Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: LEEP I Volgend artikel: LEEP III
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW

LEEPII

Woordsoort: bnw., bw.

Modern lemma: leep

bnw. en bijw. Mnl. leep; fri. liep; nnd. lêp. Verwant is vl. lijp. Samen hang met Leep (I) is zeer onzeker; het is echter geenszins onmogelijk, dat dit laatste het gebruik van Leep (II) in toepassing op de oogen en het gezicht in de hand heeft gewerkt, en soms is 't moeilijk uit te maken aan welk van de beide woorden leep gedacht moet worden.
+A.  Bnw.
+B.  Bijw.
Afl. In de bet. A, 1). Leepen, 1°. schuin kijken (”De Minrebroeders …: die alsulcke penitencie doen, datmen wt hare leepende oogen sien mach, dat sy niet so vele wijns gedroncken hebben, als sy wel mochten”, MARNIX, Byenc. 2, 5, bl. 211 a; ”Haer oogen (t.w. die van zekere hoovaardigen) zijn in't gemeen soo erbarmelijck gestelt, dat sy leepen en loopen op't aen-sien van alles, wat een anders Lof en Eere toe-brengt”, ORIZANDT, Democr. 34); 2°. scheef zijn, scheef hangen (”Haar kleed leept”, DE BO [1873]); vandaar: leepeinde, scheef uiteinde, b.v. ”ieder van beide uiteinden van een gebleekt stuk lijn waad, anders ook Rekeinde genaamd” (DE BO 558 b [1892]; zie verder, ook voor andere toepassingen, DE BO [1892], JOOS [1900-1904] en Loquela 15, 28 [1895]), en: uitleepen, ”langer, wijder worden door 't gebruik, van kousen of schoenen” (Loquela 12, 44 [1892])
leeperd (”Leepaerd, lonckaerd, Petus”, KIL.)
leepheid, geering, b.v. van stoffen (DE BO [1873])
leepig (”Zelden ga ik ergens mijn genoeght nemen, of d'allerzwaarste punten worden 'er van leepige zielen verhandelt, en, om zoo te zeggen, wert 'er Gods wezen, dikwils, gelijk in goemanschap gewezen”, DE BRUNE, Jok en E. 217 [1644]; ”Dat zy (de Nijd) haar 's Naasten Heil-Zon ziet, Kan 't lepig oog niet lijden”, TUINMAN, Mengelst. 381; zie ook DE BRUNE, Embl. 320 [1624])
leepsch (”Ick wilde wel eens weten …, wat het beduid, dat ghy my soo dickwyl leeps en soo gefronst van troonje ontmoet?” VALENTIJN, Juven. 140; ”Leepse gevangens boven op de triumfbogen”, 158).
— In de bet. A, 2). Leeperd, mnl. leepaert (”Leepaerd … Homo callidus”, KIL.; — ”Mijn man …, Die leeperd, 'k zei het àl mijn dagen, Ziet altoos verder nog dan ik”, V. ZEGGELEN 3, 8 [1855]; ”In kruidkunde ook ben ik een leepert”, NOLET DE BR., Zwart op wit 88)
leepheid (”Leepheid. Fynheid. Doortraptheid”, MARIN; — ”Om dat hunn' hersens, min geslepen, Zijn grootsch doch diepverborgen schoon Uit mindre leepheid niet begrepen”, NIEUWLAND, Ged. 57)
leepig, vanwaar: leepigheid (reeds bij KIL.).
Samenst. en samenst. afl. Leepoogen (”Twee blicken spalckt hy (de leeuw) op, en 't dier bestaet te grimmen, En leepooght overzijds”, VONDEL 2, 303 [1625]; ”De jodenjongen, het valies op zijn nek, liep telkens even op een sukkeldrafje …, snotterend, en leepoogend naar Paul, die … nog grooter stappen was gaan nemen”, ROBBERS, A. de Boogh 12).
— Als tweede lid. Overleep (zie ald.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1913.