Koppelingen:
Vorig artikel: KRUIDHOF Volgend artikel: KRUIDKOEK
GTB Woordenboeken: MNW

KRUIDIG

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: kruidig

KRUIIG —, bnw. en bijw. Mnl. crudich. Van Kruid met -ig. Met kruid(en) in betrekking staande; b.v. in de volgende toepassingen.
1.  Eigenschappen van een kruid (in de bet. 1) hebbende, zoodanig als bij een kruid behoort, kruidachtig. Weinig in gebruik.
Vlier, die Kruidig is, … Men noemt deeze in ons Land, … Hadig of Laage Vlier,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 4, 424 [1775].
De Stengen … zyn Kruidig, en vergaan des Winters,   HOUTTUYN, Nat. Hist. II, 4, 425.
2.  Voorzien van —, rijk aan specerijen.
Den schatrijken oest der krujdige Molukken,   HOOFT, Ged. 1, 305 [1629]
 (zie ook ANTONIDES 1, 57 [1671]).
(De) Fenix …, Eerst om zyn ouderdom in 't kruidig nest gedoken,   OUDAAN, Poëzy 1, 248
 (zie ook VONDEL 8, 594 [1660])
 .
+3.  Op de manier van specerijen, specerijachtig, en vandaar: pittig, scherp, of wel: geurig.
Afl. Kruidigen, ongewoon (”Meede, die sy … met Nagelen, Kaneel, Peper, Cardamom, en andere Specerijen kruydigen”, STRUYS, Reysen 149 [1676]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1908.