Koppelingen:
Vorig artikel: LEED I Volgend artikel: LEEDE
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

LEEDII

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: leed

— voorheen gewestelijk ook LEID —, znw. onz., mv. -en (ongewoon). Mnl. leet; ofri. lêth, nfri. leed; os. lêth, mnd. lêt, nnd. leed; ohd., mhd., nhd. leid; ags. lâđ meng. loth, neng. loath. Eig. het bnw. Leed (I) zelfst. gebruikt.
1.  Als benaming voor lichamelijk of stoffelijk nadeel, en dan naar gelang van het verband weer te geven door: beschadiging, letsel, pijn, schade, nadeel enz. Met betrekking tot zaken in de algemeene taal verouderd, maar b.v. in N.-Holl. nog in gebruik.
De dry kinders uyten viere, en swaren lee,   HOUWAERT, Vier Wterste 215 [1583].
Wij deeden ons bock en schuijt derwaert gaen … met beveel niemant leed te doen, dan vrundtlijck met den luijden te handelen,   in Bijdr. Hist. Gen. 21, 221 [1598].
Dat hy … syn mes getrocken hadde, ende hem leet socht te doene,   bij CANNAERT, Bydr. 287 [1610].
Maar schattingen houdt een yeder voor zyn eigen verlies, door de welke, wanneer yemandt wat te swaarlyk gedrukt wordt, die werpt met de goederen ook de vreese weg, en sonder sorge, voor eenig toekomendt gevaar te dragen, soekt een Hooft, alleen om zyn tegenwoordig leet en schaade af te weeren,   bij V. HEEMSKERK, Arc. 91.
Het quaet ofte leet, dat ons volck hebben gepleecht,   Daghreg. Bat. 9, 128 [1657].
'T schip kan tegen zijn leet niet. Het schip is bros,   WITSEN, Scheepsb. 511 b [1671].
Uw wieg heeft dáár geen leed te schromen,   TER HAAR, Ged. 2, 96 [1837].
Mevrouw Kegge (verzekerde) hem gedurig …, dat het de liefste diertjes (hondjes) van de wereld waren, die nooit iemand leed deden,   BEETS, C.O. 189 [1840].
Zoolang ik leef, zal u en uwen vader geen leed geschieden,   MULDER, J.F. 1, 113 [1857].
Hij kan goed tegen zijn leed, hij kan tegen vermoeienis, honger, dorst, als 't wezen moet. Ik kan dien hoed niet in uw koffer krijgen zonder leed.   poëem WNT
+2.  Verdriet, smart, iemand aangedaan.
Fortune viel ons stuer en wreet, Twee Amoureusen doende leet Als sy dit last bebriefde … wy (weenden) bee tranen heet: Want dien adieu ons griefde,   DE CASTELEIN, Lied. 54 [c. 1530].
Ghy moght de lieue Jonckvrouwe Marie gheen meerder leedt andoen, dan dat ghy haer … eenighe eer bewijst, die onsen Heer alleen toebehoordt,   GNAPHEUS, Tob. 90 [1557].
Waer hem dit leedt niet wedervaren, ghy hadt van spijt geborsten,   VONDEL 5, 45 [1646].
Alle leeden of lasten dezes levens,   LUYKEN, Br. 92.
Kato poogde voor Leed en Lust even ontrefbaar te zijn,   Philanthrope 1, 25 [1756].
De Celles … volvoerde de bevelen van zijnen Meester met gestrengheid … zonder sporen van menschelijkheid of zedelijkheid, als schiep hij behagen in leed te stichten!   V.D. PALM, Gedenkschr. 33 [1816].
De Vrouw, die … diep gebukt zit onder het leed,   STARING 1, 78 [1832].
Ik (ontving) dezer dagen van u een brief die mij meer leed deed dan genoegen gaf. Voor bedenkelijk hield ik den staat der zaken ja, maar zoo gevaarlijk als ik uit uw schrijven opmaken moet waren mij dezelve niet voorgekomen,   FALCK, Br. 247.
Die in het prilst der jeugd reeds de ongunst ondervond Van 't noodlot, en zoo grootsch 't langdurig leed doorstond,   DA COSTA 1, 148 [1821].
Het leed, dat hem griefde,   VEEGENS, Hist. Stud. 2, 281 [1862].
Zij heeft veel leed van haren man,   CLAES, Bijv. op TUERL.
Wonderlijk genoeg is er nog meer schaamte bij hen, die het leed lijden dan bij hen die het toebrengen,   V. EEDEN, Stud. 5, 38 [1903].
+3.  Smartelijk gevoel, kommer, verdriet.
God hoorde al myn leyt,   V. ZUYLEN V. N., Souterl., Ps. 4, 1 [1540].
Voor lighaam en voor ziel een vreugde sonder leydt,   DE GROOT, Ned. Ged. 186.
Evenwel droegh Samuel leet om Saul,   Statenb., 1 Sam. 15, 35 [ed. 1688].
Hare poorten sullen treuren, ende leet dragen,   Statenb., Jes. 3, 26 [ed. 1688].
Het leed, dat hij als zoon … gevoelde,   J. V. LENNEP, Lev. v. D. J. v. L. 1, 319.
Dat de arme baas … in de keuken zijn leed ging klagen,   2, 250.
Een tijd vol droefheid en wee, van naamloos leed te midden van een al te verfijnde beschaving,   QUACK, Stud. 355 [1884].
Hem te kunnen troosten in alle leed,   V. EEDEN, Stud. 4, 55 [1890].
+4.  In de bovengenoemde bett. wordt leed vaak tegenover lief gesteld.
Gheen lief, zonder leet,   GRUTERUS, Flor. 1, 105.
Licht, en lief in't begin, werdt swaer in't eyndt met leydt,   VISSCHER, Sinnep. 188 b [c. 1600].
Twee sielen gloende aen een gesmeed, Of vast geschakelt en verbonden. In lief en leed,   VONDEL 3, 397 [1637].
Soet en suur, en beyde leed en lief,   VONDEL 3, 470 [1640].
Elcken dagh heeft zijn lief en leet,   DE BRUNE, Bank. 1, 300 [1657].
Wij moeten nu en dan … ons eens kunnen vertederen over ons lief en leed van vroeger,   ROOSES, N. Schetsenb. 239.
Hij deelde lief en leed met zijne soldaten, en sliep meestal even als zij onder den blooten hemel,   V. REES, T. Poland 2, 37 [1867].
5.  Gewestelijk, met name in friesche en saksische streken, met betrekking tot een sterfgeval: de leed (bij GALLÉE: lee) aanzeggen, het overlijden bekend maken; vandaar wordt leed in Friesl. gebruikt o.a. voor: begrafenismaal.
Onder een ”leed” verstond men reeds sinds lang het middagmaal, hetzij warm of koud, dat bij eene begrafenis werd gegeven,   DYKSTRA, Friesl. Volksl. 1, 415.
Den bakkers werd ”leed gezegd”. Was er eene begrafenis waaraan zij bollen leverden, dan verzuimden zij niet daar ”leed van te nemen”, dit wil zeggen, zij kwamen ter begrafenis, doch voegden zich bij de buren, niet bij de ”vrienden”,   1, 417.
+6.  Moeite, last, beslommering. In Z.-Nederl.
Hij zal leed hebben, dat te verrigten,   HOEUFFT, Bred. T. 353.
De ouwers kunnen veul leed hebben mee' hun kinderen,   CORN.-VERVL.
Hij zal leed hebben om op tijd gedaan te krijgen,   Ald.
De voerman had veul leed me' ze' pèèrd,   Ald.
Afl. Beleeden, beleedigen, leelijk, verleeden (zie die woorden).
— Verder: Leeden, onaangenaam zijn; verouderd (”Leeden. Vædere, fastidire”, KIL. [1588]; ”Leeden. Fastidio esse, fastidire”, KIL. [1588]; — ”Wien 't ook leeden mag”, RODENBACH 172)
leedloos (”Haar leven, zoo leed- en gelukloos”, ROBBERS, Gel. Fam. 355 [1909])
leedzaam, 1°. hoogst onaangenaam (KIL.); 2°. met een gevoel van leedwezen (SIX V. CHAND. 602 [1657]).
Samenst., samenst. afl. en koppel. Leedvermaak (zie ald.).
— Verder: Leedbeklaging (”Brieven van … leedbeklaging”, DE BRUNE, Wetst. 1, 265 [1644])
Leedbesef (BILD. 14, 444 [c. 1830])
Leedbetreuren (BILD. 11, 218 [1819])
Leedbrief, brief van rouwbeklag (”Een leedbrief, geschreven op het huis de Nevel bij Arnhem, den 25 maart 1823”, Nav. 30, 485)
Leeddoener (”De leedtlijder zal tot leedt van den leedtdoender gebruiken alle voordeel dat hy van den zelven bekomt”, HOOFT, Henr. de Gr. 62 [1626])
Leeddragend
Leedgekwel (BILD. 7, 127 [1812])
Leedgenoot (BILD. 6, 423 [1806]; V. LENNEP, Poët. 7, 85 [1827])
Leedgetal, onaangenaam; sedert lang verouderd (KIL.)
Leedgevoel (”Maar verzoen u steeds van harte; dat geen trek op uw gelaat Ov'rig blijv', die van uw' boezem 't wrokkend leedgevoel verraadt”, D. J. V. LENNEP 261; zie ook BOSSCHA, Lev. v. W. II 367 [1852]; SCHIMMEL, M. H. 3, 46 [1860])
Leedherstelling (TOLLENS 8, 34 [1839])
Leedheugenis (ROBBERS, A. de Boogh 18)
Leedkauwende (”De leedtkauwende wraack, de wreetheyt onghenadich”, HOOFT, Ged. 2, 317 [1616])
Leedkreetig, onaangenaam (KIL. [1588]); vandaar: Leedkreetigheid (KIL. [1588])
leedenlied, klaaglied (HUYGENS 1, 249 [1638]) leedlijder (zie bij Leeddoener)
Leedtuigend (”De seven leet-tuyghende psalmen van David”, DE HARDUYN, Uitgel. Dichtst. 59)
Leedverduren (BILD. 13, 203 [1812])
Leedverdurer (BILD. 2, 317 [1808])
Leedverduring (DA COSTA 1, 285 [1819])
Leedvergeten (”In leed-vergeten vreugde”, ROBBERS, A. de Boogh 20)
Leedverkortend (”Die 't aangebeden hart wanhopig moet beminnen, Wat rest … dien meer dan 't leedverkortend staal?” BILD. 9, 396 [1781])
Leedverwant (BILD. 5, 408 [1825])
Leedverzachting (”Is dat uw troost …? Is dat uw leedverzachting?” SCHIMMEL, Dram. P. 1, 49 [1847]; zie ook V. ZEGGELEN 1, 42 [1838])
Leedverzwaring (V. ZEGGELEN 1, 55 [1838])
LeedvoorspellendLeedvoorspellende komeet”, BILD. 6, 160 [1828])
Leedzucht, berouw (”De innighe leetsuchten, de goede begheerten, ende de saelighe wenschen die de Godt-minnende siele tot Christum … is uytstortende”, DE HARDUYN, Godd. Wensch. III; ”Den grooten over-vloet Van traenen sijn ghemoet Tot leet-sucht seer vermorfden”, V. WOLSSCHATEN, Doodt verm. 284); enz.
— In de bet. 5). Leedaanzegger, aanspreker, doodbidder (”De leedaanzegger gaat rond om de leed aan te zeggen, d. i. het sterfgeval bekend te maken”, Oude Tijd 1874, 286)
Leedbidden, Leedbidder (”De leedbidder, ook wel leedzegger of leed-aanzegger genoemd, is iemand, die … de geijkte termen, bij het leedbidden te bezigen, nauwkeurig kent”, DYKSTRA, Friesl. Volksl. 1, 407)
Leedbier: vroeger bij gelegenheid van eene begrafenis geschonken (Friesch Wdb.)
Leedbollen, mv., brooden voor een begrafenismaal (”De bollen die voor zulk eene gelegenheid werden gebakken noemden de bakkers ”leedbollen”; deze bestonden uit gekruiste krentebollen …, fijne bollen, regelweggen of franschebrooden”, DYKSTRA, Friesl. Volksl. 1, 415)
Leedbrief, schriftelijk doodsbericht (Friesch Wdb.)
Leedgoed (”Den bakkers werd aangezegd om voor dertig huisgezinnen ”leedgoed” te bakken”, DYKSTRA, Friesl. Volksl. 1, 417)
Leedkoek (”Daarbij wordt thee geschonken en later koffie met een groot stuk zoetekoek. Deze wordt bij zulk eene gelegenheid in sommige streken ook ”leedkoek” genoemd”, a. w. 1, 418)
Leedzegger (zie bij Leedbidder).
— Het gebruik van leed- in den Statenbijbel in de volgende samenstellingen zal wel zijn toe te schrijven aan den Fries BOGERMAN, die waarschijnlijk juist aan dat gedeelte van de vertaling een groot aandeel heeft genomen. Leedbanket (”(Des) leetmeesters, desgenen, die het bewint ende bestier heeft in de leetbancketten, die sy als leetmaeltijden souden houden, om droevige … te troosten over eenen dooden”, Jerem. 16, Kantt. 5)
Leedmaal (”Ter plaetse daer de vrienden tot het leetmael by een quamen”, Jerem. 16, Kantt. 10)
Leedmaaltijd (zie bij Leedbanket)
Leedmeester (zie bij Leedbanket)
Leedspijs (”Leetspijse die men eet in sterfhuysen”, Statenb., Hosea 9, kantt. 16 [ed. 1688]).
— Als tweede lid. Harteleed, kinderleed, liefdeleed, ouderleed, zieleleed (zie die woorden of het eerste lid).
— Verder: Jammerleed (”Is dan de rampspoed nooit voldaan, In u met jammerleed te slaan?” WISELIUS, N. Dichtb. 184).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1912.