Koppelingen:
Vorig artikel: LING III Volgend artikel: -LING V
GTB Woordenboeken: MNW

-LINGIV

Woordsoort:

Modern lemma: -ling

achtervoegsel waarmede znw. worden gevormd, en dat in de meeste germ. talen voorkomt. Mnl. -linc (t.w. in onverbogen vorm en vóór de s van den genetief; gewestelijk nnl. -link. Vrij algemeen houdt men het er voor dat -ling zijn ontstaan te danken heeft aan het achtervoegsel -ing, dat op dezelfde wijze gebruikt voorkomt en waarmee het soms zelfs afwisselt (b.v. pippeling naast pipping; ofri. hâvdling naast hâvding; mhd. engerling naast engering, ohd. engiring): kwam -ing, zooals b.v. in edeling, achter reeds met een l-suffix afgeleide naamwoorden, dan kon men -(e)ling in die woorden voor een op zichzelf staand achtervoegsel gaan houden; vervolgens heeft men dan hiermede nieuwe afleidingen gevormd. Als got. gadiliggs met het op die manier ontstane suffix is gevormd, moet 't genoemde proces reeds zeer vroeg hebben plaatsgevonden, misschien al vóór de splitsing der germ. talen: in ohd. jungaling en on. unglingr hebben het West-en het Noordgermaansch hetzelfde woord. Terwijl er met -ling nog steeds nieuwe woorden worden gevormd, maakt men met -ing al sedert lang geen nieuwe meer; waarschijnlijk zijn dus de betrekkelijk jonge woorden enkeling, hemeling en troeteling, ofschoon meestal met één l geschreven, met -ling gevormd.
In alle perioden van onze taal zijn er woorden op -ling, vooral persoonsnamen, naar willekeur gevormd, en die vorming gaat nog steeds voort; sommige zijn slechts een enkele maal in 't spreken of schrijven gebruikt, andere hebben in ruimer of beperkter kring ingang gevonden. COORNHERT bezigde smakeling, zonder daarin navolging te vinden. In de 17de eeuw hebben o.a. VONDEL, DE BRUNE en ANTONIDES verschillende woorden gemaakt die niet voorgoed in den taalschat zijn opgenomen; voor later tijd geldt hetzelfde van BILDERDIJK en vele anderen. Een nieuw gevormde zaaknaam was zinkeling, dat HOOFT bezigde. Enkele woorden die in het begin der 20ste eeuw, naar 't schijnt voor 't eerst zijn gebruikt, vindt men in Tijdschr. 32, 41 volg.
Omtrent den vorm der woorden op -ling valt het volgende op te merken.
1.  Een n is aan de l van het suffix geassimileerd in balling, spalling (niet in eenling, groenling, hetzij doordat deze woorden jonger zijn, of doordat het verband met de grondwoorden hier beter wordt gevoeld), en in de afleidingen van verleden deelwoorden van sterke ww. als goteling, overwonneling, verschoveling, verworpeling: hier kan men echter ook aan afleidingen van den westnederlandschen vorm zonder -n denken. — Assimilatie van een d of t vertoont gelling.
2.  Vóór het suffix wordt een onduidelijke klinker uitgesproken, die met e wordt geschreven, behalve na r, l, klinkers en zwakbetoonde lettergrepen: afstammeling, dorpeling, vertrouweling, huurling, ouderling, hemeling (hemelling), tweeling, wereldling; na n ontbreekt de klinker soms wel, zooals in eenling, groenling, soms niet, zooals in banneling, wederspanneling. In poëzie wordt deze klinker vaak gesyncopeerd.
3.  Schepeling en stedeling hebben hun e in de eerste lettergreep aan de vormen schepe(n) en stede(n) te danken.
4.  Syncope vertoont zich in bloeling uit bloedeling en waarschijnlijk in beroerling naast beroerdeling.
+5.  In een aantal westvl. woorden van verwante beteekenis vindt men soms een r vóór -ling: kammerling, schaverling, zagerling enz., naast vormen zonder r. Wellicht is hier analogie in 't spel naar snipperling, dat dan op zijn beurt weer snippeling naast zich heeft gekregen.
+A.  Persoonsnamen. Aan verscheidene, inzonderheid onder die welke van bnw. en ww. zijn afgeleid, verbindt zich, steeds of somtijds, in meerdere of mindere mate het denkbeeld van zwakheid of minderwaardigheid: wanneer nl. het grondwoord in minder gunstigen zin wordt gebezigd, duiden de woorden op -ling, als substantieven, de eigenschap, het verrichten (ondergaan) der handeling, het behooren tot een zaak, aan als iets blijvends, iets dat uit het karakter voortkomt, en versterken zij dus den minder gunstigen zin. Voorbeelden zijn zwakkeling, nieuweling, vreemdeling, nieteling, zwerveling, huurling, duisterling, ellendeling.
B.  Diernamen, als gelling, groenling, hokkeling, jaarling, nebbeling, nesteling, spadeling, spalling, takkeling, vroegeling.
C.  Plantnamen, als bovenling (westvl. voor: knotwilg), gelling, poteling, winterling, zaailing.
+D.  Zaaknamen, en wel
+E.  Collectiva, en wel
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1919.