Koppelingen:
Vorig artikel: KROMHOORN Volgend artikel: KROMME I
Etymologie: EWA
GTB Woordenboeken: MNW

KROMHOUT

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: kromhout

znw. onz., mv. (in de bet. 2) -en. Uit Krom en Hout. Mnl. cromhout; hd. krummholz. Krom gegroeid hout, dat voor industrieele doeleinden, met name in den scheepsbouw, wordt gebruikt.
+1.  Als stofnaam.
Alle … Goederen …, uytgesondert alleenlijck Kanthout, Kromhout en Eycke Plancken,   Gr. Placaetb. 4, 449 a [1599].
Speecken, Eycken van een knye van seven claveneyen breedt …, Drack-hout van een knye …, Crom-hout oft balckoenen van een knye enz.,   Placc. v. Brab. 1, 433 a [1622].
Zoek u overvloed van kromhout (er is sprake van het maken van een wagen),   D. J. V. LENNEP 248.
In den handel komen twee soorten vsn eikenhout voor: als 1°. regthout …, en 2°. kromhout,   MOSSEL, Schip 61 [1859].
+2.  Als voorwerpsnaam, voor een afzonderlijk stuk hout.
Terwijl de andere (schepen) … hare Kromhouten, in plaets van Anckers, lieten vallen,   SCHOUTEN, Voyagie 1, 57 [1676].
(Een boerenwagen) heeft … aan den as der voorste Wielen, in 't midden, een kromhout, den krommen Dissel geheeten,   BERKHEY, N.H. 4, 1, 230 [1779].
Kniestukken en kromhouten voor den scheepsbouw,   GROTHE, Mechan. Technol. 208 [1879].
Afl. Ontkromhouten (zie ald.).
Samenst. Kromhoutsgast, schertsend voor: een schepeling die veel tusschen de kromhouten, dat is beneden, zit, die zijne werkzaamheden niet op het dek verricht; ook: een schepeling die dikwijls ziek is.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1908.