Koppelingen:
Vorig artikel: KREUKELEN Volgend artikel: KREUNEN
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

KREUKEN

Woordsoort: ww.(trans.,intr.,zw.)

Modern lemma: kreuken

— daarnaast KROKEN dat thans alleen dichterlijk en gewestelijk is, en in 't Vlaamsch KROOKEN met scherpheldere o —, bedr. en onz. zw. ww. Mnl. croken; mnd. kroken, nnd. kröken. Bij Kreuk (krook). De grondbeteekenis van het woord schijnt buigen, krommen te zijn.
+A.  Bedr.
+B.  Onz.
Afl. Ongekreukt, verkreuken (zie die woorden).
— Verder: Gekreuken, b.v. in de bet. buigen; verouderd (”Die hem soo can gecroken, Verwinnen sullen die al allen lijdens toren”, Schadtk. 24)
kreukbaar, vanwaar: onkreukbaar (zie ald.)
kreukelijk, vanwaar: onkreukelijk (zie ald.)
kreuking (”Met kreuking van 't geweten”, OUDAAN, Poëzy 3, 465; ”Bij sommigen (t.w. door de veepest aangetaste runderen) is de huid langs den rug gespannen en opgezet, zoo dat men er op drukkende, als eene krakende kreuking, even als van droog pergament, er aan gevoelt”, BERKHEY, N.H. 8, 330 [1810]).
Samenst. en samenst. afl. Kreukefronsen, fig. voor: schaden; ongewoon (”Om arrigwaan te kreukefronzen”, Bloemkr. v. versch. Ged. 95)
kreukehemdje, schertsend voor: iemand die het hemd kreukt (”Dan kan onse Hallef-dolle, Omme-rolle, Lopen, als het haesje doet. Dan kan onse Styve-kootje, Dit Mallootje, Kreucke-hemdtje spelen mee” enz. (t.w. buiten met haar vrijer), QUINTIJN, Lys e. B. 148)
kreukknieën, de knieën buigen; ongewoon (”Sijtge langlijvig, kreuk-kniet”, VALENTIJN, Ovid. 1, 226).
— Wellicht heeft kreuken ook de bet. van: het geplooide lederen zakje van een lokfluitje indrukken en daardoor het lokgeluid voortbrengen, t.w. bij de kwartelvangst, maar van deze bet. is geen voorbeeld opgeteekend. Eene samenst. met kreuken in dezen zin is dan kreukbeen, een hol beentje om zoo'n lokfluitje van te maken; op zichzelf beschouwd zou het eerste lid hiervan 't znw. kreuk kunnen wezen, maar dan zou men, om kreukelen in den zin van ”de lokfluit hanteeren” (zie ald. de bet. A) te verklaren, moeten aannemen dat van 't znw. kreuk een denominatief kreuken met die bet. is gevormd, vanwaar weer kreukelen; en dat is onwaarschijnlijk (”Ick … seynde … twee kreuck- off ploeybeenen, die keurlyck goet sijn”, V.D. GOES, Briefw. 1, 10 [1659]).
— Als tweede lid. Omkreuken, opkreuken (zie die woorden).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1907.