Koppelingen:
Vorig artikel: KHAKI Volgend artikel: KIATENBOOM

KHAN

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: kan

CHAN (CHAM) —, znw. m.
Perz. en arab. (beide ontleend) khan, heer, vorst. Oostersche (Tartaarsche) titel, oorspronkelijk van onafhankelijke volksgebieders; in later (en tegenwoordig) gebruik voor afhankelijke bestuurders, hooge rijksambtenaren, of zelfs maar hooggeplaatsten.
Den grooten Kan,   Antw. Liedb. 163.
Den grooten Cham,   VONDEL 6, 162 [1653]
 ; VONDEL 10, 494 [1667].
De valkmeester van den Cham,   DE BRUYN, Reizen 2, 93 a [1714].
Den Chan of Gouverneur der stadt,   DE BRUYN, Reizen 2, 101 a [1714].
De Chan regeert hier als een Koning,   DE BRUYN, Reizen 2, 103 b [1714].
Beglererbegi, dat zoo veel is, als Chan over de andere Chans,   DE BRUYN, Reizen 2, 103 b [1714].
Een Visier … Welke waardigheid in Persie minder is dan die van Chan, die weder zwichten moet voor een Begelerbie,   DE BRUYN, Reizen 2, 130 b [1714].
  CHOMEL, Verv. 3806 b [1790].
Afl. Khanaat, gebied van een Khan; stand of waardigheid van een Khan.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1926.