Koppelingen:
Vorig artikel: KLAPKOORD Volgend artikel: KLAPLOOPER
Etymologie: EWN

KLAPLOOPEN

Woordsoort: ww.(intr.,st.)

Modern lemma: klaplopen

onz. st. ww. Wellicht — niet onwaarschijnlijk zelfs — een jonger formatie dan klaplooper (een samenst. afl. van klap en loopen op -er), en bij dit woord later als grondwoord gevormd (verg. voor een zelfde geval de ww. kroeg-, nachtloopen e. a.). Verg. evenwel de uitdrukkingen Met —, en Op de klap loopen, bij KLAP (II), onder III, A, 4, a), waarvoor klaploopen misschien een soort van verkorte uitdrukking is.
+ Het met voordacht aanleggen —, of berekenend aan laten komen op 't kosteloos profiteeren van de tafel, den kelder, het huis, de beurs, of ook van huisraad en goederen (gebruiksartikelen) van zijn vrienden of kennissen, hetzij bij een enkele gelegenheid of als gewoonte; op de klap —, op de schobberdebonk loopen.
Een zieke, rampzalig voorwerp, waar klaploopende vriendschap zich bot op viert,   KNEPPELH. 1, 47 [1841].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1930.