Koppelingen:
Vorig artikel: KERKMARE Volgend artikel: KERKMIS
GTB Woordenboeken: MNW

KERKMEESTER

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: kerkmeester

znw. m. Mnl. kercmeester; noord-eng. kirkmaster (eng. churchmaster); hd. kirch-, kirchenmeister. Uit Kerk en Meester, beide in verschillende opvattingen.
+A.  Kerk in de bet. I, B) en Meester in de bet. I). Iemand wiens ambt of wiens taak het is te zorgen voor de belangen van de kerk, t.w. van het kerkgebouw en wat daartoe behoort.
B.  Kerk in de bet. II, II) en Meester in de bet. 6). Man van aanzien en gezag in de Kerk. Alleen op de volgende plaats.
Verbeuren nu zulcke groote kerckmeesters (Du Bartas e. a.) niet, die … Godts bruit, de kerck, by der hant neemende, met haer de Spaensche pavane dansen: en durf men zoo terstont den tooneelisten den danssenden droes op het lijf schenden en hen enz.   (Tooneelschilt), VONDEL 6, 323 [1661].
Afl. (in de bet. A) Kerkmeesterschap, kosterschap, het kostersambt (”Kercmeesterschap bedienen. Garder le temple, faire l' estat d'un margueiller”, PLANT. [1573]); het ambt van kerkmeester, A, 2), of kerkvoogd (”Dat van geene Benefecien, Officien ofte Fonctien …, oock Kerck ende Armmeesterschappen … en sal vermogen gedisponeert te worden, ten zy enz.”, Vl. Placcaertb. 4, 23 [1699]; ”Om mij te benoemen tot Kerkmeester der Eilands-Kerk, wordende … zoodanig kerkmeesterschap beschouwd als de eerste stap enz.”, in J. V. LENNEP, Lev. v. D. J. v. L. 1, 20).
Samenst. (in de bet. A, 2, e) Kerkmeestersgestoelte. de zitplaats der kerkmeesters in de kerken (”De Heer … van Waveren …, sich plaetsende … in kerckmeesterengestoelte”, BONTEMANTEL, Reg. v. Amst. 1, 131; ”De Regenten (van zekere gasthuizen) hebben … het voorregt … om, in alle openbaare Kerken deezer Stad, plaats te mogen neemen in het Kerkmeesters-gestoelte”, WAGEN., Amst. 2, 248 b)
kerkmeesterskantoor (”In 't Kerkmeesters Comptoir hangt een Wapenbord der Kerkmeesteren”, WAGEN., Amst. 2, 113 a)
kerkmeestersvertrek (”In 't Kerkmeesters- Vertrek, hangt een zinnebeeldig Tafereel, vertoonende enz.”, WAGEN., Amst. 2, 138 a).
— Als tweede lid (in de bet. A, 2, a) Onderkerkmeester (bij de Buurkerk te Utrecht: zie De Gids 1892, III, 100)
opperkerkmeester (”Met consent van schout, borgermeesters deser stadt Utrecht, als opperkerckmeesters (van de Buurkerk)”, Uit a°. 1597, bij V. LIEFLAND, Utr. Oudh. 49).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1924.