Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: KRAALLIJN Volgend artikel: KRAAMBED
Etymologie: EWA, EWN
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

KRAAM

Woordsoort: znw.(v.,o.)

Modern lemma: kraam

znw. vr.; voorheen ook onz., gelijk het woord thans nog in Z.-Nederl. is. Mnl. crame; mnd. krame; mhd. krâme, krâm, nhd. kram. Van onbekenden oorsprong. De oudste beteekenis was: uitgespannen doek, tentzeil; deze wordt reeds in het Mnl. zelden meer gevonden (zie VERDAM). Vervolgens. kreeg het die van: de ruimte die met een gespannen zeil afgeschoten of tegen het weer beschut is; thans komt het in de volgende beteekenissen voor.
+1.  Tent van linnen of hout, waarin waren te koop worden geboden, gelijk die vooral op markten en kermissen worden aangetroffen; nu en dan ook met inbegrip van de koopwaar die zich er in bevindt.
Een van hu beste calanten Die hu craem versochte,   EVERAERT 466 [1510].
Ick mach mijn Craem beginnen te stellen,   Mr. Kackadoris 1.
Ick lietet te kermis hier inde kramen zien,   BREDERO 2, 58 [1615].
Lotinge op wat plaetse een igelijck met sijn Kraem sal staen,   Handv. v. Amst. 769 a [1620].
Ik wil niet hebben dat gy daar als lange lummels en lummelinnen, door de kraamen zult loopen drentelen, om naar allerleie ydelheid te staan kyken,   WOLFF en DEKEN, Blank. 3, 201 [1789].
Voor de kerk … stonden velerlei kraamkens, met lijnwaad overspannen,   CONSC. 2, 258 b [ed. 1868].
Mijne gewone verkoopster zat nog haren koffie te drinken bij het kraam,   BERGMANN, Staas 127 [1874].
+2.  Bij overdracht. De gezamenlijke waren die een handelaar te koop heeft.
+3.  Het met gordijnen afgesloten bed waarop eene vrouw haar kroost ter wereld brengt, het kinderbed. Vervolgens ook, zonder dat meer aan het bed zelf gedacht wordt: de bevalling, of: de toestand waarin een onlangs verloste vrouw zich bevindt, de toestand van kraamvrouw. In scherts ook op dieren toegepast.
Afl. Kraamsch, kramen (zie die woorden).
Samenst. Kraambed, Kraamvrouw (zie die woorden).
— Verder: in de bet. 1) Kraamdak, afhellend dak zooals men aan kramen aantreft, gewoonlijk met de helling naar achteren
kraamhuis (”Daarenboven verkoopt men in 't zelve kraamhuis … menschen oogen”, HOOFT, Mengelw. 425)
kraamlade, winkel; een verouderd germanisme (”Datelijck sloot yder zijne Winckels en Kraem-laden”, Holl. Merc. 1669, 69 [1670]\; zie ook Holl. Merc. 1664, 31 [1665])
kraamlieden (”Kraam-luyden”, Handv. v. Amst. 770 a [1677])
kramenrij (”De menigte, die langs de kramenrijen … wandelde”, WATTEZ, Koningsk. 52)
kraamzetter, werkman die de kramen voor den marktdag plaatst; te Brugge (Onze Volkstaal 3, 18)
kraamzitter, die met eene kraam op de markt zit (Ald.); enz.
— In de bet. 2, a). Kraamdrager (”Verbieden oock alle Cremers, Craemdraeghers ende andere … te vercoopen”, Placc. v. Brab. 1, 475 a [1616]).
— In de bet. 2, b). Kraamgetuig, gerei uit een heelen rommel bestaande (”Daer een halve meescherije Craem-getuych voor alle man Opgedaen licht op een rije, Meer dan ick u seggen can” (t.w. bij het nachttoilet van eene vrouw), HONDIUS, Moufe-schans 13 [1621]).
— In de bet. 3). Kraamanijs (”De vrouwtjes namen zoo goed kraam-anijs in, dat zij op het laatst niet meer zagen of het glas vol of ledig was”, Levensgesch. v. Thijl Uilensp. (ed. ULRICH) 4; zie ook Dl. II, 485)
Kraambeen, ongemak aan het been, door zwangerschap veroorzaakt (WEIL.)
Kraambeurs, verzekeringmaatschappij voor uit keering bij bevallingen (”Kraam-Beursen of Soeieteiten”, Gr. Placaetb. 9, 307 a [1776])
Kraambewaarster, baker (”Weten oock van geen Kraem-bewaerster”, SCHOUTEN, Voyagie 1, 73 [1676]; ook bij CHOMEL 1615 b [1770])
Kraambezoek (”Dat kraambezoek van uw jong Groen-Wyfje”, WOLFF en DEKEN, Leev. 1, 126 [1784]; ”Een kraambezoek afleggen”, TER GOUW, Volksverm. 548 [1871])
Kraambezorgster, hetzelfde als Kraamverzorgster (”'t Behulp ende bystant der Craembezorchsteren ter genieten”, bij V. MIERIS, Beschr. v. Leyd. 200 a; a°. 1586)
Kraambier (”Waer het beste Kraem-bier is”, BAARDT, Deugdensp. 41 [1645])
Kraamdagen, mv., de dagen volgende op de bevalling (BERKHEY, N.H. 3, 1251 [1773])
Kraamdicht (”Gy … denkt om kraam noch kraamdichtmaken”, BILD. 11, 130 [1812])
Kraamfeest (”Een Kraamfeest op de Burcht”, BILD. 1, 322 [1822])
Kraamflesch(je): ter bewaring van suikermuisjes (Oude Tijd 1869, 291)
Kraamgebak (BERKHEY, N.H. 3, 1240 [1773])
Kraamgodes (”De Kraemgodesse Verheuge u met een jonge spruyt”, VONDEL 3, 310 [1636?])
Kraamheer, echtgenoot van eene kraamvrouw (”Ondertussen moet de swacke Vrouw aen 't werck, om desen Kraemheer wat leckers toe te maken”, SCHOUTEN, Voyagie 1, 73 [1676]; ”Hoe tradt de kraamheer om zyn kindt ten doop te houwen”, ROTGANS, Poëzy 645; ”Al wie … zesmaal kraamheer was, Spint om den wil van 't kroost een handje mede!” POTGIETER 9, 35 [1843]); vandaar: Kraamheerenmuts (”De vader (zet) de kraamheeren muts (een met kant omboorde pluimmuts van satijn of piqué) op het hoofd”, SCHOTEL, Oud-Holl. Huisg. 27; ”Op 't kandeelmaal zat de kraamheer met zijn mooije kraamheersmuts op … naast de kraamvrouw”, Oude Tijd 1873, 55)
Kraamhuik: zooals eene kraamvrouw draagt (”Een fijne baptisten kraamhuik”, Oude Tijd 1873, 56)
Kraamhuis (”De beveiliging der Kraamhuizen”, BERKHEY, N.H. 3, 1327 [1773]; ”De oudere buurvrouwen, die reeds in 't kraamhuis bijeen waren”, TER GOUW, Volksverm. 548 [1871])
Kraaminfectie (KOUWER, Kraamverpl. 99)
Kraaminrichting: ter verpleging van kraamvrouwen (”Zakjes …, die in kraaminrichtingen goed te gebruiken zijn”, TREUB, Leerb. d. Verlosk. 316)
Kraamkamer, ook fig. (”Dat wy daar even kandeel in de kraam-kamer gedronken hebben”, WOLFF en DEKEN, Leev. 6, 350 [1785]; ”Mijne lezers mogen niet klagen over dit langdurig vertoeven in de kraamkamer van ons hooger onderwijs”, BUSKEN HUET, Rembr. 1, 340 [1882]); vandaar: Kraamkamerbericht (”Wy wachten de dagelijksche kraamkamerberichten met verlangen”, BILD., Br. 4, 238 [1826])
Kraamkind (”Een Moeder met haar KraamKindje”, Keuren v. Haerlem 1, 85 a [1745]; zie ook FOKKE, B.R. 4, 165 [1806])
Kraamklopper(tje), voorheen te Haarlem en elders de versierde klopper aan de huisdeur van eene kraamvrouw, later door een versierd plankje of lapje vervangen; zie b.v. BERKHEY, N.H. 3, plaat VIII [1773]; Oude Tijd 1872, 149 volgg.
Kraamkoets, kraambed (”Kraemkoets daer hij (de Zon) daeghen baert”, HOOFT, Ged. 1, 288 [1627]; ”Eer zij uit de kraamkoets herrees”, POTGIETER 2, 179 [1844]); vandaar: Kraamkoetsbouw (”'t Plekjen dat wy kozen Tot den echt- en kraamkoetsbouw”, BILD. 1, 432 [1810])
Kraamkosten (”Seyde, dat … wilde … eysschen craemkosten, defloratie en alimentatie van 't kindt etc.”, C. HUYGENS Jr., Journ. 1, 202 [1689]; ”Van gelyken zullen geen Dienstbooden, haar laatende beslaapen van haar Broodheeren, … eenige Actie van … Kraamkosten … geschaapen zyn”, Statut. v. Friesl. 16; ”Eene Mansperzoon kan volstaan om een door hem gedefloreerd Meisje … zo zy bevrugt is te betaalen de Kraamkosten”, CHOMEL, Verv. 1124 [1787])
Kraamkruid, eene plant die geacht wordt de baring te bevorderen, Dictam creticus (CHOMEL 482 b [1768])
Kraamkunde, verloskunde; verouderd
Kraamleger, bevalling (”De vier eerste Kraamlegers”, BERKHEY, N.H. 3, 1157 [1773])
Kraammaal, bij BERKHEY (BERKHEY, N.H. 3, 1262 [1773]) ook kindermaal geheeten en onderscheiden van het geboortemaal (”Dat dagelyks ter occasie van het in het … Kraambed leggen der Vrouwen … werden aangestelt en gegeeven Kraammaalen”, Gr. Placaetb. 8, 477 a [1756]; zie ook DOEDYNS, Merc. 2, 111 [1698], en CHOMEL, Verv. 4435 a [1791])
Kraammoeder, hetzelfde als Kraamverzorgster (”Vrouwen swanger zynde … sal niemand vermogen … onderstand te doen, nog ook door Aalmoesseniers, of Kraammoeders gedaan worden”, bij V. MIERIS, Beschr. v. Leyd. 211 b, a°. 1716; ”Het opzigt over de jonge meisjes (t.w. in zeker gesticht) is aan de voorzorg der acht Kraammoeders … toevertrouwd”, 219 a)
Kraammuts (”De kraamheer had … voor het laatst de kraammuts op”, SCHOTEL, Oud-Holl. Huisg. 35)
Kraampoëet (BILD. 11, 130 [1812])
Kraampracht (SIX V. CHAND. 285 [1657])
Kraampret (”Kraampret volgde op kraampret, kandeeltjes op kandeeltjes werden er gegeven”, SCHOTEL, Oud-Holl. Huisg. 56)
Kraamschenderij, verg. mnl. craemscenner (”Openbaere misdoden …, te weten, moort, … craemschenderie”, Lantr. v. Veluwen II, 7)
Kraamschut, zgn. Spaansche wand die een kraambed tegen tocht enz. beschut (”Zwaare yzere deuren als onnozele kraamschutten opteneemen”, WOLFF en DEKEN, Blank. 2, 256 [1787])
Kraamsieraad (”Dit Kraamsieraad” (t.w. een kloppertje), BERKHEY, N.H. 3, 1251 [1773])
Kraamsociëteit, zie bij Kraambeurs
Kraamspel (”Ik kom …, om dit Kraamspel te zien”, V. HALMAEL, List. Juffer betr. 55)
Kraamsponde (”Hoe omzigtig waarde men rondom de kraamsponde”, FOKKE, Verz. W. 1, 30 [1782])
Kraamstoel, stoel voor eene kraamvrouw, bij uitbreiding: leunstoel (in Limburg; SCHUERM. [1865-1870]) (”Een Kraamstoel, … met juweelen bezet”, DE BRUYN, Reizen 1, 3 a [1698])
Kraamstuipen: die eene vrouw soms krijgt na hare bevalling (KOUWER, Kraamverpl. 75)
Kraamsuiker (zie SCHOTEL, Oud-Holl. Huisg. 35)
Kraamsymbool (t.w. het witte linnen op een kraamkloppertje, TER GOUW, in Oude Tijd 1872, 151)
Kraamtijd (”Als of eene Kraamvrouw, geduurende haaren kraamtyd, aan de vervolgingen van onzichtbaare vyanden … was blootgesteld”, CHOMEL, Verv. 4437 a [1791])
Kraamtoeval (”Sonder datmen weet of sulcks door achteloosheyt van de Vroevrouwen, of andere Kraem-toevallen by gekomen is”, V. BOS, Brachelius' Gesch. 491)
Kraamuitlegging, bevalling
Kraamverpleegster (”Het beroep van kraamverpleegster”, KOUWER, Kraamverpl. 101)
Kraamverpleging (o.a. als titel van een werk van KOUWER)
Kraamvertrek (”Het kraamvertrek, waar de weeklagten der moeder nu werden afgewisseld door het geschrei van het even geboren kind”, LOOSJES, Lijnsl. 4, 105 [1808])
Kraamverzorgster (”Het innestellen … van 't ampt der Craem-verzorchsters, ten eynde omme opzicht te nemen op alle schamele Craem-vrouwen, op dat de zelve in hun noot behoorlicke handtreyckinge … gewerden mochte”, bij V. MIERIS, Beschr. v. Leyd. 200 a, a°. 1586; zie ook Keuren v. Leyd. 121 volg.)
Kraamvetje (”By de Boeren heet dit (t.w. hetKindermaal”) het Kraamvetje”, BERKHEY, N.H. 3, 1262 [1773])
Kraamvisite (”Myn jong Groen-Vrouwtje heeft hier eergistren Kraam-visite gehouden”, WOLFF en DEKEN, Leev. 1, 101 [1784]; ”Kraamvisites worden bij voorkeur afgewacht” enz., gewone formule in advertenties)
Kraamvloed, hetzelfde als Kraamzuivering (”De gevolgen eener opgestopte kraamvloed”, CHOMEL, Verv. 4444 b [1791], ”Deze afgescheiden stoffen dragen den naam van … kraamvloed of lochia”, KOUWER, Kraamverpl. 92)
Kraamvloeiing: na eene bevalling (CHOMEL 1614 b [1770])
Kraamwaren, eene kraamvrouw verplegen (PLANT. [1573]; bij MOLEMA daarnaast Kraamverwaren); vandaar: Kraamwaarster, baker (PLANT. [1573], CHOMEL 1615 b [1770], MOLEMA; verg. Kraambewaarster)
Kraamwerk, feesten en derg. ter gelegenheid van eene bevalling (”'t Kostelyck kraemwerck en leckere pannen, Die op den viere staen te gloên”, bij SCHOTEL, Oud-Holl. Huisg. 34)
Kraamwijf, kraamvrouw; in Z.-Nederl., zie b.v. CORN.-VERVL. 1841 (”Het kraemwyf ging er in (t.w. in eene hut), en bleef er dertig dagen”, CONINCKX, Fab. 53 [1808])
Kraamzaal: in eene kraaminrichting (KOUWER, Kraamverpl. 97)
Kraamzak (zie SCHOTEL, Oud-Holl. Huisg. 20)
Kraamziel, in toepassing op eene kraamvrouw (”Mijn' kraem-siel, sijt getroost”, VONDEL 3, 114 [1631])
Kraamzilver, zilveren voorwerpen die bij eene kraamvrouw dienst doen (SCHOTEL, OudHoll. Huisg. 20)
Kraamzuivering, 1°. de gezamenlijke vloeiingen gedurende eenigen tijd na de bevalling (”De kraamzuivering is by dat gedeelte der Vrouwen, die met haaren arbeid de kost winnen, doorgaans minder en van korter duur dan by onze voornaame Vrouwen”, CHOMEL, Verv. 4444 b [1791]; ”Het bij de oudtijds zoogenoemde kraamzuivering naar buiten komende vocht, gewoonlijk als lochiën of lochiaalsecreet aangeduid”, TREUB, Leerb. d. Verlosk. 307); 2°. het daarbij naar buiten komende vocht (”Deze afgescheiden stoffen dragen den naam van kraamzuivering … of lochia”, KOUWER, Kraamverpl. 92); enz.
— Als tweede lid. Miskraam (zie ald.).
— Verder: in de bet. 1) Kermiskraam (”De Kermis-Kraamen blyven … tot diep in den Nagt open”, BERKHEY, N.H. 3, 931 [1773]; ”De fraaie poppen …, in de kermiskraam ten toon gesteld”, V. LENNEP, Rom. 10, 251 [1838]; zie ook WAGEN., Amst. 2, 415 a)
marktkraam (WAGEN., Amst. 2, 415 b); enz.
— Voorts in samenstelling met den naam van het artikel dat in de kraam verkocht wordt: blikkraam, houtkraam, linnenkraam, oliekoekenkraam, poffertjeskraam, poppenkraam, wafelkraam, zilverkraam, enz. Zie b.v. eene reeks van zulke samenstellingen bij WAGEN., Amst. 2, 415 b volg.
— In de bet. 2, b). Jufferkraam, jonge-damessieraden enz. (”Sy leyde al de Juffer-kraem dadelick af”, CATS 2, 60 a [1635])
keuken-duiveleragekraam, keukenrommel (WOLFF en DEKEN, Leev. 1, 207 [1784])
koffiekraam, in het Westvl. kaffiekraam, koffieblad met toebehooren (DE BO [1873])
maagdekraam, jonge-damessieraden enz. (”Hy had eens seker boeck in haer vertreck gevonden, … Hy stack het boeckjen weg …, En liet het maegde-kraem gelijck het eertijts lag”, CATS 2, 197 b [1635])
pillenkraam (”Hoe? … Gij, met dat pillenkraam”, J. V. RIJSWIJCK (ed. 1871) 68)
poppekraam, kinderachtige rommel (”Dit gantsche poppekraem getast op eenen hoop Staet voor myn' munte veil”, DE DECKER 1, 210 [1666])
santenkraam, eigenlijk: de heiligenbeelden die in een winkel te koop staan of in eene kerk worden aangetroffen, vervolgens: de heele rommel (thans de gewone beteekenis) (”De Luthersche Inwoonders (hebben) den … Catholyken Pastoor al desselfs kerksieraden met de geheele Sante kraam voor zyn huis gebragt, en aangezegt te verhuizen”, DOEDYNS, Merc. 1, 619 [1698])
voddenkraam (”Als 't vodde-kraem hem schoon in de oogen blinkt”, DE DECKER 1, 334 [1659]; ”Een regte Nufjes voddekraam”, WOLFF en DEKEN, Econ. L. 2, 205 [1781]; ”De … volkseigene kleederdracht volgen en de … fransche voddekraam en prullewinkel verachten”, WINKLER, Oud Nederl. 309); enz.
— In de bet. 3). Koninginnekraam (”Koninginnen kraem”, HUYGENS 1, 45 [1645])
voorkraam, in de uitdr. de voorkraam hebben, krijgen, schertsend gezegd van een jonggehuwd man die ongesteld wordt.
Aanm. Niet zeer duidelijk is de beteekenis van kraamware doen op de volgende plaats; de bedoeling schijnt te zijn: de kraam weren, niet willen dulden.
Alckmaer dede ons kraem-waere, … Eylaes waer sullen wy gaen? O Amsterdam vercoren, Ghy laet ons kraem noch staen,   bij V. VLOTEN, N. Geschiedz. 2, 74
(Klacht der Geestelijken).

Aanvulling bij KRAAM

Samenst.Kraamhulp, de hulp die aan een kraamvrouw wordt geboden door vroedvrouwen, kraamverzorgsters e.d.
Afdrukken van de statuten betreffende de Vereenigingen …. N°. 175. Christelijke Vereeniging tot Kraamhulp, gevestigd te Haarlem,   Ned. Staatscour. 10 Maart 1925, 3 b.
Staatscommissie in zake kraamhulp,   Weekbl. Gemeentebel. 6, 120 b [1927].
Het derde punt, waartoe de bemoeienis van de (Rijkskweek)school (voor vroedvrouwen) is uitgegroeid, is de goede kraamhulp tegen billijke financieele voorwaarden voor minvermogenden buiten de kliniek,   Hand. St.-Gener. 1932-'33, Tw. K., blz. 58 b.
Kraamschudden, (O.-Nederl.) op kraamvisite gaan.
Eerst kwamen de ”naobervrouwen”, de een na de ander, om de kraamvrouw ”aan te spreken” …. Elders worden de verwanten wel tegelijk tot een groote kindervisite genoodigd. ”Uit kraomschudden” gaan noemt men dit bezoek,   HEUVEL, Boerenlev. 67 [voor 1927].
Het kwelde haar, dat ze haar volkshuis niet eens een aanzegging kon laten doen en dat er van die kant geen mens zou komen kraamschudden,   V. NIJNATTEN-DOFFEGNIES, Henne 198 [1947].
Als de man, wiens ega kraamschudden is geweest, vraagt: woo is 't met de vrouw? dan kan de andere antwoorden: oo, 't zit al in 'n pak (het kind zit al in het pak het is allemaal al achter de rug),   BEZOEN 81 [1948].
Kraamverband, verband gebruikt voor een kraamvrouw.
  Uit een reclamebl. [1962].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1907.