Koppelingen:
Vorig artikel: LOFZINGEN Volgend artikel: LOG II

LOGI

Woordsoort: znw.(o.)

Modern lemma: log

znw. onz., geen mv.
Verwant met Liegen. Leugen. Oudtijds niet zeldzaam, vooral bij schrijvers die tot de amsterdamsche kringen behooren; bijna steeds verbonden met bedrog en drog. Zie ook voorbeelden bij BEDROG en DROG (II).
Sonder logh is gheen bedrogh,   COORNHERT 1, 259 d [1580].
Zijnen broeder het syne te ontguychelen met loch ende bedrogh,   1, 359 d.
O Valschen droch vol droch vol loch, vol ongetrou beloven,   BREDERO 3, 401 [161.].
Ze … weten hun leven langk van loch nochte bedrogh,   VONDEL 5, 102 [1646].
Moet den mensch niet altijdt wesen op der aerden inden strijdt? Somtijts tegen logh en liegen, somtijts tegen haet en nijt,   JANSSEN, Chr. Verm. 222.
Toen hy (Karel I) bedrog noch log bestond, Daar d'yver, tot den bloey van 't Eyland, hem verslond,   OUDAAN, Toneelp. 294.
Afl. Bij dit woord behoort misschien logbaar, vanwaar onlogbaar (zie ald.).
© 2007 INL. Artikel gepubliceerd in 1920.