Koppelingen:
Aanvulling
Vorig artikel: LENGSTUK Volgend artikel: LENGTEMAAT
Etymologie: EWN
GTB Woordenboeken: MNW, MNW

LENGTE

Woordsoort: znw.(v.)

Modern lemma: lengte

LENGDE —, znw. vr., mv. -n en -s. Mnl. leng(e)de; mnd. leng(e)de; mhd. lengede. Afl. van Lang (I). Naar analogie van diepte, dikte en derg. is lengde door lengte vervangen; lencte komt reeds in het Mnl. voor, thans is lengde alleen in een deel van Z.-Nederl. nog in gebruik.
+I.  De afmeting van eene lijn, de grootste of bij onderlinge gelijkheid een der afmetingen van een vlak of een lichaam; de uitgestrektheid.
+II.  Eene tijdsruimte, of de duur van een toestand, eene handeling, en derg.
Samenst. Lengtemaat (zie ald.).
— Verder: Lengteafwijking (”De omwenteling …, die bij elke verschillende ligging van het projectiel in den vuurmond, verschillend zijn zal en eene verschillende lengteafwijking zal opleveren, als zij van boven naar onderen of omgekeerd, eene verschillende zijdelingsche afwijking, als zij van de regter- naar de linkerzijde of omgekeerd, plaats heeft”, LANDOLT 1, 140 [1861]; zie een andere toepassing bij V. SCHEVICHAVEN, Natuurk. 126)
Lengteas (”In de rigting der lengteas van den kop”, SCHLEGEL, Zoogd. 48; ”Wij (zouden) den draad om zijne lengte-as kunnen laten draaien”, V. CAPPELLE, Electr. 209 [1908])
Lengtedal (”De ketenen van een gebergte loopen veelal evenwijdig en zijn dan gescheiden door breede dalen met vlakken bodem, de lengtedalen, die dus een gansch ander karakter vertoonen dan de door de kracht van het water uitgeschuurde kloofvormige dwarsdalen, waarin de rivieren de ketens doorbreken of waarin de beken van de hellingen der ketens afstroomen”, BOS-NIERMEYER, Bekn. Leerb. d. Aardrijksk.¹ 9)
Lengtedoorsnede (”Wij noemen stukken hout volgens de lengtedoorsnede langshout en volgens de dwarsdoorsnede eindelingshout of kophout”, BERGHUIS, Betimm. 2)
Lengte-eenheid (”Gewoonlijk noemt men de afmeting (van een vlak) die het grootst aantal lengte-eenheden bevat, lengte, en de afmeting die het kleinst aantal lengte-eenheden bevat, breedte”, Vivat's Encyclop. 1299 a)
Lengtegroei (Dl. V, 801)
Lengtelat (”Tot het juist afmeten van een gegeven werk, bijv. eene bedekking, bedient zich de dekker van eene lengtelat, dat is eene volkomen rechte lat, waarop hij de maten door zekere teekens weergeeft”, V. HOUCKE, Loodg. 433 [1901])
Lengtelegger (Dl. VIII, 1453)
Lengteprofiel, profiel verkregen door het snijdingsvlak in de richting der lengte aan te brengen (”Zijn de alignementen (van een nieuw te maken weg) aangenomen, dan moet in derzelver strekking eene naauwkeurige waterpassing van het terrein gedaan en een dusgenaamd lengteprofil opgemaakt worden, voorstellende de doorsnede van het rigtingsvlak met de oppervlakte van het terrein”, STORM BUYSING, Waterbouwk. 1, 7; ”De richting van de grootste snelheid … heet stroomdraad … De doorsnede van de rivier met een vertikaal vlak gaande door den stroomdraad heet lengteprofiel”, BEEKMAN, Ned. a. P. 2 [1884])
Lengterichting (”Lange luchthoudende buizen …, die in de lengterigting van den stam tusschen de houtcellen doorloopen”, RAUWENHOFF, in Alb. d. Nat. 1858, 1, 337 [1858])
Lengteschaal (”Daar de lengte, waarop het profil (van een weg) genomen wordt doorgaans zeer groot is, zoo vereischt zulks dat men bij het in teekening brengen daarvoor een schaal (lengteschaal genoemd) aanneemt, die ons in staat stelt het geheel te kunnen overzien”, PIJTAK 321 [1848])
Lengteuitgebreidheid, in de meetkunde: uitgebreidheid die maar één afmeting, geen breedte noch hoogte, heeft
Lengteverandering (V. CAPPELLE, Electr. 358 [1908])
Lengteverhouding (”Lengteverhouding tusschen den wijsvinger en den ringvinger”, Alb. d. Nat. 1878, 2, 5 [1878])
Lengtezijde (”Het plaveisel was aan den zijwand der poorten, langs hare lengtezijden”, Leidsche vert., Ezech. 40, 18); enz.
— In de bet. I, 3) of 4). Lengtebepaling
lengtecirkel, 1°. in de aardrijkskunde, zie de aanhalingen (”De Lengten-Cirkels op den Aard-kloot zyn Cirkels, welke door den Pool en eene ygelyke opgegeeve Plaats gaan, en zyn dierhalven eenerley met den Middag-Cirkel, maar voeren dezen naam, in zoo verre zy de Lengte van de Plaatzen bepaalen”, STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. 265 a [1740]; ”Is een afzonderlijk gedeelte van de aardoppervlakte in kaart gebracht, … dan ziet men de lengtecirkels of meridianen en de breedtecirkels of parallellen, daarop getrokken, natuurlijk eenigszins anders dan op eene globe het geval is”, BOS, Leerb. d. Aardrijksk.² 3); 2°. in de sterrenkunde, zie de aanhaling (”Lengten-Cirkel … is een Cirkel, welke met de Ecliptica door eene Ster parallel getrokken word. … Deze Cirkels hebben daar van daan hun naam, om dat men zoo wel in dezelven, als ook in de Ecliptica de Lengte van de Sterren uitreekenen kan”, STAMMETZ-LA BORDUS, Wisk. Wdb. 265 a [1740])
lengtegraad, 1/360 deel van een parallel, dienende als maat voor de bepaling der aardrijkskundige lengte; vervolgens wordt bij het gebruik van 't woord meer aan den meridiaan gedacht, die het aangegeven aantal graden van den nulmeridiaan is verwijderd (”Tusschen welke breedte- en lengtegraden ligt Nederland?” BOS-NIERMEYER, Bekn. Leerb. d. Aardrijksk.¹ 2)
lengtepunt, zie de aanhaling (”Het lengtepunt is het snijpunt van de hoogteparallel met de parallel van de gegiste plaats”, NOORDUYN, Zeevaartk. 301)
lengterichting (”Eenlge … heuvelrijen, die hunne lengterichting van N. naar Z. hebben”, BOS-NIERMEYER, Bekn. Leerb. d. Aardrijksk.¹ 59)
lengteverschil (”Het lengteverschil tusschen Leiden en Parijs”, Alb. d. Nat. 1890, 2, 25 [1890]); enz.
— Als tweede lid. Armslengte, bootslengte, golflengte, paardslengte, scheepslengte (zie die woorden of het eerste lid).
— Verder: Elleboogslengte (MARIN)
fabricagelengte, in de electrotechniek: ”de gebruikelijke lengte, waarop een kabel door een fabriek wordt afgeleverd” (Electrotechn. Woordenl. 113)
kamerlengte (”Alsoe (zij) seer cortaesempt werdt, soodat naeuwelijcx een camerlengte can gaen”, V.D. GOES, Briefw. 1, 82 [1660])
paslengte (”De even nummers van het achterste gelid brengen den rechtervoet een halve paslengte vooruit”, Recrutenschool Schutterij 1897, 49); enz.
— In de bet. I, 3). Chronometerslengte, lengte, verkregen door het verschil tusschen den middelbaren tijd aan boord en dien van de plaats op welke men den chronometer geregeld en gesteld heeft
oosterlengte, westerlengte (afgekort O L., W L.), de lengte ten oosten of ten westen van den nulmeridiaan.
— In de bet. I, 4). Maanslengte, zonslengte.

Aanvulling bij LENGTE

Samenst. Lengtemeting. 1°. Het meten van den afstand van een plaats ten oosten of ten westen van den eersten meridiaan.
  V. DALE [1872 ].
— Gesien … hebbende de Journalen … der gheene die met de Horologien van mijn Inventie … naer de Caep de Bonne Esperance gesonden sijn geweest …, soo is desen om … aen UEd. rekenschap te geven van 't geen ick uyt de voorn. schriften bevonden hebbe aengaende de proeve der Lengdemetingh, waer toe dese reyse was aengestelt,   CHR. HUYGENS, þuvres 9, 272 [1688].
2°. Het meten van de lengte van iets.
Lengtemeting in hellend terrein. In hellend terrein zullen de tussenpiketten op de breekpunten van het profiel van de te meten lijn worden geplaatst. Men kan dan de horizontale lengte op verschillende wijzen verkrijgen,   SCHERMERHORN en V. STEENIS, Landmeetk. 161 [1941].
In deze uitsparingen passen de pennen die bij de lengtemeting worden gebruikt,   Bouwk. Encyclop. 2, 145 b [1955].
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1914.