Koppelingen:
Vorig artikel: KEEP I Volgend artikel: KEEPBOOM

KEEPII

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: keep

znw. vr. Verg. mnd. kêp (vr.), kerf, onr. keipr (m.), mik voor de roeiriem; de nnl. dial. vormen hebben deels ê, deels ē. Zie nader FRANCK-V. WIJK.
+1.  Kerf, groef, gleuf, sleuf.
+2.  Kerf, snee (snijwond) met een mes, in het menschelijk of dierlijk lichaam; ”jaap”.
Aelwerige Arent, die trock het ierste mes …, Maer Brangt van Kaallenes, Die nam een greep, hy kreegh een keep, Mit noch een boer vijf ses,   BREDERO 3, 220 [161.].
J., zyn mes trekkende. Staa vast dan. C., mede het ruintje van stal haalende. 'k Wykje niet een haer. J. Let op die keep. (Zy snyden naêr malkanderen). C. Dat 's mis. maar, dezen Die zal veel beter raakes wezen,   ALEWIJN, J. Los 23 [1721].
Wy snedense (de roovers) wakkere keepen in haer versenen, of tusschen de spanpeesen der hielen …, en regen daar een goet touw door, waar mede wy haar … met den kop nederwaarts, ophingen,   STRUYS, Reysen 358 [1676].
In zodanig een geval (t.w. bij 't bekkesnijden) een keep, een jaap, of eene sneede in de wang te krygen, rekende men niet tot schande voor den geenen die ze kreeg, schoon 't hem, die ze gaf, ter eere strekte,   BERKHEY, N.H. 3, 530 [1773].
+3.  Kerf, schrap, schreef, in de uitdr.
4.  Kier, reet, spleet. Slechts enkele malen aangetroffen.
De schrille mensch trilt (bij een dreigend onweer) als een blad, … en waagt Het naauwlyks door een keep der toegeslooten deuren Zyn oog te wenden na de zwarte wolken baan,   BRENDER A BRAND., Taal-, Dicht- en Letterk. Kabinet 4, 330. 'T was winter en de koude neep, … De wind blies fel door kier en keep, J. A. MOLSTER, in Alb. d. schoone Kunst. 1851, 32.
Afl. Kepen. — 1°. Een keep (in de bet. 1) maken.
Kepen. Eene keep zagen, kappen of uitbeitelen in een stuk hout,   V. KEIRSBILCK, Timm. 215 [1898].
2°. Van een keep of van kepen voorzien.
Keep, of kerf: waar van keepen, inkeepen, kerven, inkerven,   V. WINSCHOOTEN, Seeman 103 [1681].
3°. Met kepen inwerken.
De gordingen worden tegen de beschoeijngspalen gekeept, en daarmede door een schroefbout verbonden,   Alg. Voorschr. 1901, § 213.
Inkepen (zie ald.)
uitkepen (”Het uitkepen der treden rondom den boom”, BERGHUIS, Betimm. 292 (bij trappen op keepboom)
verkepen (met de afl. verkeping, b.v. in ZWIERS 1, 561 a [1917]).
Samenst., als eerste lid, in de bet. 1).
Keepblok.
Het inheien (van damplanken) geschiedt met de noodige voorzorgen, zoodat de planken na de heiing mesdicht ineensluiten, en van alle zijden te lood staan. Daartoe wordt zoo noodig een tijdelijke sloof gebezigd en worden de kespen met het noodige aantal keepblokken en wiggen voorzien,   Alg. Voorschr. 1901, § 201.
Keepboom, tredevormig uitgesneden trapboom.
Keepboom. Trapboom, waarbij de treden niet in den boom worden ingelaten, doch op den boom worden bevestigd,   ZWIERS 1, 610 b [1917].
— Trappen op keepboom … onderscheiden zich hoofdzakelijk door den vorm der boomen en de daarmede veranderde plaatsing van treden en stootborden,   BERGHUIS, Betimm. 289.
Keephout. — 1°. In stampers en heien van een oliemolen. Uitgekeept blok hout dat als een wig dienst doet om iets vast te leggen. Verg. HARTE, Molenb. 69 b [1849].
2°. Keephoutje, ingekeept houtje, dienende om voorwerpen (platen, prenten, waschgoed) op een uitgespannen lijn te bevestigen, vast te klemmen; klemhoutje; nijphoutje.
3°. Muurplaat.
Muurplaat, … waarop de kepers van een dak rusten. … In N.-Nederl. ook Drempelstuk, keephout, raamhout enz.,   V. KEIRSBILCK, Timm. 289 [1898].
Keeplat. — 1°. Ingekeepte lat tot steun van de woutermannetjes die de planken van een kast moeten dragen (verg. V. KEIRSBILCK, Timm. 214 [1898]).
2°. Aan sein- of beveiligingstoestellen bij de spoorwegen. Beweegbare lat, voorzien van kepen welke naar gelang van den stand der lat al of niet correspondeeren met openingen in schijven of stangen (ZWIERS 1, 611 b [1917]).
Keepnaald. Benaming voor eene soort van zeehoorn, ”met een kleine keep aan den hoek van den mond” (RUMPHIUS, Ambon. Rar. 101).
De lichte Moeras-naald, of de Keep-naald,   VALENTIJN, O.-I. IV, 1, 525 b [1726].
Keepwijs, bijw.
Een muere van hare huysingh …, die … maer een mans lengde hooch en zyn, maer en dede het Dack dat keep-wijs om hooch staet, men soude in hare huysen niet gaen connen sonder neer te bocken,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 5, 33 a [1602].
— Als tweede lid. Achterkeep, de keep achter de schenen van de rol in een papiermolen (BOEKENOOGEN 10).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1923.