Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: KOPPELDRAAIEN Volgend artikel: KOPPELING
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

KOPPELEN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: koppelen

bedr. en onz. zw. ww. Mnl. coppelen; mnd. koppelen, nnd. koppeln, köppeln; mhd. nhd. koppeln, kuppeln. Deels uit ofr. copler, de voortzetting van lat. copulare, deels een afl. van Koppel.
+A.  Bedr. (en absol. gebezigd).
+B.  Onz.
Afl. Gekoppeld (zie ald., en voorbb. hierboven in het art.)
koppelaar, koppeling, ontkoppelen, verkoppelen (zie die woorden). — Zie voor een afl. koppel onder KOPPEL, 3, a, γ, a).
— Verder: Gekoppel.
Dit mierlijck ongheval … Leert, yder wie het zy, geen vuyl-ghecoppel vieren,   V. D. VENNE, Sinne-mal 68.
Koppelster, koppelares. Thans ongewoon.
U vader is een smit, een koppelster u moeder, Ghy (Amor) maeckt de hoepen vast van hemel en van aerdt,   D. HEINSIUS, Poëm. 69.
Besteesters en rofsters, en koppelsters,   BREDERO 2, 68 [1615].
Jong een hoer, oud een koppelster,   TUINMAN 1, 12 [1726].
Ongekoppeld.
Ongekoppeld geschakelde transformator. Voor elke phase een zelfstandig stroomleverende eenphasige transformator,   Electrotechn. Woordenl. 63.
Samenst., samenst. afl. en koppel. Koppelkeper, koppellid, koppeltap (zie het tweede lid).
— Verder: Koppelambt, werkzaamheid als koppelaar.
Dewijl hy wel zach dat S. geen koppelampt wou aennemen,   S. V. HOOGSTRATEN, Haegaenveld 173.
Koppelarm, arm of kruk eener as, die dient tot aankoppeling.
Koppelas, as die aan een aangrenzende as kan gekoppeld worden.
Tusschen de standers (bevinden zich) nog korte koppelassen, welker einden tot in 't midden der koppelringen reiken en die ook in de pannen van den stander ondersteund worden,   GROTHE, IJzer 178 [1873].
Koppelbalk, balk die de deelen eener constructie met elkaar verbindt of bij elkaar houdt, b.v. een anker in een muur.
Datmen den zelven turre wel zal anckeren met VIII ijseren balcken of coppelroeden dweers duergaende, vervattende de dickte van (de) mueren met XVI sluetels ende XVI ooghen de selve coppelbancken (l.: -balcken) met stercke stropooghen jnt midden ghemaect, wel treckende,   bij DE POTTER, Gent 1, 500, [1580].
De Zandstroken leggen overal regt onder de Koppelbalken,   V. D. HORST, Theatrum Machinarum, Waterw. 1, 1 b  (zie ook ZWIERS [1918]).
Vandaar: bovenkoppelbalk, voorkoppelbalk (a. w. 1, 106 a).
Koppelband, band, beugel of riem die dient om twee dingen aan elkaar te verbinden.
Koppel-banden, bind-lappen, woel-touw, en wat dies meer is,   Handv. v. Amst. 862 b [1725].
De keten van eene djakke is met eenen koppelband vast aan den zweepsteel,   DE BO [1873].
Koppelband … Welsteren (zwijnsleeren) band waarmede de eigenlijke vlegel aan den stok bevestigd is,   O. Volkst. 3, 17 b  (westvl.).
De landeinden (van de rijsbossen) aan de onderliggende wiepen met zware koppelbanden verbonden,   Alg. Voorschr. 1901, § 172.
Koppelblad, 1°. blad papier waarop met behulp van een in vierkanten verdeelden rechthoek de lengte en breedte van den gekoppelden koers werd berekend. Verouderd.
2°. In de ornamentleer: gepaard blad.
Koppelblok, in een watermolen: getand blok waarmee de schepradas in- en uitgeschakeld kan worden.
Koppelboog, koppelteeken in de muziek (V. DALE).
Koppelbord, uurbord, houten schijf met de 32 windstreken er op afgebeeld, waarop met behulp van pennen die ieder half uur ingestoken werden de gedurende een wacht gestuurde koersen werden afgezet, waaruit dan de gekoppelde koers kon worden afgeleid. Verouderd.
Koppelbord. Renard.Traverse board,   TWENT, Zeem. Wdb. [1813].
Koppelbout, bout welke dient om twee of meer deelen eener constructie te verbinden (ZWIERS [1918]).
Spant-, naai-, of koppelbouten dienen om de twee reijen hout van een spant aan elkander te bevestigen,   MOSSEL, Schip 90 [1859].
Koppelbuis, verbindingsbuis.
Koppelbus, koppelbos, bus waardoor twee staven of assen in de lengterichting met elkaar worden verbonden (ZWIERS [1918]).
Op deze koppeltappen sluiten ringvormige koppelbossen met naar binnen uitstekende ribben, die in de segmentvormige kerven (van de tappen) passen,   GROTHE, IJzer 178 [1873].
Koppelbos,   VERDAM, Machin. 690.
Vandaar: flenskoppelbus (ZWIERS 1, 395 a [1917]), klemkoppelbus (ZWIERS 1, 631 a [1917]).
Koppelcontact (Electrotechn. Woordenl. 126).
Koppeldeur, verbindingsdeur, in zekere soort van sluis.
AC en BC zijn een paar gewone puntdeuren, DE en GF zijn mede een paar puntdeuren, die evenwijdig loopen aan de eerstgenoemde … Zij zijn met de puntdeuren AC en BC vereenigd door middel van de koppeldeuren CE en CF,   STORM BUYSING, Waterb. 2, 214.
Koppeldoos, vanwaar lichtkoppeldoos (”Lichtkoppeldoos. De koppeldoos voor de lichtleiding tusschen motor- en bijwagen”, Electrotechn. Woordenl. 144), en remkoppeldoos (Ald.).
Koppeleg, koppeleegd.
De Hollandsche of kettingploeg en de gewone klei- en koppelegge (zijn) algemeen in gebruik,   Onderz. Landb. 1886, 62, 15 [1890].
Een zware puineegd, een paar koppeleegden, 2 vijfboomsche eegden, enz.,   Uit een advertentie a°. 1900
 (Gelderl.).
Koppeljaal, fout in het aaneenschrijven van woorden (?).
Beuselinghen in weynigh uren by den anderen gekrabbelt, … vol letter falen, boeck-staaf falen, en koppel falen,   COSTER 302 [1618].
Koppelfluit, naam van zeker register in een orgel.
Copula Major, de groote Koppelfluit. Copula Minor, de kleine Koppelfluit,   VERSCH. REYNV., Muz. Kunst-Wdb. 182
 (zie ook 433).
Koppel (is) een … register, namelijk de zoogenaamde koppelfluit, welke dezen naam verkregen heeft, omdat zij geschikt is tot verbinding met elke andere stem,   VIOTTA, Lexicon d. Toonk. 2, 382.
Eenigen noemen ook den Gemshoorn: Koppelfluit,   Ald.
Koppelgording.
Koppelgording. Gording, welke tot koppeling dient,   ZWIERS [1918].
— De voorharren dezer waaijers moeten, door middel van koppelgordingen sterk aan de voorharren der puntstukken verbonden worden,   HARTE, Sluis- en Waterb. 14 b.
Koppelhefboom.
Electromagneet met koppelhefboom,   EMMERIK, Telegrafie 37.
Koppelhout, 1°. verbindingshout, in constructies.
Koppelhout. Bij kistdammen … de dwarsbalkjes, die de beide damwanden verbinden,   ZWIERS [1918].
— Over de Kespen (moeten) de Koppelhouten gelegt worden,   V. D. HORST, Theatrum Machinarum, Waterw. 1, 2 a.
Als het eenen muur geldt, welke niet te lood staat, steekt men verscheidene schoren en vereenigt men deze door koppelhouten,   V. HOUCKE en SLEYPEN, Mets. 258 [1897].
2°. Juk waarmee twee koeien aan elkaar gekoppeld worden (GUNNINK).
Koppelijzer, verbindingsijzer.
Koppelijzer. Plat stuk staafijzer, hetzij rechthoekig, hetzij dubbel zwaluwstaartvormig, of wel met vertakkingen bewerkt, dat op de samenkomende einden van houten constructiedeelen wordt geschroefd, ten einde deze met elkander te verbinden,   ZWIERS [1918].
— Ankers en Koppel-Ysers aan Gebouwen,   Handv. v. Amst., 1ste Verv. 84 a [1748].
Koppelkoers, hetzelfde als gekoppelde koers (zie boven).
Koppel-koers. Route compliquée.Travers sailing,   TWENT, Zeem. Wdb. [1813].
Koppelkompas, hetzelfde als koppelbord.
Koppelkoord (DE BO [1873]).
Koppelkruk, hetzelfde als koppelarm.
Koppelkunst, 1°. kunstige koppelarij.
Blijspelen vol koppelkonst, … schendige boeken van schoone minnerijen,   OUDAAN, Agrippa 594.
2°. Kunstige koppeling (t.w. van woorden).
De tael der Nederlanderen, in sierlykheit en koppelkunst voor andere, zelf niet der Grieken te wyken,   POERAET, Spell. v. Moonen verd. 1.
Koppelkwast, kwast die bestaat uit een samenstel van kleinere kwasten (ZWIERS [1918]).
Koppelmof, hetzelfde als koppelschijf (VERDAM, Machin. 690).
Koppelnagel, verbindingsnagel, met name die den ”langwagen” aan het voorste deel van den wagen verbindt (JOOS 805 b [1900-1904]).
Koppelpal (zie de aanh. bij koppelrad).
Koppelpen.
Bij tramwagens (worden de koppelstangen) gewoonlijk in elkaar gestoken en met een koppelpen vastgezet,   ZWIERS 1, 655 a [1918].
Koppelplaat, verbindingsplaat, in constructies.
Koppelplaat. IJzeren plaat, welke dient tot koppeling van twee constructiedeelen, welke niet aan spanningen onderhevig zijn,   ZWIERS 1, 654 [1918].
— Terwijl men de vergaderingen met koppelplaten en klavieren aaneen verbindt,   KROOK, Molenb. 115 [1851]
 (zie ook EMMERIK, Telegrafie 38) .
Koppelraam; zie de aanh.
Koppelraam. Raamwerk van vierkante balken, dat buiten langs de koppen der damplanken van een betonkoffer wordt aangebracht,   ZWIERS [1918].
Koppelrad, rad dienende om beweging over te brengen op een aangrenzende as.
De koppelpal, welke door een veer in de tanden van het koppelrad kan worden gedrukt, in welk geval de koppeling tusschen de beide assen tot stand is gebracht,   EMMERIK, Telegrafie 38.
Koppelreep.
Twee schuin staande boomen of spieren … waarvan de boveneinden kruislings over elkaar gelegd of geschrankt en daarna met een reep (koppelreep) … onderling verbonden zijn,   GROTHE, Kennis v. Werkt. 87.
Koppelregel.
Koppelregel. Schroot, welke tijdelijk wordt gespijkerd over de ondereinden der stijlen van een kozijn, dat op neuten moet worden gesteld,   ZWIERS [1918].
Koppelrib, bij het oudhollandsch kapgebint de hanebalk die de bovenste gordingen draagt (ZWIERS [1918]).
Koppelring, 1°. ring of schakel die twee dingen aan elkander verbindt.
Koppelassen, welker einden tot in 't midden der koppelringen reiken,   GROTHE, IJzer 178 [1873].
Koppelring voor wrijvingsschijf,   BLY, Zeilvischsl. 52.
2°. Benaming van zekeren balk in sommige kapgebinten (ZWIERS [1918]).
Koppelroede, 1°. hetzelfde als koppelbalk (zie een voorbeeld ald.).
2°. Hetzelfde als koppelstang.
Koppelschijf, schijf tot koppeling van assen.
Deze assen worden aan elkander verbonden door koppelingen, welke bestaan uit op de einden der afzonderlijke assen aangebrachte of aangesmede koppelschijven,   Beschr. v. Stoomk. en Stoomwerkt. 73  (zie ook VERDAM, Machin. 447).
Koppelschroef.
De koppelschroeven der gemeente-brandspuiten,   Bijv. Stbl. 1872, blz. 91.
Koppelslang.
Remcylinder, remstangen, remblokken, koppelslangen, alle behoorende bij den Westinghouse-rem,   VERDAM, Machin. 424.
Koppelsloep; de bet. blijkt niet.
Tis hier zoo vol alle gerande (allerlei) goedt, schuyte, Engelse, buyse, koppelsloepe, en groote Franse die wij bobbelaars noeme,   in Leidsch Jaarb. 1927–'28, 37  (Katw. dial., ± a°. 1790).
Koppelsnoer; vanwaar lichtkoppelsnoer, remkoppelsnoer (Electrotechn. Woordenl. 144).
Koppelspoel; vanwaar b.v. antennekoppelspoel.
Het antennekoppelspoeltje, … van het dikke draad gewikkeld,   Radio Expres 1937, 474 b.
Koppelspoor, andere naam voor draagbaar spoor (ZWIERS [1918]).
Koppelstal, stoeterij.
Een witte hacqueneye ofte tellenaer van het Roomsche Catholijcksche coppelstal,   Marnix' Taf. d. Relig. Versch. 95 b  (fr. haras).
Koppelstang, verbindingsstang.
Koppelstang. Bielle d'accouplement,   ELAND, Veldversterkingsk. 214.
Daar de wielen (van zekere soort van locomotief) hier binnen de frames liggen, zijn afzonderlijke buitenkrukken aangebracht voor de drijf- en koppelstangen,   VERDAM, Machin. 425.
De zuigerstangen van deze beide pompen zijn in een juk bevestigd, dat door middel van koppelstangetjes met de linkereinden der balansen verbonden is,   443.
Bij spoor zonder dwarsliggers … zijn koppelstangen tusschen de rails noodig,   ZWIERS 1, 655 a [1918].
Koppelstangen tusschen spoor- en tramwagens dienen, om de wagens tot een trein samen te stellen,   ZWIERS 1, 655 a[1918].
Koppelstrop, koppelstang of samenstel van koppelstangen, die aan de einden van stroppen voorzien zijn.
Koppelstuk, verbindingsstuk, koppeling.
De verbindingen (der buizen) geschieden door koppelstukken, bochten, laschdoozen enz., welke doorgaans van een afneembaar dekplaatje voorzien zijn,   V. CAPPELLE, Electr. 340 [1908].
Koppelteeken, 1°. kort streepje dat bij het afbreken van woorden aan het eind van een regel achter het eerste stuk —, en bij het opnoemen van een reeks van samengestelde woorden die een lid gemeen hebben dat alleen bij het eerste of het laatste genoemd wordt, vóór, resp. achter het andere stuk geplaatst wordt; bij sommige samengestelde woorden wordt het tusschen de samenstellende deelen aangebracht.
Dit teeken (-), koppelteeken genoemd, wordt … gebezigd … om de woorden, die op den regel niet staan kunnen, zamen te binden; men zet dan achter de lettergreep, die nog op den regel kan staan, dit teeken, ten bewijze, dat de volgende lettergreep of grepen tot de afgebrokene behooren,   DE LANG, Verh. over de Interpunctie 18.
Wanneer … het werkelijk aaneenschrijven een woord opleveren zou van een te vreemd en zonderling voorkomen …, dan worden de deelen door een koppelteeken (hyphen) vereenigd,   TE WINKEL, Grondbeg. 129.
Het deelen koppelteeken (-), de apostrophe (') enz., zijn geen eigenlijke leesteekens,   Vivat's Encyclop. 4857 a.
Was dan de regel vol en kon het er niet in, als bij ”volbrengen” bijvoorbeeld, dan zette je achter ”vol” een koppelteeken,   V. LOOY, Jaap 22 [1923].
2°. In de muziek. Een boogje dat aanduidt dat twee of meer noten van dezelfde toonhoogte als één noot moeten worden aangehouden, ligatuur.
Ligatura …, binding, verbinding, boogje, koppelteeken,   VIOTTA, Lexicon d. Toonk. 2, 470.
Koppeltijd, paartijd.
Dat de eersten (de mannetjeskikvorschen) in den koppeltijd een zwart vleeschagtig gedeelte aan de duimen hebben, dat van kleine puntjes … voorzien is,   CHOMEL 1505 a [1770].
Koppeltouw, touw dat dient om paarden achter elkander vast te binden, staartlis (V. DALE).
Koppeltrein, trein met meer dan één locomotief.
Wil men grootere treinen hebben dan kan men twee locomotieven daarvoor spannen of eene vóór en eene achter … Zulk een trein draagt dan den naam van koppeltrein,   LANDOLT 2, 196 [1862].
Koppelwerkwoord, naam voor bepaalde werkwoorden voorzoover zij verbonden met een praedicaat gebezigd worden, met name voor die werkwoorden die een zijn of worden uitdrukken.
Koppelwerkwoorden dienen, om te kennen te geven, dat de spreker eene hoedanigheid, toestand of betrekking aan het onderwerp toekent,   TERWEY, Spraakk. 60.
Dat de koppelwerkwoorden allereerst onovergankelijke werkwoorden waren en dan ook nog dikwijls als zoodanig worden gebruikt,   63.
De werkwoorden verdeelt men … in: gezegde-werkwoorden; koppelwerkwoorden, waarvan de voornaamste zijn: zijn (of wezen), worden, schijnen, blijven enz.,   DE BAERE, Ned. Spraakk.³ 122 [1929].
Koppelwinding.
Dit contact (t.w. dat in den lampvoet) werd benut om de anode der h.f. tetrode aan de aparte koppelwinding te leggen. Deze koppelwinding werd gemaakt van zeer dun koperdraad,   Radio Expres 1937, 474 a.
Koppelwoord, 1°. samengesteld woord, samenstelling. Verouderd.
Tragoedia is een koppelwoort, en beteeckent eigentlijck Bockezang,   VONDEL 6, 216 [1654].
Den algemeenen regel van de koppelwoorden stelt voor vast dat het leste woord altijd de meestbediedende kracht heeft,   DE SWAEN 2, 243.
Koppelwoorden, zo dezelve niet kort, krachtig, en reeds door de gewoonte Duitsch gemaakt zyn, ben ik van zins uit myne schryfwyze te verbannen,   V. EFFEN, Spect. 1, 74 [1731].
Een Autheur …, die eene volmaakte kennis van Talen bezit; die meester is van uitgekipte koppelwoorden, van Phrasis en Phrenesis,   WEYERMAN, Rott. Hermes 97.
Ik heb verhaald, Van myn Doodeenzaambuitenleven. Verbrust! dat's eerst een woord …! 'k Heb nooit zoo'n koppelwoord geschreven,   WOLFF-BEKKER, Beemster-winterbuitenlev. 53.
Gezwollenheid, sterk uitgezette spreekwijze, gewaagde kracht- en koppelwoorden, ontsieren zijne overigens waarlijk schoone voortbrengselen,   BEETS, Verpooz. 190 [1856].
2°. Voegwoord.
Koppelwoord … voegwoord, conjonction,   V. MOOCK.
— De perioden zijn ongelijk. De koppelwoorden missen veelal (in dengemelijken en knorrigen stijl”),   GEEL 135 [1838].
De Griekse taal met zijn … vrijheid van woordschikking en zijn hoeveelheid koppelwoordjes bevorderde de ontwikkeling van het kunstproza in deze richting,   GREIDANUS, Interpunctie 20.
Het Mnl. verbindt de zinnen gewoonlijk door koppelwoordjes als Ende, So, Doe,   146
 (zie ook BEETS, St. Uren 2, 189 [1849].
3°. Koppelwerkwoord. Thans weinig meer in gebruik.
Voegt men … bij het hoofdwoord koren het … predicaat duur, dan toont zijn, worden of blijven wel degelijk het verband aan, waarin nu duur tot koren staat; en in dezen zin worden dan die woordjes: zijn, enz. wel eens koppelwoorden genoemd,   DE GREUVE, in Arch. v. Ned. Taalk. 4, 427.
Beweert de een, dat het een of ander hem moeijelijk of lastig is, de ander verklaart, dat het hem moeijelijk of lastig valt, zoodat vallen eenvoudig koppelwoord wordt,   DE JAGER, N. Taal- en Letteroef. 9.
Buiten het werkwoord zijn kan ook worden als koppelwoord … voorkomen: het vordert … nog een attribuut, met hetwelk vereenigd het eerst een volledig praedicaat uitmaakt,   BRILL, Spraakl.¹ 212.
Wegens zulk eene verbinding van het praedikaatsnaamwoord met het onderwerp heet het werkwoord zijn of wezen … ook koppelwoord (copula),   a. w. 1, 280.
De formeele werkwoorden heeten koppelwoorden, wanneer het gezegde dat zij aan het onderwerp toekennen, niet een vorm van een attributief werkw. is. Dat gebeurt slechts met zijn en worden,   VERCOULLIE, Ned. Spraakk. 84.
— Als tweede lid. Aankoppelen, aaneenkoppelen, afkoppelen, inkoppelen, opkoppelen, vastkoppelen (zie die woorden).
— Verder: Bijeenkoppelen, 1°. bedr., bij elkaar voegen, steken enz.
Ons beider hoofden, die wij so digt bij een koppelden,   VALENTIJN, Ovid. 1, 11.
2°. Onz. Bijeenscholen, te hoop loopen; ook: zich vereenigen.
Ook op eene zamenloop of bijeenkomst van Menschen, die bij een koppelen of schoolen, wordt (dit) (t.w. het woord koppel) overgebragt, even zoo als ook een bende volks, tot een of ander bedrijf bij een koppelende, een veem genaamt wordt,   BERKHEY, N.H. 4, 2, 240 [1805].
Opeenkoppelen, (dicht) bij elkaar voegen.
Dit kleed van staat is zeer ruim, en vol ployen, dik op een gekoppeld,   VALENTIJN, O.-I. IV, 1, 157 a [1726].
Samenkoppelen; zie ald., en hierna nog eenige voorbb. van tezamenkoppelen.
Alle die Huwelijken …, die soo buyten in de Sectarisen Predicatien t'samen ghekoppelt wierden,   Hist. v. Corn. Adr. 1, 255.
Den Prince Maurits … stont int midde vande zeven Vereenichde Nederlanden, die hy te zamen gekoppelt hielt met een Orangen bant,   COSTER 591 [1618].
Zy koppelen eenige koorden te saamen, aan een korte stok,   DE BRUYN, Reizen 1, 375 a [1698].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1941.