Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: KOP II Volgend artikel: KOP IV
Etymologie: EWN

KOPIII

Woordsoort: znw.(m.)

Modern lemma: kop

znw. m., mv. koppen. Misschien een bijzondere toepassing van Kop (II); men moet dan aannemen dat de bet. 1) zich uit ”hersenpan” heeft ontwikkeld (verg. b.v. lat. testa, pot, > fr. tête, hoofd). Het is echter ook mogelijk dat men moet uitgaan van een germ. *kuppa- met de bet. ”top”; verg. oeng. copp, ”top”, en KOBBE (III). In het laatste geval behoeven de bett. 6—10) niet steeds afgeleid uit —, en dus jonger dan de bet. 1) te zijn.
+1.  Het uitstekende bovenste of voorste deel van een menschelijk of dierlijk lichaam, waarin zich o.a. het tot voedselopneming dienende orgaan bevindt.
+2.  Afbeelding van een kop als onder 1) omschreven.
+3.  In toepassing op voorwerpen voorzien van een kop in de bet. 2, c).
4.  Spijs bereid uit het hoofdvleesch van een geslacht dier, hoofdkaas.
Wij eten dezen achternoen kop,   CORN.-VERVL. 1836.
+5.  In toepassing op personen.
+6.  In toepassing op lichamen en voorwerpen die door hun vorm aan een kop als onder 1) omschreven doen denken.
+7.  Bovenste, in den regel uitstekend, deel van een lichaam of voorwerp.
+8.  Voorste deel, althans een der beide uiteinden, van een langwerpig lichaam of voorwerp in eig. of oneig. zin; zelden ook: elk der beide uiteinden daarvan.
In uitdr. en zegsww. Spijkers (nagels) met koppen slaan (Dl. IX, 1491; Dl. XIV, 2784). — Den spijker (nagel) op den kop slaan (t.a.p.). — Een speld heeft ook een kop (Dl. XIV, 2691).
9.  Bovenvlak van een lichaam of voorwerp.
Op de voorvlakte, die in den drukvorm naar boven uitsteekt, of op den kop der typen, bevindt zich in omgekeerden stand een verheven … letter,   GROTHE, Mechan. Technol. 417 [1879].
J. tuurde in de holletjes en gleufjes die de letters op de kop van het staafje vormden tot hij de letter had,   V. LOOY, Jaap 13 [1923].
Van het werk zijn … 10 ex. gedrukt op Hollandsch papier en buitengewoon fraai gebonden in echt Russisch juchtleder, de boeken kop verguld en gesnoeid,   Uit een prospectus.
+10.  Vlak aan het uiteinde van een langwerpig voorwerp, b.v. van een baksteen, een sigarenkistje enz.
Zuilenbasalt wordt op den kop en haaks op het beloop geplaatst,   Alg. Voorschr. 1901, § 73.
De koppen zijn de kleinste zijden van de steenen,   COOPMAN, Steenb. 39.
Afl. Koppen, koppig (zie die woorden).
— Verder: Gekopt.
Als ghi hoenderen gecopt wilt hebben so moet ghi op v hoeft eenen sack setten metten hoeken opwaert als ghi v eyeren te broeden settet ende die kuken sullen al ghecopt wesen,   Euang. v. d. spinr. Div°.
Kopachtig, 1°. koppig, eigenzinnig.
Ongherust, kop-achtigh, kryghel ende trots,   SURIUS bij DE BO [1646].
Wynige zoo kopagtige als onbedagte menschen,   KEUREMENNE 4, 101.
2°. Van grond. Hooggelegen, zandig (Loquela (Wdb.) [1907]).
Koploos, bij dierkundigen als kenmerk van zekere groepeering der weekdieren.
Koploozen (acephala), die weekdieren welke geen van het lichaam afgescheiden hoofd bezitten,   C. DE JONG, Handwdb. [1869].
Kopsch, 1°. koppig, eigenzinnig. Verouderd.
Hy (is) soo nors neeteloorigh en kops,   KOLM, Jan Tot B 1 r°.
Fy! de boser kopsche wyven, Die, met kyven, Hare mannen wederstaen,   QUINTIJN, Lys e. B. 37.
Daarnaast, als mengvorm van kopsch en koppig, ook kopsig.
Dat eyn ieder den provisoren offte huissmeisters gehorsam soellen syn, goede worden wtgeven nieth wedderspennich rebellich copsych offte wrefelich maken sullen mit worden offte mit wercken,   in HOEFER, Gaasberg 9  (uit het regl. v. e. gasthuis, a°. 1662).
2°. Betrekking hebbende op den ”kop” van een plank of ander stuk hout t.w. het uiteinde of het snijvlak dwars op de vezel; eindelingsch.
Kopsch hout. Kopsche naden. Kopsche snede.   poëem WNT
Vandaar de (steeds met s geschreven) koppeling kopshout, hout dat op het naar den beschouwer toegekeerde vlak de dwarsdoorsnede der vezels vertoont.
Eindelingshout …, ook: Kopshout. De eindvlakken van een plank, rib of balk, waar het hout dwars op de vezel is afgezaagd en men dus bij houtsoorten, waarop deze zichtbaar zijn, de jaarringen kan onderscheiden,   ZWIERS 1, 355 b [1917].
— Voor parketvloeren (kan) kopshout aangewend worden,   V.D. KLOES, Bouwm. 4, 186 [1925].
3°. Betrekking hebbende op een der beide kleinste vlakken van een baksteen.
De kopsche kant van een steen. In een steenen muur metselt men dikwijls om en om een kopsche laag en een streksche laag.   poëem WNT
— Zie voor Koppage ald.
Samenst., samenst. afl. en koppel. Koppensnellen, koppensneller, kopstuk (zie die woorden).
— Verder b. v.: Kopafsnijder. In verschillende toepassingen.
Kopafsnijders had men toen ook al. In 1390 waren de gasten op 't Hof in den Haag verbaasd, te zien, dat een Italiaansche goochelaar ”sinen knecht die kele ontwe sneet en hem weder genas”,   TER GOUW, Volksverm. 32 [1871].
Een bietenrooier-kopafsnijder,   Versl. Landb. 1922, 3, LV.
Kopbal, met het hoofd verrichte stoot tegen een voetbal.
Toen R. met een uitstekenden kopbal den achterstand tot 2—3 verkleinde enz.,   N. Rott. Cour. v. 24 Juni 1940.
Kopband, band aan den kop van een dier of aan het uiteinde van een lichaam of voorwerp, b.v. een gekuipt vat, een bos rijshout, enz.
De kopband is … alleenlijk dit deel dat om den nek of de hoornen der koeien is,   JOOS [1900-1904].
Elke bos (rijshout) rechthoekig op de laagwaterlijn, en met een ter volle lengte ingeslagen staak achter den kopband bevestigd,   Alg. Voorschr. 1901, § 145  (zie ook CORN.-VERVL.).
Kopbank, draaibank, aan het eene uiteinde van een verticale, ronde plaat voorzien, waartegen de af te draaien of uit te boren stukken worden bevestigd.
Kopbeitel, zware beitel om kepen in ijzer te hakken (BOEKENOOGEN).
Kopblaar.
De koproos of de kopblaar. Dit is eene roosachtige ziekte, die vooral het hoofd aandoet en … bij hoogfijne schapen … voorkomt,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 710 [1871].
Kopblad (I), oude naam voor zekere wilde plant, waarschijnlijk de Klaproos.
Kop bladeren, die int Coren staen, ende zijn van maecxsel oft Oel-bloemen waren (wilde Maen-copbloemen),   Koockb. 50 [1599].
Kopblad (II).
Kopbladen noemt men edities van dagbladen of periodieken, welke onder een anderen kop …, meestal aanduidend voor welke bepaalde plaats of streek ze zijn bestemd …, overigens denzelfden algemeenen inhoud hebben als het zgn. hoofd- of moederblad,   Kath. Encyclop. 15, 589.
Het dagblad De Standaard (wordt) met ingang van heden voor acht weken … verboden. Het verbod strekt zich uit tot alle nevenuitgaven, kopbladen en bijvoegsels van elk soort,   N. Rott. Cour. v. 5 Juli 1940.
Kopblok, b.v. bij een takel.
Een kleinen takel …, waarvan a het boven- of kopblok (vioolblok) en b het beneden- of vliegend blok is,   GROTHE, Kennis v. Werkt. 71.
Kopboeier. Verg. beneden kopboot en kopjacht.
Kruispantjallings of kopboeyers,   N.-I. Plakaatb. 10, 515 [1781].
Kopboom, knotwilg. O.a. op de zuidholl. eilanden en in westelijk N.-Brab. (O. Volkst. 1, 210).
Kopboot. Verg. kopboeier en kopjacht.
Stygerschuyt of Kop-boot of Jagt,   in Catal. Gesch. Tent. Ned. Zeew. 1900, blz. 197  (18de eeuw).
Kopborststuk, vert. van cephalothorax, ”bij de geleedpootige dieren, vooral bij spinnen en hoogere kreeften, dat deel van het uitwendige chitineskelet, dat ontstaan is door onderlinge vergroeiing der kop- en borstsegmenten tot één vast geheel” (Kath. Encyclop. 15, 589).
Kopbout.
Kopbouten hebben eene verdikking aan het achtereinde, die bolvormig of plat, en ook wel vierkant wezen kan. Deze kop steekt buiten het overige gedeelte van den bout uit en sluit hem op,   MOSSEL, Schip 91 [1859].
Platte kopbouten …, welke de zijwangen aan de plaat verbinden en van onderen met ingezonken moeren zijn opgesloten,   HAAKMAN, Zee-art. 3, 69 [1871].
Kopbreeksel, kopbreken, kopbrekerij, moeizaam denkwerk, hoofdbreken.
Ze hebben het hard, die heeren … Ze noemen hun werk kopwerk, kopbrekerij. Ik zou ze wel eens in 't spit willen zien staan,   SEGERS, Kemp. Wer. 35 [1917].
Ik heb met da' werk veul kopbreeksel gehad,   CORN.-VERVL.
Zijn lastig jong, dat hem nu al zooveel kopbreken kostte,   HERMAN DE MAN, Rijsh. 135 [1924].
Kopbrug, brug met een hoogen boog.
Kop(je)buitelen.
Kopbuiteling.
Het diertje kan zich verplaatsen …, waarbij het soms volledige kopbuitelingen maakt,   SCHIERBEEK en VALKEMA, Dierk. 299.
Kopdoek.
De wind … doet de panden van haar kopdoek flapperen,   CLAES, Zich. Nov. 44.
Kopdraaibank.
Indien een draaibank alleen gebruikt wordt om stukken van groote middellijn te bewerken …, kan de losse kop ontbeerd worden. De voor zulk werk bijzonder ingerichte banken heeten kopdraaibanken,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 1¹, 474.
Kopdraaistoel.
Van de gewone draaibank verschilt de kopdraaistoel … in stand, aangezien de spil zich rechts van den werkman bevindt,   KUYPER, Technol. 1, 321.
Kop(je)duikelen.
Lach toch 's en maak 's wat leven … Toe, duikel 's koppie, of laten we 's bakkeleien samen!   BRUSSE, Boefje 133.
Kopeind(e). In verschillende toepassingen, al of niet als technische term.
De kop- en voetënden (van dierenvellen),   Handw. 4, 42 [1789].
(Naalden) die, wanneer men ze aan het kopëinde buigen wil, aldaar afbreeken,   13, 244.
(De zijderups) formeert … zig een zijden langwerpig huisje, … dat gelijke dikte aan wederzijden, of kopëinden heeft,   15, 51.
Op de beide kopvlakken of kopeinden van een stuk hout, of wel op het eindelingsch hout, zijn de dwarsdoorsneden van de gezamenlijke vezels … zichtbaar,   KUYPER, Technol. 1, 628.
De door de kopeinden der duigen gevormde randen der vaten (kimmen, kimwerk),   1, 737.
Kopfrees.
Kopfreezen, dat zijn freezen, waarvan de tanden zijn aangebracht in de vlakken, loodrecht op de draaiingsas,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 1¹, 387.
Vandaar: mantelkopfrees (t.a.p.).
Kop(pen)geld, 1°. eertijds benaming van verschillende belastingen, per hoofd geheven.
Resolutie … op de klaghten der Nederlandtsche Koopluyden te Dantzigh, noopende het afvorderen van den hondertsten Penningh en Kopgeldt aldaar (opschrift),   Gr. Placaetb. 5, 1557 [1725].
Dat de jonken, komende van Canton …, daar en boven sullen moeten betaalen het volle koppen geld der manschap, met yder jonk overkomende, teegens 131/2 stuyvers yder kop,   N.-I. Plakaatb. 9, 526 [1760].
Een Hoofd(”kop”-)geld …, naar evenredigheid van den gevoerden staat, het verbruik van brood en meel enz.,   SICKENGA, Gesch. d. Ned. Bel. 2, 281.
2°. Eertijds benaming van het bedrag dat de officier van administratie op een oorlogsschip voor zekere onkosten ten behoeve van de manschappen per hoofd ontving.
De verstrekking van tafel gelden, kajuits-provisien en kop-gelden voor de oorlog-scheepen,   N.-I. Plakaatb. 14, 404 [1807].
3°. Premie op het inleveren van een afgeslagen hoofd.
Toen het koppengeld betaald was, liet K. appèl slaan,   V. REES, T. Poland 1, 252 [1867].
11 Jan. 1636 worden 25 realen voor een kop uitbetaald en wordt het koppengeld en de premie op levende Javanen zelfs verdubbeld,   DE HAAN, Priangan 3, 8.
Kopjesgevend, van een kat: een aaiende beweging met den kop makend.
Wat deed zij (een kat) ook zoo ver van huis, arm kopjes-gevend dier,   R. N. ROLAND HOLST, Bramenzoeker 52.
Zij, lief lacherig, als kopjesgevend met 'r hoofd, vroeg kleverig-zoetelijk enz.,   BRUSSE, Boefje 110.
Kopsgewijs (CORN.-VERVL. 1837).
Kopgewricht.
De geleding van den kop met 1sten halswervel — het kopgewricht,   RIJNENBERG, Paardenk. 9.
Kopgolf.
Kopgolf heet de kegelvormige luchtverdikking, veroorzaakt door de spitstoeloopende projectielen gedurende hun vlucht, gevolgd door een luchtverdunning,   WINKLER PRINS, Encyclop. 10, 674 b.
Kopgreep.
Een ”rustige” drenkeling zal zich met den z.g.n. ”kopgreep” naar den kant laten brengen. De handen van den redder bedekken aan weerszijden de kinstreek van den drenkeling; met den rugslag wordt hierbij de drenkeling naar den kant vervoerd,   V. SCHAGEN, in Handb. d. Sporten 1, 280.
Kophieps, het hoofd omhoog.
De ”dragonders” kwamen er aan …; kophieps, omdat de haren van de ”kolbak” dropen op hun neus en ze anders niet konnen zien,   V. LOOY, Jaap 124 [1923].
Ik probeerde om 'm op te monteren: ”wees toch wijs, dat komt allemaal weer dik in orde … Vooruit! Kop hieps! 't Beteekent immers niks”,   VERHOOG, Havens en Z. 49.
Kophoogte.
De loodrechte afstand van het bovenvlak der wangen (van de draaibank) tot het middelpunt (de as) der spil wordt de kop- of spil hoogte geheeten,   KUYPER, Technol. 1, 307.
Kophout, 1°. elk der beide stukken hout waarin een zoodanige uitholling in aangebracht, dat een liggend vat er met zijn koppen op kan rusten, zoodat de buik vrij van den grond blijft.
2°. Zie de aanh.
Kophout, eenvoudigste ondersteuning in een mijn; bestaat slechts uit één stut, gedekt door een rond of halfrond hout,   Oosthoek's Encyclop.¹, Suppl. 280 a.
Kophuif, helm.
Kop-huyue, top-huyue. Galea, cassis,   KIL. [1588].
— Als de Joden onsen Heere Jesum quamen soeken int Hofken, met … stocken ende staven, ende met stormhoeyen, kophuyven, bakeneelen …, ende alderley ander … duyvels getuyg,   Hist. v. Corn. Adr. 1, 88.
Kopjacht, jacht met een breeden kop, boeier.
Omstreeks het midden der 17de eeuw … noemde men de spiegel-, hek-, kop- en glazenjachten, alle Boeyers,   PHILIPPONA, Zeilen 99.
Koppenkaliber.
Koppenkaliber. Maatijzer, dat gebruikt wordt bij het smeden van bouten met zeskanten kop. De verschillende kopmaten zijn in het kaliber uitgekeept,   ZWIERS [1918].
Kopkei, straatkei met ronden kop.
Stadwaarts dwalen we … over knobbelige kopkeien,   VERHOOG, Havens en Z. 61.
Kopketting: aan het hoofdstel van een paard.
Buikriemen; hamen; kop- en kinkettingen; gebitten; geleiders, en andere dergelijke tuigen hoofdsteldeelen,   Tariefw. 1924 (Stbl. 568), blz. 169.
Kop(je)keukelen, over het hoofd buitelen. In oostelijke dialekten.
Kopklamp.
Kopklamp.  
— Klamp, die op het eindelingshout van eene of meer vereenigde planken wordt bevestigd, ten einde deze samen te houden of het kromtrekken ervan te beletten,   V. KEIRSBILCK, Timm. [1898]
 (zie ook ZWIERS [1918]).
Kopklas(se), schoolklasse voor voortgezet, gewoonlijk lager, onderwijs.
Voor de Meisjesschool der Rotterdamsche Schoolvereeniging … wordt tegen 1 Sept. a.s. gevraagd een Onderwijzeres voor de ”kopklassen”, om in 't bijzonder de lessen in Ned. Taal en Gesch. te geven,   Uit een advertentie a°. 1920.
Koppenklauw.
Koppenklauw. Gereedschap …, dat, in het gat van het aanbeeld geplaatst, den smid dient bij het omwellen van … koppen van bouten,   ZWIERS [1918].
Kopklep: aan sommige motoren.
De plaatsing van de kleppen geschiedt ook wel in den cylinderkop. … Door fig. 29 en 30 welke een langsen een dwarsdoorsnede zijn van een motor met kopkleppen is een en ander duidelijk afgebeeld,   BRAND, Automobiel² 40.
Vandaar: kopklepmotor.
De Skoda 1938 heeft … een sterke kopklepmotor, waarbij het nastellen der kleppen het summum van eenvoud is,   Uit een advertentie.
Kopklier (b.v. Versl. Veearts. Staatstoezicht 1914, 39).
Kopknikker.
Als hulpademhalingsspieren treden op: … 2e de groote kopknikkers (M. sternocleido-mastoideus, twee spieren verloopende van het borstbeen en sleutelbeen naar het beenuitsteeksel achter de oorschelp), die, bij gelijktijdige spanning van de nekspieren, den bovenrand van het sternum en daardoor de geheele borstkas, naar boven trekken,   STUMPFF, Ziekenverpl. 94.
Kopkool, kool waarvan de bladeren een gesloten kop of krop vormen.
Kopkool, sluitkool, kabuiskool, … verdeeld in vier vormen: witte kool, roode …, Engelsche of suikerbroodskool … en de langwerpige, aan den top iets roodachtige sluitkool, welke bij Utrecht kapperkool genoemd wordt,   V. HALL, Landh. Flora 15 [1854].
Kopkussen.
Een stuk van een ouwe overtrek van mijn kopkussen,   WERUM. BUNING 1, 56  (zie ook CORNELISSEN, Bijv.).
Koplaag, 1°. laag steenen in een gemetselden muur, waarbij het kleinste vlak der steenen naar voren ligt.
Het kruisverband, hetwelk, naar het buitenvlak van den muur te oordeelen, uit afwisselende streksche en koplagen bestaat,   STORM V. 'S GRAV., Bouwk. 1, 298  (zie ook CORN.VERVL.; ZWIERS [1918]).
2°. In de waterbouwkunde. Bovenste laag van een rijswerk.
De bewerking (van de afsluiting eener geul) geschiedt beneden laagwater met rijzen zinkstukken van gemiddeld 50 c.M. rijsvulling, en boven laagwater met berm- en koplagen, alles van Hollandsch rijshout,   Alg. Voorschr. 1901, § 151.
Koplading.
Koplading. Laadplaats op een stationsemplacement, waarbij de voertuigen aan den smallen voor- of achterkant kunnen worden geladen,   ZWIERS [1918].
— Breda. De oprit en de koplading der verhoogde los- en laadplaats werden gewijzigd,   Versl. 1898 Raad v. Toezicht Spoorwegd. 53.
Koplamp, lantaarn aan de voorzijde van een automobiel.
Als een tegenliggende auto het felle schijnsel van zijn koplampen in het voorbijrijden niet doofde,   V. D. FEEN, in Gids 1934, 3, 292.
Koplantaarn, hetzelfde als koplamp.
Met ingang van 1 Januari 1939 zullen de koplantaarns van motorrijtuigen … tot een door den minister goedgekeurde soort moeten behooren,   Maasbode v. 21 Febr. 1938.
Koplasch.
Koplasch. Raillasch, waarbij over bepaalde lengte een gedeelte van den railkop wordt weggenomen,   ZWIERS [1918].
Koplast, de diepgang dien een schip van voren meer heeft dan van achteren.
De diepgang bedroeg V. 68 d.M. A. 67 d.M., koplast 1 d.M.,   Onze Vloot 1919, 124.
Vandaar: koplastig. Ook toegepast op vliegtuigen.
Indien het (zeker oorlogsschip) door een treffer lek geschoten is, en daardoor slagzij-, kop- of stuurlastig is geworden,   N. Rott. Cour. v. 28 April 1936.
Het zwaartepunt moet precies onder het drukpunt vallen, anders zal het model koplastig of staartlastig zijn, dat wil zeggen te zwaar aan den voorkant (kop) of … aan den achterkant,   T. Grasmat en Strat. 281.
Koplat.
Worden er geen bepaalde architraven aangebracht, dan wordt de naad, die tusschen het kozijn en het aansluitende muurwerk ontstaat, in elk geval met een geprofileerde lat, koplat … genoemd, bedekt,   BERGHUIS, Betimm. 112.
Kopletter, letter waarvan het bovenste deel boven den regel uitsteekt.
De letterdrukhoogte te bepalen, door een raaklijn te trekken aan de kopletters en ook een aan de staartletters,   V. D. MEULEN, Het Boek 79.
Kopleuver, leuver aan den top van een driehoekig zeil.
De leuver, die in de vereeniging van vóór- en achter-lijk geplaatst is, heet kopleuver, de beide andere schoot- en halsleuver,   PILAAR-MOSSEL, Tuig 329 [1858].
Men … hoekt den val in den kopleuver en zet daarmede het vóórlijk stijf op,   332.
Koplicht, hetzelfde als koplamp.
Dat men door het toepassen van gepolariseerd licht verblindende schijnsels van koplichten zou kunnen vermijden, heeft men zich zeker al 20 jaar lang gerealiseerd,   Radio Expres 1937, 489 b.
Na 10 uur 's avonds tot 1/2 uur vóór zonsopgang zijn geluidssignalen verboden: knippert dan met de koplichten als attentiesein!   Uit een advertentie van den A. N. W. B. [1937].
Koplichten … Moeten voorwaarts beide helder geel of beide helder wit licht uitstralen,   Wegenverkeersregl., Tab. (bij a. 11) kol. II.
Kopluis, hoofdluis (CORN.-VERVL., JOOS [1900-1904]).
Kopmaat, 1°. afmeting van een kop; zie een voorbeeld bij koppenkaliber.
2°. Maat met een kop er op (zie onder de bet. 7, b)).
In Arnhem ontvangt men z.g. strijkmaat …, in Leiden, zooals in andere Holl. plaatsen, wordt z.g. kopmaat gegeven. De H.L. (cokes) weegt in Arnhem ongeveer 32, in Leiden 42 tot 45 K.G.,   Leidsch Dagbl. v. 18 Juni 1913.
Kopmantelriem.
Om den mantel … vóór boven op den rijzadel te bevestigen heeft men den kopmantelriem,   LANDOLT 2, 99 [1862].
Kopmes.
Kopmes … Bij de houtzagerij. Een ijzer met tanden, aan een stang, dat gebruikt wordt bij het zagen van een plaat of een aantal delen,   BOEKENOOGEN.
Kopnagel, 1°. hoefnagel.
Daarheen (t.w. naar de smidse) dreef Pallieter de sleê, om kopnagels in Beyaards ijzers te laten slaan,   TIMMERMANS, Pallieter 157.
2°. Korte nagel met betrekkelijk grooten ronden of vierkanten kop zooals o.a. ter versterking op schoenzolen worden geslagen (CORN.-VERVL. 1837).
Kopnet, vliegennet over den kop van een paard (JOOS [1900-1904]; CORN.-VERVL. 1837).
Kopoord(je), oordje met een ”kop”, een beeldenaar uit den oostenrijkschen tijd (in Z.Nederl.) er op (SCHUERM. [1865-1870]).
Koppan, zeker soort van dakpan; zie de aanh.
Tot verlichting van zolders worden voorheen wel zoogenoemde gaatpannen, gehakte of lichtpannen en koppannen vervaardigd; … laatstgenoemde zijn … van een kapje voorzien, waar in haaks op de richting van het dak of te lood een eenigszins grootere ruit kan worden geplaatst,   V.D. KLOES, Bouwm. 2, 153 [1923].
Koppenpapier (Dl. XII, 395).
Koppeiling.
Koppeiling. Peiling in een Raai, die den kop van twee kribben of hoofden verbindt. Het is dus een soort van kruispeiling,   ZWIERS [1918].
Koppijn, hoofdpijn. In N.-Nederl. alleen als gewestelijke of gemeenzame benaming.
Eindelijk is er rust, de koppijn vermindert,   STIJNS, In de Ton 111.
'k Ben lam, heb koppijn, duizelingen,   BRANDT V. DOORNE, Uit de Gis 89.
Ik vond dat je er allemachtig raar bijzat. Je zei geen woord. — Ik heb ook koppijn, zei K. Ik ben misselijk van de koppijn,   BORDEWIJK, Karakter 212
 (zie ook BEETS, C.O. 198 [1840]).
Kopplaat, 1°. plankje dat op het kopeinde van een balk is bevestigd.
Om kopeinden van balken … tegen de inwerking van het klimaat te beveiligen, is het somtijds wenschelijk daartegen afgezonderde … plankjes te spijkeren. Deze plankjes noemt men kopplaten,   V. KEIRSBILCK, Timm. 233 [1898].
Wanneer de kolommen alleen dienen tot ondersteuning van een muur of balklaag en niet door meerdere verdiepingen opgaan, worden ze … voorzien van een kopplaat van voldoende grootte, welke als oplegging der balken dienst doet,   ZWIERS 1, 647 a [1918].
2°. (Versierde) ijzeren plaat rondom den kop van een kachel. In Z.-Nederl. (JOOS [1900-1904]; CORN.VERVL. 1837).
3°. IJzeren plaat die het uiteinde van een stoomketel vormt.
Koppoot, op Schouwen benaming voor den Bindwilg, Salix viminalis (HEUKELS 224 a [1907]).
Koppootig, bij dierkundigen als kenmerk van zekere klasse der weekdieren.
De orde der Polypslakken, welke men gewoonlijk koppootige weekdieren, Cephalopŏda, noemt,   SCHLEGEL, Dierk. 2, 382 [1858].
Weekdieren bij honderden soorten, koppootigen zoowel als armpootigen en buikpootigen,   T. C. WINKLER, in Gids 1864, 3, 224.
De Koppootigen staan van de Weekdieren verreweg het hoogste en bezitten interessante analogieën met de hoogere Gewervelde dieren,   SCHIERBEEK en VALKEMA, Dierk. 2, 288.
Kopprei (Dl. XII, 3988).
Koprand, rand op de galerij van een schip.
Boven het kopstuk plaatst men nog een' rand, koprand geheeten, welke tot eenen vergaderbak voor het spoelwater dient,   MOSSEL, Schip 210 [1859].
Koprank, dooreengewarrelde rank in den kop van een hopplant (LINDEMANS e.a., Hopteelt 87).
Kopreep, 1°. de bovenste en de onderste hoepel van een vat (QUICKE, Brouwersv. 185).
2°. Zie de aanh.
Kopreep. Touw, waarmee de beenen eener Hollandsche hei bij de elkander kruisende boveneinden worden bijeengebonden.   ZWIERS [1918].
Kopriem: aan het hoofdstel van een paard (V. MOOCK).
Kopring. In verschillende toepassingen: zie de aanhalingen.
1 Kop-Ring, … 1 Draadwerksche Ring, … 1 Paar Pendant-Haaken, … 1 Paar Oorringen enz.   (in een lijst van teekenloonen van gouden zilverwerk), Keuren v. Haerlem 2, 299 a [1751].
Men onderscheidt koepels al of niet met open kop- of topring. De onderste ring, welke de spanten verbindt, heet grondring of voetring, de bovenring heet kop- of lantaarnring,   ZWIERS 1, 643 a [1918].
De vóórvorm (van zekere kolf) bestaat uit een kopring, met daaraan scharnierend, de twee bekerhelften,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 2¹, 221.
Koppenrol, monsterrol.
De … koppen-rol of generaale lyst,   N.-I. Plakaatb. 11, 386 [1792].
Koproos; zie bij kopblaar.
Kopschaal, de eerste en de laatste plank, die van een tapschen boom wordt afgezaagd (BOEKENOOGEN).
Kopschalen dienen voor brand hout of om ruwe hekken te maken,   a. w.
Kopscherm.
(De jonge oesters) zwemmen in de bovenste waterlagen rond, door middel van hun samentrekbaar kopscherm of velum,   DORSMAN, Schelpen 34.
Kopschild.
De voorrand van den kop … draagt (bij de insecten) den bijzonderen naam van kopschild (clypĕus),   SCHLEGEL, Dierk. 2, 209 [1858].
Kopschool, school voor voortgezet lager onderwijs.
Maandagavond is te Gouda de Industrieschool voor meisjes geopend, die ondergebracht is in de gebouwen van de centrale kopschool,   N. Rott. Cour. v. 22 October 1930.
Koppenschrijver, klerk belast met het schrijven van de monsterrol.
Dat door … den schryver van het admiraal schip, dan wel den zo genaamden koppen schryver, … een accurate lyst van het waar getal der exact opgenomene koppen … worde bezorgd,   N.-I. Plakaatb. 10, 895 [1786].
Kopschroef.
Kopschroef. Schroefbout, dienende tot het bevestigen van twee metalen deelen, waarbij het eene deel om een of andere reden geen doorgaanden bout toelaat. De schroefdraad is in dit deel aangebracht, dat dus als moer dienst doet,   ZWIERS [1918].
Kopschudden, hoofdschudden als uiting van een gevoelen.
Daar anderen een zoo in het oogloopende domheid … met een recht meêdoogend kopschudden bejammerden,   BILD., Luchtr. 17.
”'k Doe 't!” had hij met kopschudden gezegd,   HERMAN DE MAN, Rijsh. 88 [1924].
Ook als benaming van een gebrek bij paarden.
Kopschudden, een gebrek, dat bij paarden voorkomt en zich daardoor kenmerkt, dat het paard, als het een poosje geloopen heeft en warm begint te worden, met het hoofd gaat schudden, soms zoo erg dat het niet meer naar den teugel luistert en men het niet op den weg kan houden,   Oosthoek's Encyclop.¹ 7, 468.
Vandaar: kopschudder, paard met zoodanig gebrek (MOORMANN, Bronnenb. 434).
Kopschurft.
Te R. werd kopschurft (sarcopteschurft) geconstateerd in een koppel van 91 schapen,   Versl. Veearts. Staatstoezicht 1913, 112.
Kopschuw, schichtig, vreesachtig, wantrouwig; oorspronkelijk van paarden die den kop niet willen laten betasten. Kopschuw voor —, afkeerig van —.
Aan het brommen (zoo noemt hij (de boer) het gevangen zitten) heeft hij een saramsen hekel, en daarom is hij kopschuw voor vechten en slagerij,   Overijs. Alm. 1840, 30.
Wanneer aan den mond van het veulen geweld of mishandeling gepleegd wordt, worden zoodanige veulens, aan welke tanden met geweld uitgebroken zijn, daarna zeer kopschuw, en laten zich niet, dan uiterst moeijelijk, in den mond zien en tasten,   ELLERBROCK, Bedrieg. 7.
Begrijpt men niet, dat men op die wijze verwarring sticht en de bevolking kopschuw maakt,   FOCK, in Hand. d. St.-Gener. 1929-'30, E.K. 586 b.
Kopslaan.
't Kopslaan, waartoe houten beelden op spillen werden gesteld, wier kop door den ridder met een houten zwaard getroffen moest worden,   TER GOUW, Volksverm. 581 [1871].
Kopslag, zekere wijze van slachten.
Daar het de G. niet gelukte, het te slachten varken te verwijderen, gaf hij het in het hok den kopslag. … Dr. M. J. H. verklaarde als deskundige, dat onder deze omstandigheden de kopslag niet mocht worden toegepast. Bovendien had de G. niet de bevoegdheid tot slachten. Hij deed het met een sloopershamer, een methode, volgens deskundige, ongeschikt om een varken met één slag te dooden,   N. Rott. Cour. v. 12 Juni 1934.
Kopsnapper.
Kopsnapper. Sluitmiddel, dat toepassing vindt bij doordraaiende deuren, ten einde te verhinderen, dat zij door tocht openwaaien, doch overigens toelaten, dat de deur bij geringen druk naar beide zijden kan geopend worden,   ZWIERS [1918].
Kopsnappers maakt men ook aan kleine aanrechtdeurtjes,   METZ, Woordverkl.
Kopspant.
Men moet … een breedte van 48 M. overspannen. In totaal zullen er zes hoogspanten en twee kopspanten worden geconstrueerd,   N. Rott. Cour. v. 12 Juli 1938.
Kopspeld, lange speld met glazen kop (CORN.-VERVL.).
In Esschen en in Turnhout slaan de vrouwen de doek gewoon om, kruisen hem van voren over de borst, waar hij met 2 zwarte kopspelden gehecht wordt,   V. D. WAAL, in Oostvl. Zanten 1937, 39.
Kopspie, spie aan een of elk van beide uiteinden van een kop voorzien.
Kopspijker, spijker met een betrekkelijk grooten platten kop; verg. kopnagel.
Groote kopspijkers van vijftien centimeter lengte, zoogenaamde dokebouten,   N. Rott. Cour. v. 19 Juni 1938.
Kopspijkers in 3 soorten (voor schoenmakers),   Uit een advertentie.
Kopspoor, spoor, leidende naar een koplading (ZWIERS [1918]).
Kopstaak (Dl. XV, 22).
Kopstamper, smidsgereedschap om de koppen van bouten of spijkers te vormen.
Kopstation, station waar een spoor- of tramlijn eindigt.
Een kopstation wordt enkele malen toegepast om in een plaats door te dringen, ook al ligt deze niet aan het einde van een lijn,   ZWIERS 1, 655 b [1918].
Ook toegepast op het eindstation van een luchtvaartlijn.
De technische dienst … op een kopstation of op een vliegveld, waar een luchtvaartmaatschappij haar hoofdzetel heeft,   T. Grasmat en Strat. 458.
Kopsteen, 1°. steen in een gemetselden muur, die met zijn kleinste vlak naar voren ligt (DE BO [1873]; V. KEIRSBILCK, Mets. 230).
2°. Korte basaltzuil van 20 tot 35 cM lengte (ZWIERS [1918]).
Kopstem, als plompe vert. van hd. kopfstimme: de tonen van de zangstem die met samengeknepen stembanden worden voortgebracht.
In het Nederlandsch van kopstem te willen spreken, ware een germanisme invoeren en bovendien verwarring stichten,   ZWAARDEMAKER en EIJKMAN, Leerb. d. Phon. 29.
Haar volumineus geluid heeft een stralende hoogte, die zij ook met kopstem sotto-voce uitstekend weet te behandelen,   N. Rott. Cour. v. 24 Oct. 1937.
Kopstoof; zie Dl. XV, 1906, en nog de volgende plaats. Verg. ook kopboom, koptronk en kopwilg.
In het Winterseizoen moet hij (de boer) kopstoven snoeien,   OOMS, De Korevaars 174
 (Alblasserwaard).
Kopstoot; stoot met het hoofd. In verschillende toepassingen.
Pof! mijn hoofd! — die kopstoot was geen slechte (De Cycloop)!   BILD. 4, 235 [1828].
Kopstoot, een stoot met het hoofd, van onderen tegen iemands kin, Boevent. Met één snellen kopstoot had K. hem achteruit geslagen, dat de kerel stond te waggelen … op z'n beschonken beenen,   QUERIDO, Jordaan 1, 264.
Van Camp neemt de vrijschop en De Vroe kan er met kopstoot 2—0 van maken,   De Standaard (Brussel) v. 25 Jan. 1937.
Kopstubber, ragebol (ook oneig. voor een hoofd als een ragebol). In Gron. en Drente (waar kop(pe), spin, onbekend is zoodat samenst. met dit woord uitgesloten is; zie Dr. Volksalm. 1839, 194; MOLEMA; TER LAAN).
Koptelefoon; verg. hoofdtelefoon bij HOOFD, Samenst. Een (gebruikelijk) germanisme.
De marconist, die, gewapend met zijn koptelefoon, de radio bedient,   T. Grasmat en Strat. 311.
Toen zijn er gekomen, die geen Fransch meer verstonden, zoo ze zeiden en die deden, alsof ze uit de lucht vielen, en daar het dan toch eindelijk een Babel dreigde te worden, heeft men de koptelefonen ingevoerd (in de vergaderzalen v. h. belg. parlement),   De Standaard (Brussel) v. 3 Maart 1940.
Koptouw, 1°. zeker touw dat aan den kop van een koe bevestigd wordt.
Touwwerk voor het stallen. … kop-, hoorn-, nektouwen en strengen,   Uit een advertentie.
2°. Touw dat aan den kop van een paal is bevestigd, b.v. bij een heipaal, dampaal of damplank om dezen in den vereischten stand te houden.
Als er een nieuwe paal onder het blok gesteld wordt, dan laat men hem gedurende eenige togten, met koptouwen aan het boveneind van den paal vastgemaakt, door een paar arbeiders in de rigting houden. Raakt de paal later uit de rigting, dan wordt er een wurg op gezet, dat is: een koptouw aan een ingeheiden paal vastgemaakt en door een knevel verkort,   STORM V. 'S GRAV., Bouwk. 1, 277.
De kielstutten zijn twee paar zware schoren voor elken mast, welke aan weerskanten daartegen aan worden gezet … zij worden met zoogenoemde koptouwen naar boven gehaald, en daarmede aan het want bijgevangen, tot dat zij geplaatst zijn, en als de naaijing gelegd is wordt het koptouw om den stut gewonden,   MOSSEL, Schip 436 [1859]
 (Het kielen van schepen).
3°. Touw waarmee eertijds op een oorlogsschip de trompen van zekere kanonnen tegen boord gesjord werden.
Tot het takeltuig (van geschut) behooren verder: … Het koptouw, zijnde een dik eind, van bepaalde lengte aan beide einden voorzien van kousen met zware haken of een eenvoudig lang touw zonder haken,   HAAKMAN, Zee-art. 3, 91 [1871].
Vandaar in de bet. 2°.: koptouwgast, arbeider die met het bedienen, aanzetten of vieren van de koptouwen belast is.
Koptronk, in Zeeuwsch Vlaand.: benaming voor de Knotwilg (HEUKELS 221 b [1907]).
Kopturf, lange turf waarvan een der beide kleinste vlakken zichtbaar is.
Dat de tweede laag gelegd moet worden met de scheerturven over de vooreinden of kop-turven van de eerste laag,   STEMFOORT, Veengr. 49.
Kopvijs, hetzelfde als kopschroef (CORN.-VERVL.).
Kopvlak, vlak aan het uiteinde van een balk, plank, duig, enz.
Een draaibeitel (besnijdt) den rand of het kopvlak der duigen, en … een andere beitel (snijdt) de kimmen in,   KUYPER, Technol. 1, 843.
Een scherpe blokschaaf … voor het plaatselijk effenen van het kopvlak,   V.D. KLOES, Bouwm. 4, 274 [1925].
De kopvlakken der spoorstaven,   KUYPER, Ingenieur 1027.
Kopvleesch, van den kop van een rund afkomstig vleesch.
Kopvleesch 171/2 ct. p. p. Hart 15 ct. p. p. Gekookte Lever 12 cent per ons,   Uit een advertentie [1933].
Kopvoeg, verticale voeg in den top van een gemetselden puntboog (ZWIERS [1918]).
Kopvoren, benaming voor de vischsoort Leuciscus of Squalius cephalus, ook meun, hesseling of viesvisch geheeten.
Kopvoren, Squalius cephalus, ook Meun genaamd, visch uit de familie der karperachtigen …, kop groot en dik,   Oosthoek's Encyclop.¹ 7, 469 a.
Kopvorm.
Het uitnemen der geblazen flesschen en potten geschiedt aan den kopvorm, die daartoe een handsvat draagt,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 2¹, 211.
Kopwilg, knotwilg.
Knotwilg of kopwilg,   V. HALL, Landh. Flora 203 [1854].
De oude kopwulg' … zie 'k …, 't hoofd met jarig hout gelaân, hellende over 't water staan,   GEZELLE 6, 137.
Men noemt de Alblasserwaard wel eens het land der kopwilgen,   Onderz. Landb. 1886, 61, 4 [1890].
Het vierkante weidestuk met jeugdige kopwilgen zoo net omtuind,   STREUVELS, Dagen 120  (zie ook GUNNINK).
Kopzee, golf tegen den kop van een schip.
Ik ben van den koers afgeweken om zware kopzeeën te voorkomen,   Onze Vloot 1919, 132.
Kopzeel, touw dat bij het slachten aan den kop van het beest gebonden wordt (CORN.VERVL. 1837).
Kopzeerte, hoofdpijn. In oostelijke dialekten (Arch. v. Ned. Taalk. 1, 331; O. Volkst. 1, 125; MOLEMA; TER LAAN).
Kopziekte, 1°. zekere ziekte bij runderen.
Dit dier (zekere karbouw) vertoonde … verschijnselen van boosaardige kopziekte (etterige uitvloeiïng uit de neus, ontsteking der conjuctiva met sereuse uitvloeiïng, niet eten en suf kijken),   Versl. Rijksseruminr. 1904—'05, 69.
De eigenlijke boosaardige kopziekte (Rhinitis gangrenosa) kwam niet voor. Wel de z.g. goedaardige kopziekte, gelijkende op kalfziekte,   Versl. Veearts. Staatstoezicht 1914, 43.
In dat zelfde voorjaar is het merakels lang koud gebleven. In de Alblasserwaard zijn toen bar veel koeien door de kopziekte aangetast en doodgegaan,   OOMS, De Korevaars 57  (zie ook METZ, Woordverkl.).
2°. Zekere ziekte bij paarden.
De zoogenaamde kop-ziekte of de half acute hersenontsteking,   HEKMEIJER, Veearts. Handb. 355 [1871]
 (Paard).
Kopzorg, in gemeenzame taal: zorg die niet uit het hoofd wil.
Is zij verantwoordelijk voor al wat die meisjes in d'r knar komt …? Haar 'n kopzorg,   QUERIDO, Jordaan 2, 388.
Het is een naar idee …, maar V. B. maakt zich daar verder geen kopzorgen over. Hij doet zijn best,   D. V. D. STOEP, in Menschen v. d. Straat 175.
Kopzuil, hetzelfde als kopsteen, 2°.
— Als tweede lid. Achterkop, apenkop, blaarkop, blauwkop, breedkop, dikkop, doeskop, dolkop, donderkop, doodekop, doodskop, drakenkop, driftkop, duivelskop, dwarskop, egelskop, engelenkop, ezelskop, fijnkop, geelkop, glaskop, haarkop, hamerkop, hardkop, haringkop, hazekop, hersenkop, heulkop, hondekop, (hondskop), jankop, jongenskop, jufferskop, kaalkop, kaaskop, kabeljauwskop, kalfskop, kamkop, kardinaalskop, kattekop (katskop), keikop, ketterkop, kievitskop, kinderkop, kletskop, kliskop, knoestkop, koekop, koningskop, kortkop, kosterkop, krijgelkop, kroeskop, kroezelkop, kronkelkop, kruiskop, kuikenkop, leeuwenkop, lichtekop, loskop, maankop, manskop, meisjeskop, moeskop, mollekop, muizekop, nagelkop, narrekop, norschkop, olifantskop, oranjekop, ossekop, paardekop (paardskop), pauwekop, pestkop, pijpekop, pinkop, platkop, polijstkop, poppekop, potskop, puistkop, puntkop, raaskop, ramskop, rijkop, roggerskop, rondkop, roodkop, schaapskop, schelvischkop, schroefkop, schurftkop, schuddekop, schuimkop, slaapkop, slangekop, sluitkop, smalkop, snapkop, snippekop, snoekekop, spekkop, speldekop, spijkerkop, spilkop, spitskop, spreikop, stierekop, stijfkop, studiekop, stuipekop, suikerbietenkop, tandkop, tijgerkop, varkenskop, vischkop, vogelkop, voorkop, wolkekop, wratkop, zetkop, zwartkop (zie die woorden of het eerste lid).
— Verder b. v.: Aankoppen; zie ald., en nog het volgende voorb.
De verbinding der speldeschaft met den kop, waarbij deze laatste tegelijk zijne bolvormige gedaante bekomt, geschiedt door het aankoppen,   KUYPER, Technol. 1, 543.
Armkop.
De pas, die … op den schouder langs den armkop een naad krijgt,   V. WESSEM, Kostuumn. 228 [1908].
Bietenkop.
Partij klaverhooi, withooi, haver, gerst, voerbieten, aardappelen en bietenkoppen,   Uit een advertentie [1930].
Biezenkoppen, 1°. benaming voor de soort Juncus conglomeratus van het geslacht Juncus, Rusch (HEUKELS 129 [1907]).
2°. In Waterland benaming voor de Waterbies, Heleocharis palustris (a. w. 116 a).
Blaaskop; zie Dl. II, 2811, en voor een andere bet. nog de volgende aanh.
In plaats dat de kolf, aan den kopvorm hangende, wordt overgebracht moet de persstempel vervangen worden door den blaaskop. Dit kan geschieden door den blaasvorm onder den blaaskop te brengen of omgekeerd, de blaaskop boven den vorm,   V. ROYEN en DE VOOYS, Mechan. Technol. 2¹, 210.
Blootskops, blootshoofds.
Syn straf ontfangen hebbende is blootskops de Stadt uytgeleyt,   in Leidsch Jaarb. 1921-'22, 30 [1748].
Branderkop.
De onder lichten druk gebrachte petroleum … spuit uit een naaldfijne opening … en verbrandt in den daarboven gelegen branderkop (bij een petroleumvergasser)   Kath. Encyclop. 15, 566.
Buitenkop.
Op vele Hollandsche vischsloepen zijn voor het inhalen van 't net, buitenboord horizontale en verticale rollen gesteld, welke den naam dragen van geesten of buitenkoppen,   BLY, Zeilvischsl. 218.
Cylinderkop.
Den cylinder moeten we onderscheiden in den eigenlijken werkcylinder, waarin de zuiger beweegt en den cylinderkop, waarin zich de kleppen, stoppen, enz. bevinden,   BRAND, Automobiel² 59.
Diepkopje, zeker soort van appelen (pippelingen).
Gietkop.
Het gestolde metaal vormt in de gietgaten den gietkop of de ronden, welke men later afslaat,   GROTHE, Mechan. Technol. 54 [1879].
Eenige werktuigen om bramen en gietkoppen van de tinnen te verwijderen,   HOITSEMA en FEITH, Utr. Munt 110.
Krooskop, grove zeef vóór een duiker of de zuigbuis van een pomp, dienende om kroos en drijvend vuil tegen te houden (ZWIERS [1918]).
Musschekop; zie voor een oneig. bet. Dl. IX, 1264, en nog het volgende voorb. van gebruik in eig. zin.
De landbouwvereeniging (heeft) … zich … genoodzaakt gezien premies uit te loven voor het inleveren van musschenkoppen,   Versl. Landb. 1920, 1, 132.
Onweerskop, donderkop.
Paalkop.
Eén … manilla-tros, 'n blanke acht-duimer, staat lang-uit en harpstijf op 'n ijzeren paal-kop,   VERHOOG, Havens en Z. 69.
Te koop 200 stuks paalkoppen, lang pl.m. 0,50 M tot 2 M,   Uit een advertentie [1928].
Pagekop(je), zekere haardracht, inzonderheid van vrouwen en meisjes, waarbij het haar boven den hals in rechte lijn is afgeknipt.
Een meisje met een pagekop,   V. REYMERSWAEL, Haagsche Sat. 95.
Palkop.
Aan den onderkant der klampen … heeft het spil eenen rand, de voeting of palkop genoemd,   MOSSEL, Schip 261 [1859].

Aanvulling bij KOPIII

Samenst. Kopgroep, (sport) groepje deelnemers aan een snelheidswedstrijd (inz. bij wielrennen, hardloopen, paardenracen e.d.) die een voorsprong hebben op de rest van het veld.
Na de leiders volgde op 6 min. 15 sec. een groepje van 5, … en daarna met 7 min. 30 sec. achterstand op de kopgroep het grote peleton van 70 renners,   Leidsch Dagbl. 28 April 1948, 2 e.
Zanto en YYV, die lang in de kopgroep zaten, bleven in de eindstrijd het antwoord aan de oprukkende Belgen schuldig en eindigden evenals Attila en Anton achter het Belgische viertal (bij een draversinterland),   N. Rott. Cour. 26 Juli 1965.
Kopklepper, motorfiets met een kopklep, met een klep in den cylinderkop.
Wij willen … de verschillen tussen kop- en zijkleppers eens onderwerp van bespreking doen uitmaken, waarbij echter zij opgemerkt …, dat een scherpe scheidingslijn ook hier niet te trekken is. Er zijn per saldo zijkleppers, die een klep in de kop hebben,   Motorkampioen 2, 276 b [1951].
Motor te koop aangeboden 350 cc. kopklepper,   uit een advert. [1951].
Het eertijds grote aanbod in 125 cc-machines is tot enkele merken ineengekrompen, waarvan de Java-cz … de enige tweetact is. De andere, Gilera, Ducatie en Honda zijn kopkleppers,   Leidsch Dagbl. 28 Febr. 1964.
Kopman.
1°. (Wielrennen) De belangrijkste, meest getalenteerde renner in een wielerploeg, in wiens dienst de anderen moeten rijden.
Moeilijkheden met Darrigade en Bauvin, die kostbare minuten in de laatste kilometers in de rit naar Toulouse verspeelden, … zijn maar half opgelost. Geen uitgesproken kopman dus in de Franse ploeg,   Leidse Cour. 21 Juli 1956, 1 e.
Ik heb alles gezien. Ik heb ze in de bergen naar de spuit zien grijpen, ik heb ze zien slikken, ik heb ze pillen naar hun kopman zien brengen,   Vrij Ned. 2 Aug. 1969, 13 a.
Iedere ploeg kent een kopman, voor wie de knecht al het vuile werk moet opknappen,   Vrij Ned. 28 Juni 1975.
2°. (Sport) (W.g.) Deelnemer aan een snelheidswedstrijd (als wielrennen, hardloopen e.d.) die aan kop gaat.
  V. DALE [1976].
3°. (Vl.-België) Lijsttrekker.
  V. DALE [1976].
Koppakking, bij motoren: pakking tusschen den cylinder of het cylinderblok en den afneembaren kop ervan.
  V. DALE [1976].
— Toen de kop los was, bleek het gelijk van mijn mans diagnose overduidelijk. De koppakking was tussen twee gaten in volkomen weggebrand,   Kampioen 74, 79 a [1955].
Kopperron, perron waar een spoorlijn eindigt.
Een … soort perrons, die … aan beide zijden een spoor hebben. Deze perrons komen alle uit op een gemeenschappelijk eindperron, waarlangs eveneens het hoofdgebouw is geplaatst. We zouden deze perrons kopperrons kunnen noemen,   Spoorwegtechn. 1, 39 [1933].
Kopregel, vet of kapitaal gedrukte regel bovenaan een pagina.
  V. DALE [1950 ].
— Boven den eersten regel wordt zooveel overslag gegeven, als de kopregel boven de pagina's van het werk in beslag neemt,   V.D. WAL, Typogr. 60 [1910].
Kopwand, (spoorw.). 1°. Voorste wand van een spoorwegrijtuig.
Door aan de noodrem te trekken wordt buiten, boven aan den kopwand van het rijtuig een kraan open getrokken, die op de luchtleiding zit,   UGES, ”Klaar achter?” 86 [1932].
De plaatsing der koppelingskranen aan den kopwand,   Spoorwegtechn. 3, 394 [1937].
De hoofdschakelaar voor de verlichting is bij het gewone materieel (coupérijtuigen) tegen den kopwand aangebracht,   Spoorwegtechn. 3, 439 [1937].
2°. ”Wand waartegen een spoor uitkomt” (V. DALE [1976]).
De kopwand van de laboratoriumhal,   V. DALE [1976].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1941.