Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: KUIEREN III Volgend artikel: KUIFELEN
Dialect: WVD, WVD
Etymologie: EWN

KUIF

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: kuif

znw. vr., mv. kuiven. Zie voor mogelijke verwanten de etymol. wdbb.
+1.  Bij menschen en sommige dieren. Het opstaande voorhaar.
Zyn hairtje is netjes, en naar de mode met een kuifje gesneede,   V. EFFEN, Spect. 6, 5 [1733].
Wanneer (dekroonvan runderen) … met dik haar bedekt wordt, en wel met grof of gekruld haar, dan zegt men wel kuif, haarkuif, kroonkuif of vlucht,   BERKHEY, N.H. 4, 2, 279 [1805].
Dat een jong, met geld voorzien Meisje, eens wat veel smaak in allerlei kuifjes en smaartjes heeft; en gaarn als een mooi net dingetje over de straat dribbelt,   WOLFF en DEKEN, Blank. 2, 145 [1787].
Zijn dik, glanzend haar was netjes gekamd met een fikschen kuif,   COUPERUS, Kl. Z. 1, 2 [1901].
+2.  Het hoofdhaar in 't algemeen genomen. In dezen zin niet meer in gebruik.
Tot dat mijn (t.w. Samsons) pan ontbloot, ick bloot stond van vermoghen Als d' onbesne'en … boeyde my, tot dat mijn kuyf volgroeyt bykans, Hy vyerde Dagons feeste,   VONDEL 2, 58 [1620].
Dirck schickt sijn Soontjen op met sijn' gebloosde kaken, En sijn' gekrulde kuyf, als of 't een Meisje waer,   HUYGENS 2, 218 [1654]
 (zie ook SCHERMER 413 [c. 1710]) .
3.  Eene soort van gesteven vrouwenmuts. Zie kuivenmaakster (en kuifmuts?) bij de Samenst.
Afl. Gekuifd (zie ald.)
kuiven, van eene kuif voorzien (V. D. HOOP, Warschau 103; J. V. RIJSWIJCK 1, 318; 367).
Samenst. en samenst. afl. Kuifbal, door BEETS (BEETS, C.O. 239 (ed. 1864) [1840]) gevormd ter vervanging van volant; zie BEETS, Na vijftig Jaar 123 [1888]
Kuifcelpoliep, als vert. van Plumatella de benaming voor een geslacht van celpoliepen of mosdiertjes waarvan de cellenstok over de geheele lengte der buizen vastgehecht is en de cellen met elkaar in verbinding staan (HERKLOTS, Weekd. 361)
Kuifduiker, eene soort van Fuut met een bundel lange vederen aan weerszijden van het achterhoofd, Podiceps cristatus; zie b.v. ALBARDA, Ned. Vogels 114 [1897] (”Tot de in ons vaderland zeldzame soorten behoort de in het noorden broeiende kuifduiker of kleine zanddrijver, met groote groenzwarte kraag om de wangen, en een bundel van lange bruingele vederen daarboven”, BURGERSDIJK, Dieren 2, 498 [1869])
Kuifeend, eene soort van eend, waarvan het mannetje tot een hangende kuif verlengde kruinvederen heeft, Anas fuligula (SCHLEGEL, Vogels 219; ALBARDA, Ned. Vogels 105 [1897])
Kuifkast (”Een Mahonie Kuif- of Boogkast”, Uit een dagblad)
Kuifkip
Kuifleeuwerik, 1°. eene soort van leeuwerik waarbij de veeren van de kruin tot een kleine puntige kuif zijn verlengd, Alauda cristata (SCHLEGEL, Vogels 114; ALBARDA, Ned. Vogels 22 [1897]); 2°. bij overdracht eene soort van snotvisch met een kuif of kam boven op den kop tusschen de oogen, ook Zeeleeuwerik geheeten; Blennius pavo (zie b.v. HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 7, 225 [1764])
Kuiflintvisch, naam voor soorten van lintvisschen: de kop is boven den snuit helmvormig verhoogd, en draagt daar het hooge gedeelte der rugvin; Lophotes (SCHLEGEL, Dierk. 2, 81 [1858])
kuivenmaakster (”Een Styfzel …, die veel witter en beter in het gebruyk zal zyn als de ordinaire Styfzel, gelyk daar van in het byzonder de Kuyvenmaaksters getuygenis geven konnen”, Geld. Keukenm. 429; zie ook WOLFF en DEKEN, Blank. 2, 236 [1787])
kuifmees, eene meezensoort waarbij de veeren achter op den kop eene soort van puntige kuif vormen, Parus cristatus; zie b.v. ALBARDA, Ned. Vogels 27 [1897] (”Hoor hoe kuifmees … En wielewaal en sysje … zich veréénen”, V. WINTER, Jaarg. 32)
Kuifmuts (”Een zedig Kuifmutsje op, daar het bakkesje van een Heiligje uitkeek”, WOLFF en DEKEN, Burg. 655 [1782]; ”Jy lykt wat naar jen Grootmoeder! Die ging met een kuifmusje, en een zyd japonnetje alle zondag ter kerk”, WOLFF en DEKEN, Leev. 1, 261 [1784])
Kuifveder (”De … kuifeend of kamduiker, waarvan het mannetje in het prachtkleed met paarsachtig zwarte, naar achteren overhangende kuifvederen gesierd is”, BURGERSDIJK, Dieren 2, 495 [1869])
Kuifvleugeltjesbloem, als naam voor Polygala comosa (Ned. Plantenn. 44)
Kuifvlucht (”Dat men de horenvlucht der Koeijen ook kruinvlucht, kuifvlucht, kroonvlucht noemt”, BERKHEY, N.H. 4, 2, 279 [1805])
Kuifvogel (”Omtrent half May zagen ze wederom Zwaanen, Endvogels, en een onnoemlijke meenigte kleine Kuifvogeltjes”, ZORGDRAGER, Groenl. Vissch. 34 [ed. 1727])
Kuifvormig (”Sommige soorten (van koekoeken) hebben de vederen van den bovenkop kuifvormig verlengd”, SCHLEGEL, Dierk. 1, 204 [1857])
Kuifzadig, b.v. in 't mv. de Kuifzadigen als benaming voor eene onderafdeeling van de familie der Katjesdragenden, de Wilgen: de vrucht bevat gekuifde zaden (V. HALL, Landh. Flora 202 [1854]); enz.
— Als tweede lid. Haarkuif (zie ald.); vandaar: haarkuivig (”Haijrkuijvige Grieken”, V. MANDER, bij WEIL.)
helmkuif (Dl. VI, 522)
kroonkuif (Dl. VIII, 358)
opkuiven (zie ald.)
vederkuif (”Bij andere (hoenderrassen) is de kam op den kop door een vederkuif vervangen”, BURGERSDIJK, Dieren 2, 382 [1869])
witkuif, als naam voor hoenders met witte kuiven; enz.

Aanvulling bij KUIF

Samenst. Kuifoortrap, (w.g.) andere ben. voor Arabische trapgans, in Azië voorkomende trapgans met veertjes bij de ooren (Otis Auribus erecto-cristatis).
Het kenmerk der Ooren … vindt men zeer duidelyk in deeze Kuif-Oor Trappe, gelyk sommigen hem (t.w. de Arabische trapgans) willen getyteld hebben,   HOUTTUYN, Nat. Hist. I, 5, 296 [1763].
  CHOMEL 3703 a [1775].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1909.