Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: KLOP I Volgend artikel: KLOP III
GTB Woordenboeken: MNW

KLOPII

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: klop

znw. vr., mv. -pen. Veelal in den verkleinvorm klopje gebezigd. Daarnaast klopzuster waarvan in het onderstaande eveneens voorbb. worden gegeven. Thans, nu er geen of nagenoeg geen kloppen meer zijn, is het woord alleen nog als historische term in gebruik; volgens WINKLER (in Nav. 26, 80) kende men ook in noordelijk Westfalen den naam kloppe. — Benaming (inzonderheid in N.-Nederl.; in Z.-Nederl. bezigde en bezigt men haast altijd kwezel) voor zekere katholieke vrouwen, die, zonder in een klooster te treden, in ongehuwden staat en volgens bepaalde regels een leven ten dienste van haar kerk en godsdienst wenschten te leiden.
—  Omtrent den oorsprong van het woord is niets met zekerheid bekend. Wellicht is klop een afkorting van klopzuster (al is het oudste bekende voorbeeld van het eerste nauwelijks jonger dan dat van het tweede), en mag men dit laatste, zooals reeds KIL. [1599] deed, houden voor een samenst. met Kloppen, B, 5): het zou dan een zuster beteekenen die zich gecastreerd, d.i. zichzelve zuiverheid opgelegd heeft. Dat men bij het geven dezer benaming aan Matth. 19, 12 heeft gedacht (zooals o.a. KIL. [1599] deed) is onwaarschijnlijk: kloppen in den hier bedoelden zin zal wel een woord van het volk geweest zijn, dat ook bij andere benamingen oudtijds ”vulgair en kerkelijk zonder aanstoot of sarkasme” dooreen mengde (zie hierover b.v. V. ALFEN, in Tijdschr. 27, 14); de term klop(zuster) moet dan vervolgens ook in andere kringen ingang hebben gevonden. Tegen andere verklaringen van den naam (o.a. de reeds door WAGENAAR als de gangbare vermelde, dat de klopjes zoo heetten omdat zij door kloppen op de deuren de katholieken ter kerke riepen: zoo nog LAMBERMOND, in Studia Cathol. 12, 352; a°. 1936) bestaan overwegende bezwaren.
Klop-suster. Holl. Virgo templo & rebus sacris dedita: virgo quæ se propter regnum cælorum castrauit,   KIL. [1599].
— Closteren, clopsusteren ende lollarden Mostent alle met gelt ten orlige anvaerden, in   Bijdr. Hist. Gen. 4, 674 [1511].
Doer versoucke van meester Jan Jaepsz priester ende Adriana synre suster clop,   in Ned. Leeuw 7, 9 b  (a°. 1517; Reimerswaal).
Marye thomasdr. verloepen clopsuster … tot leyden,   in Theol. Tijdschr. 39, 147 [1544].
Vrouwpersoonen, genoemt Kloppen, die haere bywooninge ('t en waere misschien ten getaele van 2 oft 3) met elkandre zijn houdende,   HOOFT, Br. 3, 77 [1635].
Ongehoude vrouwspersonen, die men Quesels, Jesuiterssen, Geestelyke dogters, Klop-susteren ofte Kloppen noemt,   Utr. Placaatb. 3, 469 a [1655].
M. R., Geestelyke Dochter of Klop, woonende te Amsterdam,   Gr. Placaetb. 7, 586 a [1743].
Onder de Roomschgezinden, zyn, ook in deeze Stad, eene soort van geestelyke Dogters, die, hier en elders, Klopzusters en Kloppen of Klopjes, en in Brabant, Quezels genaamd worden. Zy woonen egter niet byeen; maar, hier en daar, door de Stad verspreid. Zy doen, wanneer zy zig in deezen staat begeeven, geloften van onthouding aan den Pastoor van hunne Kerke. Sommige dienen, in de Kerken, als Kosterinnen: anderen doen de eene of de andere neering: eenigen houden Schoolen voor jonge kinderen,   WAGEN., Amst. 2, 217 b.
De latere Bagijntjes … zijn naar den hoek van St. Marie verplaatst, waar ik er zelf in mijne jeugd nog eenige gekend heb, onder den naam van klopjes,   BROERS, Utrecht² 75.
—  Bepaaldelijk genoemd in verband met haar devootheid, stemmige kleeding, ongeneigdheid tot het huwelijk, enz.
Een Heremyterse, of Klopje, of iemandt anders, afkeerig van 't Huwelijck zijnde, spreeckt,   CATS 2, 459 b [1655].
Licht' Ael is nu een Klop, en sit staegh in de Kercken,   HUYGENS 2, 433 [1669].
So ghy gheen Klop wilt zijn, maer Bruyt en Vrouw,   V. HEEMSKERK, Minne-kunst enz. 353.
Gy hebt menschen die vyanden zijn van mortificatie, en bespotten de vroomen die daar van hun werk maken …, die daar op Gedigtjes maken, en seggen, wild gy me de wereld afsterven, en een klopje worden?   V. LODENSTEYN, Verv. Christend.² 171.
Wilt gy, dat ik me alleen zal kleeden Gelyk een Klopje,   BERNAGIE, Belach. Jonker 5.
Alzoo stemmig als een stemmige Bagijn, Of als een Klop,   Gem. Parnas-Loof 58.
De Kloppen draagen alleenlyk een zedig zwart gewaad, en een byzonder hoofdhulsel,   WAGEN., Amst. 2, 217 b.
—  In den tijd van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, met name in de 17de eeuw, werd van hervormde zijde vaak geklaagd over de werkzaamheden der kloppen, en nam de overheid meermalen maatregelen tegen haar en haar werk. Zie b.v. de volgende aanhalingen.
Verbieden … de gemelte Cloppen … eenighe Schoolen te holden …, ofte brieven, ofte mont-bootschappen van de andere voorgenoemde Roomsche Geestelycke, tot naedeel van desen Staet, ofte Gereformierde Religie, te draegen,   Geld. Placaatb. 2, 301 [1640; zie ook 2, 528, a°. 1681].
Alle Cloppen … worden … verboden, haer te onthouden, om eenighe Persoonen te exerceren in de Pauselycke superstitie, of andere byeencompsten op eenighe plaetsen te oeffenen,   Friesch Placaatb. 5, 481 a [1643].
Quesels, Jesuyterschen, Cloppen …, niet anders doende … dan allerley soorten van Personen, insonderheyt sieck op het dootbedde legghende, van de Gereformeerde Religie af te trecken, ende tot de valsche … leere des Pausdoms over te brenghen,   bij V. AITZEMA 3, 506 b [1651].
Dat alle Paepsche Scholen …, Catechisatie, ofte onderwijsinge der jeught van Bagijnen in hare Bagijn-hoven van Cloppen, in de particuliere Huysen mogen verhindert ende geweert worden,   3, 508 a  (de komma achter Cloppen behoort vermoedeljk achter Bagijn-hoven te staan).
Soo worden by desen alle sodanige Quesels, Kloppen, Geestelyke dogters, Jesuiterssen, of hoe sy genoemt mogen wesen, die alhier niet geboren zyn, deese Stad ende Vryheyt van dien ontseyt,   Utr. Placaatb. 3, 469 b [1655].
Dat se de cloppen gewennen, om, onder pretext van nayen en hantwercken, de jonghe kinderen de gronden des Pausdoms te leeren,   in KNUTTEL, Acta Partic. Syn. v. Z.-Holl. 3, 114 [1649].
Alsoo de vergaderingen of t'samen-woningen van ongehuwde Vrouws-persoonen, diemen oock Klop-susteren of Kloppen noemt, de gemeene ruste deser Landen seer schadelijck is, ende dat daer inne veel Pauselijcke superstitien ende leeringen, by de Placcaten van de Hooge Overigheyt verboden, gepleeght werden, ende dat daer door de Jonge Jeught van de rechten wegh … geleyt werden, soo werden by dese alle soodanige vergaderingen … verboden, ende … gestatueert, dat geene van de selve Klop-susters buyten haer Ouders huysen, ofte meer als twee in getale, in een huys, of woon-plaetse, by den anderen sullen mogen woonen … Verbiedende mede by desen aen de voornoemde Klopsusteren …, yemant in de … Roomsche Religie te Catechiseren, enz.,   Keuren v. Leyden 238.
Afl. Kloppen, het leven van een klop leiden.
Ick sal my tweemael sweeks van eten gaen onthouwen, Ick sal gaen kloppen meed', en nimmer Echt'lijck trouwen,   BREDERO 3, 67 [161.].
Vandaar of rechtstreeks van klop: klopperij.
Eisch van N. R., schout van Haarlem, tegen M. B., wegens klopperij, aangeh.   in THEISSING, Klopjes 224.
Samenst. Klopbagijn.
De Klop-baginen, die soo seer in 't Landt toe-nemen,   Resol. Holl. 15 Aug. 1629, blz. 148  (Kantt.: Klop-Susters).
Klop(pen)broeder, man die onder dergelijke omstandigheden leeft als een klop. Nog vermeld in GALLÉE.
Alsoo tot onse kennisse gekomen is, … dat soo wanneer de voorsz Predicanten tot Stompwijck zijn gekomen, omme aldaer de goede Luyden inder minne aen te spreecken, veele Klop-broederen ende Susteren, mitsgaders andere Persoonen …, de selve hebben uyt-geguycht, ende door haer gebaer … verhindert,   Gr. Placaetb. 2, 2427 [1655].
Copye van een Klagende Brief geschreven van een eenvoudich Kloppenbroertje aen die Hoogwaerdichste Men Heer Adam Daemen te Keulen,   Titel v. e. pamflet [1709].
Men vindt, ook in deeze Stad, zo wel als elders hier te Lande, manspersoonen, die gelyke gelofte doen als de Klopjes, en Klopbroeders genaamd worden. Doch hun getal is zeer klein,   WAGEN., Amst. 2, 218 a.
Dat (in 1826) sommige ouders door een klopbroêr uit het naburige Langeraar in hunne woning catechismus onderricht deden geven,   SEUTER, in Bijdr. Bisd. Haarlem 22, 22.
Klopkamer, kamer op sommige boerderijen voorheen in gereedheid gehouden tot verblijf van rondgaande klopzusters, die waarschuwden als er een geheime katholieke dienst zou zijn.
Klopjeskleed.
Een plakaat …, waardoor men de verwachting kon koesteren, dat op den duur de Kuilenburgsche klopjes zouden uitsterven; hier werd haar namelijk verboden belofte van zuiverheid af te leggen en het klopjeskleed aan te nemen,   THEISSING, Klopjes 202.
Klopjesleven.
Omgekeerd kwam het ook voor, dat het klopjesleven bepaald verkozen werd boven het klooster,   THEISSING, Klopjes 9.
Er is toch te wijzen op een zekere overeenkomst tussen het klopjesleven-in-vergadering en het eerste begin der actieve vrouwelijke kloosters in ons land,   213.
Klopmaal.
Roomsche Gastmaalen, die opzigt op den Godsdienst hebben, als Doopmaalen, Monniken- en Klop-maalen, dat is der genen, die bereid zyn een Klooster-, of ander ongehuwd leven aan te nemen, en zig daar toe te verlooven,   V. ALKEMADE, Displ. 3, 534 [1735].
Kloppenpoort, benaming van een poort (zie POORT (I), 2, d)) te Haarlem.
Noordelijk naast ”Rodenburch” stond een klein perceeltje en daarnaast lag de Lange- later de Kloppenpoort,   GONNET, in ALLAN, Gesch. v. Haarlem 2, 597.
Klop(pen)-, klopjesschool, school door een of meer klopjes gehouden.
Waerbij een gemene clachte van sooveel cloppenschoolen in ons lant in consideratie is gebraght,   in KNUTTEL, Acta Partic. Syn. v. Z.-Holl. 3, 52 [1647].
Bekend onder den volksnaam van ”Kloppenschool”, bestond en bloeide te Culemborg van c. 1630 tot c. 1725 eene school voor meisjes uit den gegoeden en hoogeren stand,   J. C. ALB. THIJM, in Arch. Aartsbisd. Utr. 37, 326.
Twee of drie godvruchtige ”joffrouwen” hadden leiding en onderwijs der naar haar genoemde ”kloppenschool” in handen; zij zelven werden aangesteld en bestuurd door de Paters der Sociëteit van Jesus,   Ald.
Klopjestipje.
Dat oprechte voorhoofd, nog blanker door het zwarte klopjens-tipjen,   ALB. THIJM, in Alm. v. Ned. Kathol. 1891, 18.
Kloppenvergadering, klopjesvergadering, benaming voor de bijeenwoning van eenige kloppen.
De begijnhoven hadden een zeker gemeenschappelijk bezit, maar evenals in de klopjesvergadering zorgde ieder voor eigen levensonderhoud,   THEISSING, Klopjes 3.
— Als tweede lid. Geuzeklopje.
Zo, zo, dogt ik, dat gaat hier wel, hier zullen buiten twyfel geuse klopjes uit broeyen,   V. EFFEN, Spect. 6, 112 [1733].
Jezuïetenklopje.
De school der Jezuïetenklopjes te Kuilenburg,   THEISSING, Klopjes 200.
Kloosterklopje.
Minnaars-Aanspraak aan een Klooster-klopjen,   Gr. Hoorns Liedeb. 1, 190.
Patersklop.
Jesuitessen, of, gelyk zy in 't Nederduitsch genaamd worden, Paters-Kloppen, zyn een soort van Nonnen of geestelyke Dochters, die omtrent het jaar 1540 haaren oirsprong genoomen hebben,   CHOMEL, Verv. 3446 a [1790].
Men vindt … hier en daar nog eenige van deeze PatersKloppen, inzonderheid in de Nederlanden, als ook te Keulen, Weenen, Praag en Breslau,   CHOMEL, Verv. 3446 a [1790].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1936.