Koppelingen:
Vorig artikel: LANDORIUM Volgend artikel: LANDPAAL
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

LANDOUW

Woordsoort: znw.(v.,o.)

Modern lemma: landouw

znw. vr. (hier en daar in Z.-Nederl. onz), mv. -en. Mnl. landouwe; reeds ± a°. 960 komt in Landei als plaatsnaam in Holland voor (V. D. BERGH, Oorkondenb. 1, 24 b). Uit Land en Ouwe. Ten onrechte meermalen landsdouw, een enkele maal landdouw geschreven.
1.  Naar zijn oorsprong moet landouw beteekenen een van water doorsneden of aan water gelegen land, weidestreek of weiland; dien zin heeft het op de weinige uit het Mnl. bekende plaatsen, en ook KIL. [1599] kent er, naast de onder 3) genoemde bet., die van Pascua; pascuus ager: regio pascuis apta: prata, regionis siue patriæ pratum aan toe. Op de volgende plaats is het misschien in denzelfden zin bedoeld.
't Werk (de Beemster), … 't welk nu … zo heerlyk en treffelyken landtsdouwe is,   LEEGHWATER, Haarlemmer-Meerb. § 167.
2.  Verder is landouw een min of meer dichterlijk woord, meest in 't mv. gebruikt, ongeveer hetzelfde als velden, ter aanduiding van een vlakke of eenigszins heuvelachtige landstreek die uit weilanden of akkers bestaat.
Wy (voeren) met drie sloepen aen Landt, alwaer ick ghesonden worde om 'tlandt te ontdecken, d'welck seker een schoone landouwe is, met welrieckende bosschagien ende bloemen verciert,   O.-I. e. W.-I. Voyag. 2, 4 c [1598].
Wen lentische landou uw' (t.w. Venus') godheyd bloemen wijd,   VONDEL 2, 544 [1626].
Van achteren, en ter zyden, was (het landhuis) … omcingelt met zyn toebehoorende Landouwen, waar op het nu haast-rype koorn … een blykelyk getuigenisse gaf van de vrugtbaarheit der Akkeren,   V. HEEMSKERK, Arc. 11.
Die groene landouwen, die silvere waeteren en rivieren,   POIRTERS, H. Herte 10.
In 't lant van Goze, ryk van grazige lantsdouwen,   HOOGVLIET, Abr. 5 [1727].
Het Bosch nu byna ten einde gekomen zynde, zag ik, in 't verschiet, eene … zeer vermakelyke Landsdouw,   Philanthrope 2, 103 [1758].
Weest steeds gezegend, gij bevallige landouwen,   NIEUWLAND, Nag. Ged. 2, 100.
Bandaas … welige landsdouwen,   HELMERS, Holl. N. 109 [ed. 1814].
De schoonste landsdouwen van ons bekoorlijk Gelderland,   DONDERS, in Karaktersch. v. verm. Nederl. 125.
De eenigszins golvende landouwen daarrond waren … met dichte, langstekelige, grijsgroene pijnboomen begroeid,   LOVELING, Sophie 306 [1885].
Wanneer de morgen straalt Op waatren en landouw,   ESSER, Licht en Sch. 117 [1874].
Uit alle hemelhoeken zal de wind frisch en helder over onze nu zoo slaperige landouwen waaien,   VERMEYLEN, Opst. 1, 212.
3.  Bij uitbreiding werd landouw vroeger in 't algemeen gebruikt voor: landstreek, streek, gewest, soms: terrein.
O Vransche landauwe van zoeter aert Wat staet hu nv al griefs te lydene,   EVERAERT 97 [1525].
Het lucht-vê, als de tijd wil heten of verkouwen, Zoekt na verschil ghevoegh dan warm' dan koell' landouwen,   SPIEGHEL 33.
De landouwe van dit Coninghrijck is ten deele plat, ten deele berghachtigh,   Begin e. Voortg. 7, 21 a [ed. 1646].
Den Ed. H Generael (heeft) … de twee Chineesche gesanten te paerde uyt playsieren geleyt ende haer de landouwe omher Batavia vertoont,   Daghreg. Bat. 1, 52 [1624].
Oover Vlaandere, en d'omleggende landdouwe,   HOOFT, N.H. 31 [1642].
Men ziet'er, door een poort in 't verschiet, de drooge dorre en dorstige landou quijnen,   VONDEL 3, 635 [1640].
Den Commandeur Riebeeck (is) met de heeren Commandeurs M. enz. … uytgegaen, om deselve te verthonen de lantdauwen deser plaetse, bequaem tot de culture,   V. RIEBEECK, Dagverh. 2, 141 [1657]
 (zie ook V. RIEBEECK, Dagverh. 2, 132 [1657]).
Het voornaamste bont der Hollandsche Koeijen is, of rood- of zwart bont; … men kan … aan het rood bont den voorrang geven, mits men oplettend nagaat de Streken en Landsdouwen,   BERKHEY, N.H. 4, 2, 210 [1805].
Een oude leeuw, monark van een landouw In Africa,   CONINCKX, Fab. 185 [1808].
Samenst. In de bet. 3). Landouwkunde (”Hoe meenigh heeft'er met den vreemdeling aangespannen, en hem, door zyne landouwkunde, aan vasten voet in een Ryk, geholpen, daar hy, op eighen geley, een treê niet zetten dorde?” HOOFT, N.H. 156 [1642]; zie ook HOOFT, N.H. 151 [1642]).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1912.