Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: KISSEVISSEN Volgend artikel: KIST II
Gewestelijke variatie: TNZN
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

KISTI

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: kist

— vroeger KISTE —, znw. vr. Mnl. kiste, mnd. kiste (keste), ofri. kiste, ags. cest, cist (eng. chest, noordel.-dial. kist), ohd. chista, mhd. (en nhd.) kiste, on. kista. Vroeg (door middel van den handel, evenals b.v. gelijkbet. ark, en zak) ontleend uit lat. cista (verg. gelijkbet. gr. κστη). In 't algemeen: een van boven met een deksel gesloten of sluitbare vierkante bak of rechthoekige doos, bestemd om er iets in te bergen. In 't bijzonder
+I.  Een stuk huisraad, een huismeubel, bestemd tot berging en veilige bewaring van huishoudelijke goederen, van kostbare zaken enz.: doorgaans een stevige, degelijk —, soms fraai en kunstig bewerkte, vrij diepe, langwerpig-vierkante bak van duurzaam, soms kostbaar hout, of van ijzer, met een vlak of verheven (en dan dikwijls gewelfd), vast (op hengsels of scharnieren draaiend) deksel; dikwijls van buiten, tot versterking of versiering, met metaal beslagen; soms met leder bekleed. Soms de naam (zie straks hieronder bij 5, b) voor een meer op een (laden) kast gelijkend meubel. Voor eene afgeleide bet. (zit-bank, zie hieronder bij V, 4).
+II.  Meubel dat het goed — of goederen — van zeevarenden, dienstbaren, reizigers bevat.
+III.  Schrijn om een lijk in te begraven; waarin een lijk begraven wordt; dood-, lijkkist. In een capelle … hebben wy de kiste gesien, daer 't lichaem van deselve Princesse in besloten is, HOOFT, Br. 2, 409 [1599]. De kist (met het lijk van Maria Stuart) (blijft), van niemand te genaecken, Besloten in de zael, VONDEL 5, 498 [1646]. Het hoofdeneynde van yder kist … sal moeten gespyckert werden aen yder syde ten minsten met ses spyckers, ende het voeten-eynde enz., bij V. MIERIS, Beschr. v. Leyd. 240 a (a°. 1655). Dese doode … was … soo geswollen, dat hem qualijck inde kist hadden konnen krijgen, C. HUYGENS Jr., Journ. 2, 258 [1693]. Indien … eenige Kist … niet digt, maar ondeugend en met Lekkagie gemaakt bevonden wierde, zal enz., Keuren v. Haerlem 1, 111 b [1753]. Twee … Mannen (staan) gereed, die de Roef … op de Kist zetten, BERKHEY, N.H. 3, 1879 [1776]. Hy wrong zyne handen; lag die weder op den rand der kist; staarde enz., WOLFF en DEKEN, Leev. 4, 196 [1784]. Den doffen klank van de kist, die op eene vorige bij het nederlaten plofte, LOOSJES, Lijnsl. 3, 21 [1808]. Misschien nam de Ydeltuit Wat Pronks meê in de kist? STARING 2, 187 [1836]. Er kwam een kist, een lijkkist met de schragen, Het plankenhuis, dat allen toeft, TOLLENS 11, 11 [c. 1850]. Terwijl de kist boven aarde stond, VEEGENS, Hist. Stud. 2, 207 [1884]. Pas … heeft men aan … den doode de oogen gesloten, of zie, daar moet de timmerman besteld om de kist te maken, enz., V. LENNEP, K. Zev. 2, 304 [1865]. Allen gaan met gebogen hoofd. … Op de kist zijn bloemen gestrooid, CONSC. 3, 361 b [ed. 1868]. Nog zie ik den voorsten drager de kist tegen den heuvel optorsen, BEETS, C.O. 291 [1837]. Wanneer hij … de aarde … (zou) hooren op de kist neerploffen, DE VOS, Vl. Jong. 98. Hebben ”zij” achter de kist van uw vaêr geloopen? SCHELTJENS, Wildstr. 61. De kist bedekt … door het zwarte kleed en onder het schuine dakje, V. LOOY, Jaapje 206 [1917]. De kist (van koning Willem III) zal … met het Groot Zegel van het Rijk verzegeld worden door den Minister van Justitie, Ned. Staatscour. v. 30. Nov. 1890, blz. 2 b. Deze graven zullen … niet dan na verloop van volle tien jaren worden geruimd, noch de kisten geschud, Uit het Reglem. v. e. Begraafpl. (a°. 1906).
+IV.  Een eenvoudig, rechthoekig, getimmerte uit meer of minder — of in 't geheel niet — bewerkte planken, met (vast of los) deksel van 't zelfde maaksel, als bergruim voor voorraden of afval, in huis, werkplaats, pakhuis, schuur of stal; of om waren in te pakken.
+V.  In eenige bijzondere of verouderde toepassingen.
+VI.  Bij vergelijking en in overdrachtelijke toepassing.
+VII.  Als technische benaming.
Afl. Kisten (zie ald.). Bekisten, in een kist (be)sluiten (BREDERO 3, 102 [161.]); afl. bekisting, concreet o. a.: betonvorm (ZWIERS 1, 117 b [1917])
verkisten, van de eene kist in de andere pakken (”Dat goedtje dat wort hier … versackt, Verbaelt, verkist, vertont enz.”, BREDERO 2, 117 [1615]).
Samenst. afl. Inkisten, in een kist bergen of besluiten (HUYGENS 1, 535 [1661]).
Koppel. IJzerenkist, (ijzeren) geldkist; brandkast. Zie boven bij I, 4).
Samenst. — Als (in een aantal gevallen alleen in den verkleinvorm -kistje) tweede lid. Aardappelkist, tot berging van den wintervoorraad, of bij een handelaar
aflaatskist, waar 't geld voor aflaten in wordt gestort (VISSCHER, Brabb. 45 [c. 1600])
amfioenkist (Dl. II, kol. 403)
batterijkist (Dl. II, kol. 1077 en V. REES, T. Poland 2, 214 [1867]); bahu (”Bahu, bahu-kiste, bahoele. Arca camerata”, KIL., uitg. V. HASSELT 834 b)
beestekist (”Noahs beestekist”, VONDEL 11, 56 [1667]: de Ark)
betonkist, bij betonstortingen onder water gebezigd (ZWIERS 1, 116 a [1917])
bijouteriekist, voor de bewaring van kleinoodiën (COUPERUS, E. Vere 3, 175 [1889])
boeikist (”Boeikisten.Mooring chests or buoys”, TWENT, Zeem. Wdb. 190 b [1813]); boek (”Boeckiste. Coffre à livres”, PLANT. [1573])
boekenkist, bondkist (zie die woorden)
boonenkist (Dl. III, kol. 450)
boutkist, privaat (TUERL., Bargoensch)
brandkist (zie ald.)
buskruitkist (V. PESCH, Handl. Artill. 8, 222)
cargasoenkist (N.-I. Plakaatb. 4, 5; 113)
celkist, cellokist, voor de (violon)cel
cementkist, om een scheepslek te stoppen (”Het dichten van het gat door een cementkist”, Handelsbl. v. 28 Juni 1928, Ochtendbl., blz. 2 e)
chinaasappelkist, sinaasappelkist, waar sinaasappelen in worden aangevoerd
chirurgijnskist (Dl. III, kol. 2015)
dakkist (Dl. III, kol. 2249)
dekenkist om beddedekens in te bewaren
dekkist, kist op 't scheepsdek
dienkist, de kist met kleeren enz. waar een boerenknecht of -meid mede in zijn (haar) dienst trekt (HERMAN DE MAN, Rijsh. 382 [1924]); dood (zie ald.)
doodemanskist (”Vóór in de duinen … het … kerkhof, waar drenkelingen liggen begraven, van vroeger — waarom het daar Doodemanskisten heet”, HASPELS, Brandaris 150)
doorkist (Dl. III, kol. 2908)
eierkist (Dl. III, kol. 3977)
fouragekist
geldkist (zie ald.)
gereedschapskist
geweerkist (Dl. IV, kol. 2026)
glaskist
Godskist (Dl. VI, kol. 236)
harnaskist (Overijs. Stad-, Dijk- en Marker. 1, 124), verg. harnaston, kistvat (zie die woorden)
harpoenkist (Dl. V, kol. 2260)
haverkist (zie ald.)
hoekkist (Dl. VI, kol. 803)
hooikist (Dl. VI, 1057)
huivekistje voor huiven, vrouwemutsen (”Het kind, stierf zoo jong, dat het in een huivekistje, ”onder den arm”, begraven werd”)
ijzerkist, 1°. voor ijzeren gereedschap (ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 346 [ed. 1727]); 2°. van ijzer gemaakt, ijzerenkist (”coffre fort”, HALMA)
instrumentenkist
juweelkistje (Dl. VII, kol. 591)
kaars(en)kist (Dl. VII, kol. 692)
kaaskist (Dl. VII, kol. 739)
kamferkist, waarin kleeren in kamfer bewaard worden, of (soms) van kamferhout
kardoeskist (Dl. VII, kol. 1610)
kleederkist, kleer(en)kist (zie ald.)
klontjeskist, met kandijklontjes
koekkist (Utr. Placaatb. 3, 895 b [1678])
koperkist, met koper er in; waarin koper verzonden wordt (N.-I. Plakaatb. 4, 209 [1728])
kruidkist, kruidenkist, voor kruid, kruiderijen, specerijen
kruimelkist, bij koekbakkers
kruitkist (Dl. VIII, kol. 464)
ladingskist (V. PESCH, Handl. Artill. 8, 163)
lamoenkist, om deze vrucht in te verzenden (HALMA)
landskist (Dl. VIII, kol. 998)
lavendelkist (Dl. VIII, kol. 1188), en gelijkbet. lavenderkist (BAARDT, Deugdensp. 320 [1645])
lappenkist, om (oude) lappen in te bergen
lenskist (Dl. VIII, kol. 1574)
lijkkist (zie ald.)
lijnwaadkist (Vlaamsch-België), linnenkist
likeurkist, met likeuren er in: likeurkeldertje
linnenkist (HALMA)
lorrenkist
matrozenkist, scheepskist der matrozen (N.-I. Plakaatb. 4, 39; 83)
medicamentkist (VALENTIJN, O.-I. II, 1, 239 b [1724])
medicijnkist (Dl. IX, kol. 370)
meelkist (Dl. IX, kol. 375)
meezekist (Tijdschr. 21, 144)
mijnkist (V. PESCH, Handl. Artill. 8, 151)
monsterkist, met monsters of stalen
mummiekist, beschermend omhulsel eener mummie
munitiekist (Dl. IX, kol. 1237)
naaikist (Dl. IX, kol. 1348)
noodkist, relikwieschrijn dat in tijden van nood wordt ten toon gesteld; noodkas (”De … noodkist, waarin de beenderen van den patroon der stad (Maastricht) bewaard werden”, DE STUERS, in Gids 1873, 4, 366)
offerkist (Matth. 27, 6)
opiumkist (Dl. XI, 882)
oranjekist, met oranjeappelen (HALMA)
overkist (zie ald.)
paaiskist (Dl. XII, kol. 4)
paalkist (Dl. XII, kol. 25: Paalkist, 2°.)
pakkist (Dl. XII, kol. 186)
petroleumkist (Dl. XII, kol. 1424)
pianokist (Dl. XII, kol. 1507)
pistoolkist (Dl. XII, 2007)
plunjekist (zie eerste lid)
reiskist
ringkistje (Dl. XIII, kol. 516)
rommelkist, tot berging van allerlei rommel
schatkist, scheepskist (zie die woorden)
schilderkist, met schildersbenoodigdheden (ROELOFS, Schilderen 32)
sigarenkist (zie ald.)
sinaasappelkist
slaapkist, kist (bank) als slaapplaats (MULLER, Schets. u. d. Middeleeuwen 1, 184)
sleutelkist (WAGEN., Amst. 2, 66 b)
soldatenkist, met kleeren enz. van een soldaat (N.-I. Plakaatb. 4, 39 [1713]; N.-I. Plakaatb. 4, 71 [1887]; N.-I. Plakaatb. 4, 83 [1716])
specerijkist (KUIPERS)
spekkist
spijkerkist
stad(s)kist (Dl. XV, kol. 388; SCHOTANUS, Beschr. v. Friesl. 263 a)
steenkist, houten beschutsel om den looper (bovensteen) in een graanmolen (DE BO [1873])
stijfselkist
strookist (Dl. XVI, kol. 124)
suikerkist (Dl. XVI, kol. 495)
tabakskist waar een rooker zijn tabak in heeft
theekist, 1°. waar men thee in verzendt; 2°. (verkl.): kistje waarin men de thee bij of op het theeblad heeft
timmerkist, met timmergereedschap
tinnekist, waar men 't tinnewerk in bewaart (”In de tinnekist: 9 groote schotels van tin enz.”, in Bijdr. Hist. Gen. 49, 193)
tuimelkist, zitbank (met opslaand deksel) als bergruimte (MULLER, Schets. u. d. Middeleeuwen 1, 184)
verbandkist, met verbandmiddelen
verbondkist, de Arke des Verbonds, de bondkist (VONDEL 3, 87 [1630])
verzamelkist, waar de ontstekingskabels van verschillende mijnen in bijeenkomen (V. PESCH, Handl. Artill. 8, 192; 215)
vijgenkist, waar vijgen in worden verzonden
vioolkist, beschermend omhulsel voor de viool
vlooienkist (”De lombard is een vlooienkist en luizenkast”, bij HARREB. 1, 409 a [1858])
voddenkist, waar men vodden en afval in werpt
voederkist (in vee- en paardestallen)
voorkist, voermanszetel in den Afrik. ossenwagen
vuilegoedskist, vuilgoedkist, vuillinnenkist, voor het gebruikte lijf- en huishoudgoed
vuurkist, om vuurwerk in te bewaren (AUBIN, Dict. de Mar. 144 [1702]); deel van een lokomotief (VERDAM, Mach. 423)
waschkist voor het waschgoed, de vuile wasch
waterkist, ijzeren waterreservoir (”Caisse à eau”, TIDEMAN, Wdb. v. Scheepsb. 420)
weeskist, met bescheiden enz. van eene Weeskamer (Gr. Placaetb. 9, 345 a [1791]; Gr. Placaetb. 9, 348 b [1791])
zeekist (”De groote zeekist (van Adm. De Ruiter); 1°. Een kist van Vader zal.r klederen. 2°. Japonsche dekens, enz.”, in Bijdr. Hist. Gen. 49, 192 (boedelinventaris a°. 1677)
zeemanskist, matrozenkist, zeekist (”De tijd … dat de matrozen … wedijverden, wie het mooiste kleed … op zijn zeemanskist maakte”, LEHMAN, Schoenersch. 72)
zeepkist (seep-kissie, LEIPOLDT, Oom Gert vertel, 44)
zemelkist, naam voor iemands achterste; verg. gruispoort (”Doe quam juyst zyn zemel-kist In 't vallen boven”, V. RUSTINGH 1, 102)
zoutkist (zie b.v. DE VRIES, Westfrie. W. 17), enz.
— Als eerste lid. Kistdam, kiste(n)goed, kist(en)hout, kiste(n)maken, kiste(n)maker, kistenmakerij, kiste(n)pand, kistentuig, kistewerk (zie die woorden).
— Verder (verouderd, plaatselijk of gewestelijk, slechts een enkele maal voorkomend enz.):
Kistbalken, mv., nagemaakt (loos) balkwerk langs de bovenzijde van de wanden van een vertrek, tegen de zoldering (TER LAAN; Friesch Wdb. 2, 55 a).
Kistbeitel, beitel met of zonder klauw, dienende tot het openbreken van pakkisten (ZWIERS 1, 626 a [1917]).
Kistberd, kisteberd, voorwerpsnaam; ook kisteberdel. Elk der beide houten deksels (halve schelen) die in een graanmolen op de kist(e), steenkist(e), liggen en den ”looper” dekken (DE BO [1873]; CORN.-VERVL.).
Kiste(n)berd, stofnaam. Gemeene houtsoort (plankenhout), waarvan doodkisten worden gemaakt (JOOS [1900-1904]; TEIRLINCK).
Mijn … hert, dat hunkert naar den nacht, en 't eenzaam kisteberd,   GEZELLE 6, 300.
Kisteberdel, een der dekplanken van de steenkist(e): kist(e)berd (DE BO [1873]).
Kistebier, sterke drank, die geschonken wordt, als meid of knecht in een nieuwe betrekking de kleerkist haalt (zie GUNNINK).
Kistbreuk.
In noot van kistbreuck (t.w. schipbreuk met de ark (van Noach),   VONDEL 11, 69 [1667].
Kistenbroeders, mv., medebeminnaars van de geldkist, in woordspeling met Christenbroeders; ”broeders in kisto” (zie boven). Verg. hd. kistenbruder (D. Wtb. 5, 858).
Straft dees Christen bruers, Want al eest dat sij hen selven dus misnamen, Ten zijn inder waerheyt niet dan Kisten bruers,   A. BIJNS 190.
Kistbrug, militaire noodbrug, ondersteund door uit kisten bestaande vlotten (V. PESCH, Handl. Artill. 7, 81); fra. pont de caisses (LANDOLT, Dict. Polygl. 29 a).
Kistdeksel.
Kistedoek, grafdoek; lijkwade.
Die sal een kiste-doeck, doch slecht genoegh bereeden, Eer ons den Priester Gods laet sijgen in het graf,   DE VYNCK, Wekel. Verm. 2, 37.
Kistei, mv. kisteieren: eieren, in een kist —, in kisten aangevoerd; uit een of uit de kist, in tegenstelling met versche eieren (MOLEMA; TER LAAN).
Kistenfabriek, fabriek van pakkisten.
Kistengeloof, ”geloof” in de geldkist, tegenover Christen geloof.
Sommige, die meer houden van het Kisten Geloof als van het Christen geloof,   POIRTERS, Mask. 158 [ed. 1688].
(Dat) men in het hof vanden Keyser … alte veel siet op de financien en dat het Christen geloof (gelyckmen seght) aen het Kisten geloof moet wycken,   POIRTERS, Hof. v. Theod. 42.
Kisthalen. — Het kisthalen, het afhalen en overbrengen in den nieuwen dienst van de ”kist” (met lijf- en andere goederen) door een boerenknecht of -meid, ten teeken dat hij of zij ”blijft” (TER LAAN). Verg. fri. kistehelje (Friesch Wdb. 2, 55 a).
Kistharing.
Zoete Haring is licht gezoutene en licht gerookte haring. Hij is ook Bakharing geheeten, soms Kistjesharing,   GAILLIARD, Keure v. Hazebr. 4, 381 b [1899].
Kisthengsels (NEMNICH, Holl. Waaren-Lex. 75 [1821]: hd. ”Kistenhängen”).
Kistkar, kar met planken rondom (verg. KIST, VII, 10): St. Truien (Arch. v. Ned. Taalk. 2, 361).
Kistekleed, kleed tot bedekking van de doodkist; baar-, lijkkleed (Friesch Wdb. 2, 55 a).
Kistenklopper, doodenwekker; spooksel dat gerucht komt maken in een huis waar spoedig iemand sterven zal (JOOS 183 b [1900-1904]).
Kistlade.
Kist-, kast-, koffer- en tafelladen,   Tariefw. 1924 (Stbl. 568), blz. 41.
Kistlap, persoon aan wien op een scheepstimmerwerf het opzicht en beheer is opgedragen over een spijker- en gereedschapskist (aanget. door J. MODERA).
Kistlecht, scharnier of gang voor of van een kist (VUYLSTEKE, Smid 79).
Kistelid, kistdeksel (Friesch Wdb. 2, 55 a).
Kistluik, luik tot sluiting der ”kisten” in de bet. VII, 6) (JOOS 343 a [1900-1904]).
Kistenmaal (te Markeloo): maal ter gelegenheid van 't afhalen van de bruid en haar ”kist”, met kleeren en uitzet.
Het kistenmaal wordt des daags voor de bruiloft gehouden. De bruid wordt dan met volle boeren staatsie ten huize harer wederhelft afgehaald,   Overijss. Alm. 1845, 160.
Kistjesman, varend koopman, zoetelaar, o.a. met bier en jenever in de Rotterdamsche havens.
De meeste bootwerkers … dronken an den wal in de kroegen, waar ze betaald werden, en ze zopen an boord by de kissiesmannen,   HARTOG, Sjofelen 90.
De kissiesmannen dat was de pest,   Ald.
Kistenpers, voor sigarenkistjes (Dl. XII, kol. 1273).
Kistplank, plank om (dood)kisten van te maken.
De wortels (van dezen Boom) …, die zeer veel tot kist-planken gebruikt werden, om dat zy schoon gevlamd, en geaderd vallen,   VALENTIJN, O.-I. III, 1, 216 a [1726].
Ongemeene breede en lange Kist-planken,   III, 220 a (zie ook JOOS [1900-1904]).
Kistplank, bij de tabakscultuur om Nijkerk: plank die over de tabakskisten (zie hierboven VII, 8) wordt gelegd en waarop men gaat zitten om de planten daaruit te kunnen plukken, zonder de jonge plantjes te vertrappen.
Kistenrok, in de Graafschap: ”een kleed van pronk en parade” (aanteek. uit de 18de eeuw).
Kistschroef (voor een doodkist).
Kistslot, slot om een kist met openslaand deksel te sluiten (KUYPER, Technol. 1, 600).
Kistensnijder.
9 gutsen, daermede die kistesnyders steken,   Uit een inventaris, in Gelre 31, 198 (a°. 1556).
Kistspel, spel, spelen (verachtelijk voor: feestelijk gedoe) met de bondkist, de ark des verbonds, der Israëlieten.
Het Jodendom … Dat met de Godsdraght (omgang met de ark) en zijn kistspel … Ons godtheit (Dagon spreekt) … dreight … den hals te breecken,   VONDEL 9, 161 [1660].
Kiststelling, stelling voor de kisten der manschappen in de kazerne (Ned.-Ind.): STORM V. 'S-GRAV., Bouwk. 2, 176.
Kistentobbe.
(De kamfer) wordt … in met lood gevoerde kistentobbens, tubs genoemd … verzonden,   Ned. Handelsmag. 557 b [1843].
Kistverbond, verbond, waar de bondkist bewaarplaats en symbool van is.
De Koningklijcke harp, voor 't heiligh Kistverbont, Zijn voeten (t.w. van David) gaende maeckt,   VONDEL 6, 681 [1655].
Kistjesvet, volksnaam voor plantaardige boter, kunstboter, die men in kistjes koopt; verg. potboter, voor boerenboter.
Kistvisch, naar mal. (tamiel) ikan peti, koffervisch, Ostracion cubicus.
Kist-Visch, omdat hy de gedaante van een kleen kistje heeft,   VALENTIJN, O.-I. III, 1, 358 a [1726]
 (zie ook VALENTIJN, O.-I. III, 1, 386 b [1726]) .
Kistwaarder, bewaarder, bewaker van de geldkist.
Vrecke Prinçen en zijn maer kamerboden en kist-waerders van 't gene zy bezitten,   DE BRUNE, Bank. 1, 393 [1657].
Kiste(n)wagen, de wagen waarop de (kleer)kist van een nieuwen boerenknecht of- meid wordt vervoerd, afgehaald, aangebracht (DRAAIJER; GUNNINK; SCHRIJNEN, Volksk. 1, 172).

Aanvulling bij KISTI

Samenst. Kistkalf, kalf dat direct na de geboorte in een klein hok geplaatst wordt en vervolgens daarin in volledige duisternis gemest wordt met volle koemelk om wit vleesch te verkrijgen.
  V. DALE [1976].
— Mevr. van L. te A. deed ons een verzoek eens iets te schrijven over de weerzinwekkende wijze, waarop kistkalveren worden behandeld. Graag zullen we t.z.t. aan dit verzoek voldoen,   Ons Gezin 7, 139 b [1952].
Een artikel van dr. mr. W.H., handelende over het probleem van de kistkalveren …, waarin de schrijver de vraag stelt: `of durft men in het beschaafde Nederland van 1951 nog de stelling poneren, dat deze gruwelijke dierenkwelling en goddeloze geldzucht een redelijk doel zou hebben? dat om geld alles geoorloofd is?'   O.K.W. Med. 25, 288 b [1961].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1929.