Koppelingen:
Vorig artikel: KIP III Volgend artikel: KIP V
GTB Woordenboeken: MNW

KIPIV

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: kip

— vroeger KIPPE —, znw. (thans vr.) Mnl. kip (VERDAM 3, 1444), onz.; kippe (keppe), kip (STALLAERT 2, 69 a); mnd. kip; noorsch kippe (AASEN 351 a; ROSS 390 b; verg. FRITZNER 2, 284 a). Band (b.v. van gevlochten teen) of hoepel, die een zekere hoeveelheid van de een of andere soort van koop- of handelswaar bijeenhoudt; vervolgens de hoeveelheid van die waar welke door zulk een band wordt bijeengehouden. Bij KIPPEN (VII), pakken, omvatten, vangen: verg. KIP (V), val, knip.
1.  Van dierenvellen of -huiden (hetzij behaarde huiden, mnl. ruware, ruwe waar, of geschoren vellen, mnl. clippinc). Zooveel van zulke vellen of huiden als er in een kip gaan, als een kip bevat.
Van elker scimmeesen dat men heet een kip, ruware, dats te verstane reevelle, hertsvelle, bucsvelle iof zeghevelle drie p. H.,   Hans. Urkunaenb. 3, 175 [, 1358].
Pro quohbet torsello pellium cum pilo, vulgariter dicto kyp ruware, videlicet yrcorum, capriolorum, cervorum, olippinc, vel pehium quarumcumque ferarum in hujusmodi torsello dicto kyp comprehensarum,   bij STALLAERT 2, 69 a [1305].
Van elcken trosseele vellen, die men heet kypenwaer, dats te verstane bocken, herten geyten oft van wat beesten die vellen zyn, die begrepen zyn in een trosseele geheeten kyp,   Ald.
  [1409].
Item ij huyden is een kippe huyden, ende vijf kippen oft x huyden is een deken,   Ald.
  [1551].
een kip Inlandse huyden … 0.10. een kip Deense, Sweetse en Noortse huyden … 0.6,   Handv. v. Amst. 1226 a [1640].
Een kip Hierlandsche huyden,   Utr. Placaatb. 3, 894 a [1645].
Een kip Deensche of Schotsche huyden,   Ald.
2.  Van vlas. Zie VERDAM 3, 1445.
3.  Van lont.
Paquet de méche. Een kippe londt,   AUBIN, Dict. de Mar. 559 [1702].
— Verzoekende dat men … 't vereischte buskruidt en scherp … naar de vloot zou zenden: ook kardoespapier …: voorts eenige kippen lont,   BRANDT, De Ruiter 817 [ed. 1687].
4.  Verzameling van hoepelstokken door een hoepel samengebonden. (In Noord-Holland), Aanteekening uit de 18de eeuw.
+5.  Van visch.
+6.  In oneigenlijke toepassingen.
Afl. Kippen: zie KIPPEN (IX).
Samenst. (als eerste lid). In de bet. 1) Kippenwaar (zie de aanhaling uit het jaar 1409).
— Als tweede lid (in de bet. 5, a) Kipvisch, in kippen gepakte visch.
Een ronde mande vis of Kip-vis — j. schell. … Een duysent Stapel-vis — iij. schell. iv. grooten,   Gr. Placaetb. 4, 650 a [1518].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1929.