Koppelingen:
Vorig artikel: KAPEEL Volgend artikel: KAPEL II
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

KAPELI

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: kapel

— gewestelijk en in plaatsnamen nog KAPELLE; daarnaast met den hoofdklemtoon op de eerste lettergreep (alleen nog in plaats-, en daaraan ontleende familienamen) KAPPEL (KEPPEL) —, znw. vr. (in sommige plaatsnamen onz.) Mnl. capelle. Het woord is ontleend aan mlat. capella (een verkl. van cappa, mantel), als naam voor het heiligdom waarin, bij de koningen der Franken, de mantel van St. Maarten als een reliek werd bewaard; vandaar vervolgens in ruimer toepassingen. Verg. gelijkbet. ital. cappella, nfra. chapelle, eng. chapel, nhd. kapelle enz.
Capelle beduidde dus ”manteltje” en naderhand ook het heiligdom, waar de mantel van St. Martinus bewaard werd, ja sedert de VIIde eeuw zelfs elk bedehuis van kleiner afmeting: de heden ten dage meest gangbare beteekenis van het … woord kapel,   SCHRIJNEN, in De Beiaard II, 1, 29.
+I.  Als kerkelijke term enz., bij de RoomschKatholieken.
+II.  In toepassingen, aan de onder I) vermelde beteekenissen ontleend.
Afl. — (Kapelaan en Kapelrij, ofschoon voor ons taalgevoel afl. van Kapel in de bet. I, A, 1) — 3), zijn naar vreemde woorden gevormd: zie de genoemde woorden).
— In de bet. II, 7). Kapellen, ww., (vlas enz.) in kapellen zetten.
De haver kapellen,   DE BO [1873].
Het vlas stond gekapeld,   DE BO [1873].
Samenst. en koppel. — A) Als eerste lid. Kapellenkrans, kapelmeester (zie die woorden). — Verder komen o.a. voor Kapelafschutting (Bouwk. Term. 9)
kapelambt, de dienst in —, de bediening van eene kapel (bij VONDEL 5, 653 [1647] en VONDEL 5, 654 [1647] met betr. tot het heiligdom van Pan; verg. de bet. II, 2)
kapeldeur (VONDEL 5, 643 [1647])
kapeldorp (Tijdschr. v. h. Kon. Aardr. Gen., 2de R., Dl. 37, 258)
kapelhuis, houten beeldsteê, b.v. voor een Maria-beeldje (Loquela 11, 42 [1891])
kapelkoor (VONDEL 8, 392 [1660])
kapeltoren (WAGEN., Amst. 2, 110 a).
— In de bet. I, A, 7). Kapellekensviering, de ”viering” (met verlichting) der O.-L.-Vrouwkapelletjes (te Antwerpen, Gent en elders) op O.-L.-Vr.-Hemelvaart (15 Aug.).
— In topographische benamingen, als in Kapelboom, Kapellenboom, naam van een eik, thans nog van een huis bij 't Kasteel Doorwerth (Geld. Volksalman. 1837, 88; POTT, Aardrijksk. Wdb.²)
Kapelsbrug, plaatsnaam te 's-Gravenhage (naar de voormalige Hofkapel) en elders. Enz.
B) Als tweede lid. Beukskapel, bidkapel, burchtkapel, dakkapel, doopkapel, familiekapel, grafkapel, hofkapel, huiskapel, kelderkapel, kerkkapel, kloosterkapel, koorkapel, kruiskapel, landkapel, rouwkapel, slotkapel, straalkapel, transeptskapel, transkapel, uitvaartkapel, zangkapel, zijbeukskapel, zijkapel, enz. (zie die woorden of bij 't eerste lid, of verg. Bouwk. Term. 9, enz.).
— Verder, in de bet. I, A, 2) of 3):
1°. met den naam van een Heilige als eerste lid, b.v. in St. Agnietenkapel, St. Eloyskapel, St. Joriskapel, St. Olofskapel, St. Pieterskapel, St. Thomaskapel, St. Valentijnskapel, (Onze-Lieve-) Vrouwenkapel. — Verg. daarnaast Reliquiënkapel (V. BLEYSWIJCK, Beschr. v. Delft 157)
Venerabelkapel (CORN.-VERVL. 1795).
2°. met den naam of de aanduiding van een gild of eene andere broederschap als eerste lid, b.v. in Jeruzalemskapel (van eene broederschap van Jeruzalemsvaarders)
Overstenkapel, of Raadskapel (van den Stedelijken Raad, te Utrecht, in de middeleeuwen), smidskapel (van het smedengild)
vischkapel (van de vischkoopers, te Leiden), wijnkooperskapel. Enz.
— In de bet. I, A, 2), met eene bepaling van plaats als eerste lid b.v. in Nieuwezijdskapel, Oudezijdskapel.
— In eenige ongewone samenst., als b.v. Autokapel, tot kapel ingerichte automobiel, voor den velddienst of voor missiedoeleinden (De Beiaart 4, 93)
dubbelkapel, slot- of kloosterkapel met twee verdiepingen (NIEUWBARN, Kerkel. Handwdb. 118)
godskapel (”De bidtspelonck (van Johannes den Dooper) …, een rechte godtskapel, Ten dienst van Jacobs Godt”, VONDEL 10, 26 [1662])
wonderkapel, waar, b.v. door een wonderdadig beeld, wonderen geschieden (”Een overdakje voor het … wonderkapelletje bij de bron”, WATTEZ, Jonge H. 94)
zeekapel (”De zeekapelle …, Ter eere van … Sint Olof”, VONDEL 6, 664 [1655]).
De (nieuwe) Badkapel, te Scheveningen, de naam van een Protestantsch kerkgebouw, in de eerste plaats ten behoeve der badgasten.
— In plaatsnamen. Blauwkapel, Westkapelle (Westkappel), enz.
— In de bet. I, A, 7). Onze-Lieve-Vrouwkapelletje (”Een vogeltje (de kapellevogel) dat … woont … in de houten Onze-Lieve-Vrouwkapelletjes die men in de kroon van … boomen dikwijls hangen ziet”, DE BO 432 a [1873]).
— In de bet. B, 1) Achternoenkapelle, (n)uchtenkapelle (DE BO [1873]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1920.