Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: LEENWOORD Volgend artikel: LEEP II
GTB Woordenboeken: MNW

LEEPI

Woordsoort: bnw.

Modern lemma: leep

bnw. Mnl. leep.
Over mogelijke verwantschap buiten het Germ., in het bijzonder met lat. lippus, zie de etymol. wdbb. Van de oogen. Druipend. Thans nog gewestelijk bekend (zie b.v. GALLÉE). Het is niet altijd duidelijk of men met 't hier behandelde woord te doen heeft, of met Leep (II).
Noch weet jc remedye om leeppe ooghen,   EVERAERT 201 [1528].
De leepe, loopende oft traenende oogen,   DODON. 1444 b [ed. 1608].
De leepe opdrachtige ende verhitte oogen,   1540 b.
Dit Water des Morgens ende Tsavonts in de sterkens vanden Ooghen met een Vederken gestreken, het gheneest … Loopende Oogen, ende druypende ende leepe,   PH. HERMANNI, Distillierb. 134.
Die 't schennis wil bestoppen … En moet haer kromme neus, en moet haer leep gezigt, Of kevelbeckte kin niet cieren met gewigt Van Paerlen,   STALPERT V. D. WIELE, Vr. Cieraet 81.
Daer by het hy ien slincker oogh Dat is hiel leep en selden droogh, Gheboort met root scherlaken,   BREDERO 3, 244 [161.]
 (zie ook Holl. Merc. 1670, 49 [1671]) .
—  Ook van personen met betrekking tot hunne oogen.
Daer waren leepe gheesen. Schelu manck ende vuyl,   Antw. Liedb. 117.
Een' scheele Truy, … een' leepe Trijn,   HUYGENS 1, 86 [1622].
Hier aen so hebben sy (geleerde schrijvers) haer leep en blind geschreven,   WESTERBAEN, Ged. 2, 88 [1659].
Syn vader door 't vuile smitsstof en gloejend yser leep geworden,   VALENTIJN, Juven. 157  (lat.: lippus).
—  In de volgende verbinding, vert. van het horatiaansche et lippis notum et tonsoribus.
't Gheheym moet heym blijven, en … niet buytens monds gaen. … Dat in d'oore ghezeght wert, is terstont de leepen, en barbiers, bekent,   DE BRUNE, Bank. 2, 180 [1658].
Afl. Leepachtig (EVERAERT 200 [1528])
leepen, mnl. lepen, 1°. van de oogen: druipen (”Een … Neusje … vol puysten, En haer Ooghen leepen zeer Soo groot (omtrent) als vuysten”, Venus Minne-gifjens 34 d); 2°. ”grijnzen, grijnen, 't gezicht vertrekken, … sprekende met verachting van een kind, dat gemakkelijk en zonder reden schreit en weent” (DE BO [1873]); vandaar in de bet. 2°.: leeper, leepege, leepster, leeping (DE BO [1873])
leepheid, mnl. leepheit (”Rheuma Opthalmou, is een fluxie van subtijle humoren, die soo crachtich, ende so teghens onsen wille wt de Oogen vallen, dat wy tselve niet en connen beletten. Twelc naturelijcker wijse gheschiet, ghelijck wy sien dat sommige van hare kindtsheyt af daer mede besmet zijn, ende altijt met natte Oogen gaen: daer door datse altijt met ghevleghen Oogen gaen, waer wt dat lichtelijck een inflammatie, ofte leepheyt causeren can, ende den Patient alle zijn leven lanck, daer door can worden gheplaeght, sonder ghenesen te worden”, BATTUS, Ghebr. d. Oogen 46 [1597])
leepig (”(Zij) heeft maar een oog, en dat is zelf nog leepig rood”, Ned. Spect. 5, 148); vandaar: leepigheid, mnl. lepigheit (”Leepigheyd. Lippitudo”, KIL.; — ”Tfijn poeder aleen op d'oogen gestroydt, geneest het loopen ende de vochtige leepicheyt”, DODON. 1495 a [ed. 1608]; ”De drooge leepicheyt der oogen”, 1551 b)
leepsch, hetzelfde als leep (SCHUERM. [1865-1870]).
Samenst. en samenst. afl. Leepoog, 1°. druipend oog (”Over 't algemeen vertoont dit wanstal (t.w. maanoogen) zig uitwendig, als de oogleden van het Paard eenigermate zwellen, enz. …; waarbij dan dikwerf komt, dat de oogleden met zugtige rooven bezet zyn, wanneer men zulke oogen Leepoogen of Traangootig noemt”, BERKHEY, N.H. 4, 1, 154 [1779]; ”Leep-oog, is eene ontsteking in de randen der wenkbraauwen, tusschen de wanden der traanklieren”, 8, 66; ”Traanoog of Druipoog: dat is: eene overtollige uitvloeijing van oogvochten uit de hoeken der oogen, die, zoo zij al te scherp zijn, eene ontsteking veroorzaken in de fijne bloedvaten van het netsgewijs oogvlies, zoo dat en de oogbol en de randen der wenkbraauwen rood worden, dat dan genaamd wordt: Leepoog of Roodoog, alsdan wordt deze aandrang en uitvloeijing zigtbaar ontdekt”, 8, 170; ook bij MARIN, CHOMEL 1791 a [1770], KÖSTER-HENKE); 2°. iemand die zulke oogen heeft (”Leep-ooghe. Lippus”, KIL.; — ”Ha leepoogh! schemeleir! o druypneus! kintsche man! Kaelschedel!” MEULEWELS, Timon Misanthr. 2; ”Een man, die een Lea, of leepooghe tot zijn deel gekoren heeft, zal die metter tijd, voor een Rachel, en zoet-ooghjen aenzien”, DE BRUNE, Bank. 2, 23 [1658]); vandaar: leepoogd, met leepe oogen; verouderd (”Leep-ooght, en oud, en grys”, WESTERBAEN, Ged. 2, 59 [1659])
leepoogig (”U dienen en quispelsteerten en sal niet baten, … Ghy wert noch leepoogigh van 't liggen in d'asschen”, bij V. VLOTEN, N. Geschiedz. 1, 335, a°. 1567; ”Die veel ajuin eet wort leepoogigh”, DE BRUNE, Jok en E. 343 [1644]).
Aanm. Een vr. znw. leep met de bet. oogvuil vermeldt TUERL.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1913.