Koppelingen:
Vorig artikel: LAMPEN Volgend artikel: LAMPETTEN
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

LAMPET

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: lampet

znw. onz., mv. -ten. Mnl. lampet. Alleen in het Ndl. voorkomende (het fr. lampette, aangehaald bij HAVARD, Dict. de l'Ameublement i. v., kan een neerlandisme zijn) en dus blijkbaar in onze taal gevormd van Lamp (of vervormd uit een ander woord? zie eene gissing bij S. DE GRAVE, Fr. Woorden 365).
+1.  Een mandje van bandijzer, voorzien van een ketting om te hangen of van eene gaffel met stang om in de hoogte gestoken te worden, waarin sterk vlammende voorwerpen (pekkransen en derg.) of sterk rookende gebrand worden, hetzij ter verlichting of tot het geven van seinen bij nacht of bij dag.
De haylighe Poësij … Verscheen daer in den vleesch; bij toerssen en lampetten, Toerustende, met meer als vorstlijcke' overdaedt, D'aensienelijcke prael,   HOOFT, Ged. 2, 400 [1618].
Maar 't licht der lampetten, toortsen, teertonnen verheeven tot aan de daaken, vuurwerken op de toorens …, maakten dat men geenen dag miste,   HOOFT, N.H. 808 [1642].
Is dienvolgens … op 't Catarine Kerkhof geplaatst, een nieuwe slang-brandspuyt, ende vier lampetten met pekkransen voorsien, waar van twee … geduerende den brand, gehouden zullen worden by de twee trappen daar 't water zal worden geschept, de darde enz.,   Utr. Placaatb. 3, 619 a [1687].
+2.  Kan waaruit men water schenkt om zich te wasschen; ook: de kom of het bekken waarin het waschwater geschonken wordt, of: kan en kom te zamen. Misschien is het woord 't eerst toegepast op eene kan in den vorm van eene lamp. Buiten samenst. weinig meer in gebruik.
De maert bracht een gulden lampet vol waters gheplant Op een silueren becken: hy wiesch, sy heeft ghegoten,   COORNHERT, Odyss. 1, 44 a.
De magistraet van Groeningen schonck aen Sijn Extie een heerlijck vergulden lampet met 600 rosenobelen daerinne,   DUYCK, Journ. 1, 466 [1594].
Haalt water, pagie, Met een suyv're dwaal, en het vergult lampet,   BREDERO 2, 171 [1617].
Wy stonden om 't Lampet, daer elck sijn' handen wies,   HUYGENS 2, 444 [1671].
Een seer grote schotel en lampet van aerde,   V.D. GOES, Briefw. 2, 375 [1672].
Een groot silver lampet en schotel,   V. HARDENBROEK, Gedenkschr. 1, 253 [1762].
Lampet. Lampetkan. Schenkkan, daar 't handwater in gedragen werd. … Lampet, groote plaatte schotel. … Posteleine Lampetten, lampetschotels. … Halve lampet. Plat de la moyenne grandeur,   MARIN.
Het geluk van des morgens met een blij gelaat mijn lampet aan te grijpen en het heldere frissche water op mijne handen te gieten,   BEETS, C.O. 277 [1837].
3.  Als term in de kerkelijke bouwkunst beteekent lampet misschien een voetstuk voor een beeld en derg. in den vorm van een platte lamp of schaal.
Vier anckers om de vier Draken rustende up de lampetten, waer up rusten moet de middelcolomme van de voyen,   bij V. LERBERGHE en RONSSE, Auden. Meng. 4, 135 [1616].
Waarbij men echter het Oxaal, als van eene goede teekening zijnde, behield; hetzelve alleen van onderen versierende met een nieuw Lampet,   DE KONING, Taf. d. Stad Haarlem 1, 165.
Samenst. Lampetkan (”Een zilveren lampetkannetje met een gedreven ruitergevecht”, BUSKEN HUET, Rembr. 1, 487 [1882]; zie ook een voorbeeld bij Lampetschotel)
Lampetkom (”Pieter, de lampetkom óverschenkende”, BEETS, C.O. 72 [1839]; zie ook DAUM, Raad v. I. 121 [1888])
Lampetpot, hetzelfde als Lampetkan (CORN.-VERVL.)
Lampetschotel, thans verouderd (”Lampetschotel, wyde platte schotel of bekken (waar) de lampet-kan in gedragen werd, en 't hand water in valt”, MARIN; — ”Hy (sondt) aen 't Hof … presenten, te weten ses silvere Lampet-schotels aen de Coninginne” enz., Holl. Merc. 1651, 63 b [1659]; ”Op de Tafel stond een postelijne Lampet-schootel”, ASSELIJN, Kraamb. v. Z. J. 45).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1912.