Door gebruik te maken van de GTB gaat u akkoord met de Eindgebruikersovereenkomst.

Koppelingen:
Vorig artikel: LEEP II Volgend artikel: LEER I

LEEPIII

Woordsoort: znw.

Modern lemma: leep

znw., mv. -en.
In de uitdrukkingen van de leep (zelden leepen) geven, krijgen, hebben, slaag geven, enz. Van onzekeren oorsprong. Misschien moet men denken aan Leep (II) in verband met de schuine richting waarin een slag aankomt, verg. de uitdr. er van langs krijgen.
Maeckt hy 't hem te grof, hy besight self de sweep, En graeut eens: bengel hou! flus krijghje van de leep,   VONDEL 3, 64 [1630].
Hy moghtme met een greep Van ponjaart of pistool eens geeven van de leep,   Kl. v. d. Schoester 7.
Siet hij sijn matres traanoogen, hij sal selfs mede schreien, en seggen: die lang-tong sal van de leepen hebben,   VALENTIJN, Ovid. 1, 121.
Die Jongens, geeven nu, de Baasen van de leep,   V. HALMAEL 1, 14.
Dat hij ook al een distel en harrewar, een ketterjager, eene Arminianen-plaag enz. … was, dit kon Vondel (hem) … niet vergeven, deswege krijgt het Malle Ventje telkens bij hem van de leep,   LULOFS, Vondel opgehelderd 334.
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1913.