Koppelingen:
Vorig artikel: KIPPE(N) II Volgend artikel: KIPPEN IV

KIPPENIII

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: kippen

bedr. en onz. zw. ww. In Vlaamsch-België.
+1.  Eigenlijk. Van koeien. Kalven.
2.  ”In gemeen en gemeenzaam gesprek gezegd voor: baren”, SCHUERM., Bijv. [1883]
Heeft dat wijf al gekipt?   SCHUERM., Bijv. [Brab., 1883].
Samenst. Kipkoe, koe die pas gekalfd heeft
kipziekte, ziekte der koeien na 't kalven; kalverkoorts (DE BO [1873]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1929.