbure dans le sens de la largeur; Bogt in de rigting van de breedte eener plank of plaat,   TIDEMAN, Wdb. v. Scheepsb. 155.
— Men (moet) de platen van kromme berghouten meer kantbogt (dat is: op- en nederwaartsche bogt, of bogt in de breedte) geven, dat altijd schadelijk of onsterk is,   MOSSEL, Schip 195 [1859].
Kantboek.
Kantboeken, Kasboeken, Eckbücher,   NEMNICH, Holl. Waaren-Lex. 69 [1821].
Kantbrood, kantebrood (II, A, 4), brood dat aan den kant van den oven gelegen heeft en dus een zijkorst heeft (Loquela 7, 36 [1887]; Friesch Wdb. 2, 38 a); kanter; kantje.
Kantdeel (I, 1), deel, volgende op de achterdeel: zie nader BOEKENOOGEN 398.
De kantdelen vertoonen nog wel een kant van den boom, maar zijn niet bles meer,   t. a. pl.
Kantebier (III, L), staartjes bier uit tonnen en glazen, in een vat bijeengevoegd en weer aan de gasten getapt enz. (DE BO 430 a [1873]).
Kant(e)jagen (III, J, 1) en 2), bedelen, schooien, nachtroof plegen (SCHUERM. [1865-1870], DE BO [1873]).
Kant(e)jager, bedelaar, stoute schooier, nachtroover (SCHUERM., Bijv. 146 b [1883]; DE BO [1873]). Verg. Kant(e)jagen.
Kant(en)klauw (II, A, 1), soort van bankschroef met scheefstaanden bek, ten einde, bij horizontale hanteering van de vijl, schuine kantvlakken aan een werkstuk te kunnen vijlen (KUYPER, Technol. 1, 234).
Kantenlikker, gereedschap van den schoenmaker (zie bij LIKKEN).
Kantensteker, zie straks Kantsteker.
Kantfranschje, kanthaagje, kanthoogje (Dl. VI, kol. 1036), soorten van kantjes (III, K), of kantbrood (zie hierboven).
Kantgaarder, bij JOOS [1900-1904], hetzelfde als kant(e)jager (zie hierboven).
Kantgewende, kantgewent (I, 4), ieder akkergewende dat aan een kant paalt; buitenste gewende (JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL. 1794).
Kantgraaf (I, 4). In de veenderij. Gereedschap om de kanten van den legger vast te kloppen.
Kantgras (I, 8), benaming in Noord-Overijsel voor het liesgras; Glyceria aquatica (HEUKELS 113 a [1907]).
Kantgrendel, in den kant (t.w. in de dikte) van een (vleugel)deur ingelaten grendel; verg. Kantschuif.
De deuren … gesloten, de eene deur met zware kantgrendels, de andere met nader te omschrijven slot,   Uit een bestek [1882].
Kanthaag (I, 4), haag van elzen- of ander hout langs den kant van een stuk land.
Tghewas oft den hauw vande canthaghen,   Cost. Vrije v. Brugge 1, 158 [1619].
In het laatste kwartier dezer maand (Februari), doe ik mijn boomen snoeijen, mijne bosschen en kanthagen ruimen, kappen en in mijten stellen,   V. AELBROECK, Landb. 131 [1823].
Kanthamer.
Hamers, waarbij de pen evenwijdig aan den steel loopt, onderscheidt men door den naam van kant- of dwarshamer,   KUYPER, Technol. 1, 179.
Kanthooi (I, 4), hooi van de kanten van wegen, slooten, akkers.
Boeren Wormkruid, … in het grep- of kanthooi op Overflakkee en Goedereede, als werkelijk onkruid te beschouwen,   V. HALL, Landh. Flora 124 [1854].
Kantkerf (III, F).
Kantkerf. … De kerf, die op den kant gemaakt wordt, wanneer het blijkt, dat de kerf op andere plaatsen tot onvoordeelige resultaten zou leiden,   LEVIT.-POLAK, Diam. 190.
Kantklontjes. Zie beneden bij Kantvijg.
Kantlezing (I, 10), op den kant of rand bijgevoegde lezing; ”randglosse.”
Dit kan zeer wel eene kantlezing geweest zijn, die tot verklaring … door eene andere hand daarbij gevoegd was,   V.D. PALM, Sal. 3, 272 [1809].
Kantlid (II, 2), schertsende benaming voor personen die aan de buitenzijde van een societeit mede van de muziek genieten; ”buitenlid” (V. DALE).
Kantlijn (I, 10), lijntje aan den voorkant van een blad papier, om een ”kant” vrij te houden.
Kantmeisje (II, A, 12), meisje dat ”aan den kant” (den jongens- of den meisjeskant) werkt; dat de lokalen aan den (eenen of den anderen) kant (van het gebouw) schoonhoudt enz.
De keukenmeisjes, de kantmeisjes en het kindermeisje (in het Weeshuis te Leiden).   poëem WNT
Kantmes (II, A, 4), soort van klompenmakersmes, om de (binnen)kanten van de klomp af te steken (Loquela 9, 83 [1889]).
Kantnaald (II, A, 1), piramide.
Dus multipliceert men … de Grondvlakte … in Kegels en Pyramiden, of Kantnaalden met het derde Gedeelte van de Hoogte,   STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. 224 b [1740].
Kantregel (II, A, 11), deel van een schoep in een molenrad.
Elke schoep wordt zamengesteld uit twee kantregels, die haaks omgezet zijn en waarvan elke zijde 4 dm. breed is, om daarop en tegen, het plaatijzer en de houten verbreedsels te kunnen schroeven,   KROOK, Molenb. 112 [1851].
Kantribberd (II, A, 1), zekere appel: kantige ribbeling (Dl. XIII, kol. 13).
Kantrij (II, A, 11), op of aan den kant (de kanten) zich bevindende of geplaatste rij.
Een zijdelingsche verzetting van de kantrijen (eener klinker- of keibestrating),   STORM BUYSING, Waterb. 1, 51.
Het verlies aan grond bij deze wijze van aanleg is niet zoo groot als men wel geneigd is te denken, daar de greppels … door de kantrijen geheel volgroeien,   Versl. Landb. 1910, 3, 127  (aardappelteelt).
Kantriool (zie Dl. XIII, kol. 579).
Kantscheur, zeker gebrek in timmerhout (V. DALE).
Kantschol (I, 8), schol die nabij de kust gevangen wordt? (verg. kantvisscherij).
Meest klyne kant schol en zoo wat schelle vis,   Hs. Katwijk, 27 a [1750].
De bewoners der Hollandsche kust geven aan de schol, naar hare grootte, allerlei benamingen, zooals groote schol, groote kantschol, kleine schol, kleine kantschol, groote braad enz.,   SCHLEGEL, Visschen 167.
Kantschop, kantschup; verg. fri. kantskeppe. Werktuig der veenarbeiders bij de hooge veenderij.
Kantschup, wordt gebruikt bij het omspitten, afbonken, veldsligten enz. Greep, dient bij het zwaar afbonken, veenaanzetten enz.,   STEMFOORT, Veengr. 27.
Dat hij … zich arglistig heeft toegeeigend een kantschop, een truffel en een hoosvat,   Alg. Politieblad 1855, bl. 659.
Kantschuif (II, A, 11), op den kant (t.w. in de dikte) van een (vleugel)deur ingelaten schuif.
De schuiven. … Men bezigt dezelve ook bij dubbele deuren …, doch wordt hun dan meer bepaaldelijk den naam van kantschuiven gegeven, aangezien ze doorgaans op den kant der deur worden ingelaten,   PIJTAK 535 [1848].
De kantschuiven hebben een lengte dat men op een gemakkelijke wijze bij dezelve reiken kan,   Ald.
Kantspier, ”in een vaartuig, bij de wang van het schip geplaatst” (WEIL.).
Hondert Kantspieren,   Gr. Placaetb. 4, 644 a [1518].
Hierbij ook het volgende?
1 tonne teer … Een kantspeer … Om mos ende werck … enz.,   Econ. Hist. Jaarb. 3, 275 [1595].
Kantspraak, kanttaal (II, C, 2), een purisme voor: dialect.
Kantspraak of kanttaal,   WINKLER, Oud Nederl. 8.
De Vlamingen gebruiken (als vertaling van dialect) reeds sedert geruimen tijd het woord streekspraak …, of ook kanttaal,   Ald.
Kantstaak, bij smeden: scherpe bolstaak (VUYLSTEKE, Smid 29).
Kantstaander (II, A, 11): ”De buitenste loodrechte stijl eener vergaring. — Fr. Montant de gauche, de droite”, V. KEIRSBILCK, Timm. 207 [1898]. De kantstaanders eener deur zijn de twee buitenste stijlen, waar de regels in verbonden zijn, 208.
Kant(en)steker (I, 4), zeker tuinmansgereedschap, t.w. een stuk staal, in den vorm van een halve maan, aan een houten steel, dienende om het gras van binnen en van buiten langs de perken weg te steken; graskantensteker.
Kantstijl, kantstaander (JOOS [1900-1904]; V. KEIRSBILCK, Timm. 207 [1898]).
Kantstop (I, 3), naaistersterm. Randstop, in tegenstelling met: hoekstop (V. DALE).
De kant- of randstop … kan voorkomen in den zelfkant der stof, of op verschillende wijze langs den zoom,   TEUNISSE en V. D. VELDEN, Vr. Handw. 2, 92.
Kantsuiker. Zie beneden bij Kantvijg.
Kanttaal. Zie hierboven: Kantspraak.
Kantveen, veenoppervlakte, op welke het graven voor het seizoen eindigt.
Het is niet genoeg, dat in het najaar het raauwe of ontblootte kantveen tegen het indringen der vorst en het verzakken beveiligd worde, maar eveneens is noodig enz.,   STEMFOORT, Veengr. 20.
De overige arbeiders verrigten voorbereidende werkzaamheden … of bedekken het raauwe kantveen, waar het graven voor dat saisoen eindigt, weder met enz.,   25.
Kantvijg (II, A, 4), vijg die aan den kant van de korf gezeten heeft en eenigszins beschadigd is; minderwaardige vijg (?). Verg. fri. kantklontjes, minderwaardige kandij
kantsuiker, min of meer beschadigde korstsuiker (kandij) (SCHUERM. [1865-1870]; CORN.-VERVL.).
So achtich ons dynghen al voor cantfyghen,   EVERAERT 278 [1530].
Kantvlak (II, A, 1). Zie hierboven, bij Kantenklauw.
Kantwerker (I, 8).
Kantwerkers …, te Breda: … kaaiwerkers … kaaiboeven,   HOEUFFT, Bred. T. 280.
Kantzaad (II, A, 1) volksnaam voor de hokjespeul; Astragalus glycyphyllus L. (HEUKELS 32 a [1907]).
Van die rubriek (t.w. van de Vlinderbloemigen) komt slechts één geslacht — Kantzaad (Astragalus) — en hiervan al weder slechts ééne soort, het zoetbladige Kantzaad (Astragalus glycyphyllos) bij ons voor,   OUDEMANS, Flora 2, 33.
Kantzak (III, J, 1) en 2), broodzak; bedelzak (SCHUERM. [1865-1870]).
Kantzegen (I, 8), zeker vischtuig.
In de rivier, waar met den kantzegen, de blieknetten en palingfuiken gevischt werd, was de vangst behoorlijk,   Bericht uit Ammerstol.
Kantzijde (II, A, 6), van een stijl, een karbeel enz.: smalle zijde, in tegenstelling met een der platte zijden (HARTE, Molenb. 16 a [1849]).
Kantzode (I, 9), zode om een kant of kanten mede te bezoden.
Kantzoden. Alle randen van kruinen of bermen … te bezoden met plakzoden, met de graszijde naar boven gelegd,   Alg. Voorschr. 1901, § 22.
Kantzurkel (I, 4): ”Te Baarle, enz.Rumex Acetosa L. … vl. Veld- of Wilde Zurkel. — Wordt bijzonder gezegd van de gekweekte var. die in de moeshoven, aan de kanten geplant wordt, PAQUE, Vl. Volksn. 180.
Kantzwei, kantzwee (zwaaihaak). Gereedschap van den smid (zie VUYLSTEKE, Smid).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1919.