Koppelingen:
Vorig artikel: KLATSCHOOL Volgend artikel: KLATSJOOR

KLATSEN

Woordsoort: ww.(intr.,zw.)

Modern lemma: kletsen

onz. zw. ww. Nhd. klatschen. Verg. ook Klassen (I), en verder kletsen; met beide woorden moet het nauw verwant zijn. Van Klats (II) met -en. In Nederland ongebruikelijk.
1.  Slaan, klappen, klotsen, kletsen.
Klatsen, kletsen, slaan, kloppen …. Men zegt ook: klatschen, evenals in 't hgd.,   SCHUERM. [1865-1870].
— Hun sprake (t.w. der Hottentotten) gaet geduurigh met klokken, als de kalkoensche hanen, klappende, of klatzende over het ander woort op hun mont, gelijk of men op zijne duim knipte, zoo dat hun mont byna gaet als een ratel, slaende en klatsende met de tonge overluit; zijne elk woort een byzondere klats,   DAPPER, Beschr. d. Afrik. Gew. 652 a.
Het plascht, het klatst, het kletst En slobbert door moeras en kreken,   BILD. 1, 181 [1799].
Doch nauwlijks de Hanekamp voorbij, hoorde zij de zware … stappen van Hein al klatsen achter zich aan,   SCHART.-ANT., Sprotje 1, 82 [1905].
2.  Klakken, klappen met een zweep (SCHUERM. [1865-1870]). Men zou het echter ook voor een bijvorm van Klasjen kunnen houden (zie bij KLASJ).
3.  Benaming in de Kempen voor zeker knikkerspel, waarbij de speler rechtop en vlak bij een kuiltje staande eenige knikkers die op de palm zijner hand liggen in één worp in het kuiltje tracht te krijgen (DE COCK en TEIRL., Kindersp. 5, 136 [1905]).
Afl. Geklats (2).
Een Os die … stadigh werd ghedreygt met 't luyd gheklats der zweepen,   VONDEL 1, 479 [1617].
Samenst. Als tweede lid.
Neerklatsen, neerkletteren; verg. gelijkbet. Neerkletsen (Dl. IX, kol. 1696).
De Hagel klatste neer, en maakt' een droef gerucht,   CAMPHUYZEN, Sticht. Rymen 546.
Omklatsen, term in Vl. België bij het bikkelspel, omkeeren, omsmijten (DE COCK en TEIRL., Kindersp. 3, 160 [1903]).
Een-klats-om! Twee-klats-om! (enz.). Dit wordt gezegd al naar gelang er één, twee of meer bikkels tegelijk omgekeerd moeten worden (Ald.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1931.